door Ruard Ganzevoort
Bevolkingskrimp betekent minder kinderen, minder scholen en dus minder keuzevrijheid voor ouders. Wat betekent dat voor het voortbestaan van bijzonder en openbaar onderwijs?
Het valt mij op dat de discussie over openbaar en bijzonder onderwijs vaak nogal oppervlakkig wordt gevoerd. Mensen roepen gemakkelijk dat bijzonder onderwijs slecht is voor de integratie of dat het vreemd is dat de overheid met belastinggeld religies ondersteunt in het overdragen van het geloof aan de volgende generatie. Scheiding van kerk en staat zou dan betekenen dat de overheid geen religieuze scholen meer subsidieert. En als het om bevolkingskrimp gaat, kan dan gemakkelijk verdedigd worden dat we met het afschaffen van bijzonder onderwijs in een klap geregeld hebben dat overal openbaar onderwijs beschikbaar is. Omgekeerd wordt de discussie over hoe sommige orthodox-religieuze scholen functioneren te snel uitgelegd als een aanval op de godsdienstvrijheid. Snelle en makkelijke argumenten met weinig historische of inhoudelijke diepgang. Voor- en tegenstanders van bijzonder onderwijs schieten in hun vertrouwde kramp. Dat wil natuurlijk niet zeggen dat er geen vraag op tafel ligt, maar het is wel zinvol om iets grondiger te kijken naar de achtergronden.
Schoolstrijd
Het huidige systeem dat openbaar en bijzonder onderwijs naast elkaar laat bestaan, is bijna honderd jaar oud. Het is een voorzichtig evenwicht dat ontstond na een eeuw strijd. Die strijd is wel interessant voor de huidige discussie. De onderwijswet van 1806 probeerde vooral de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs te regelen, onder meer via de bevoegdheid van leerkrachten, schoolinspectie en beschikbare scholen op niet te grote afstand (er was nog geen leerplicht). Ook toen al bestond er openbaar en bijzonder onderwijs, maar dat was niet per definitie hetzelfde. Openbare scholen werden gefinancierd uit een openbare kas, maar dat kon ook een geestelijke of kerkelijke kas zijn! Bijzondere scholen kregen hun geld van een diaconie, stichting of geldschieter, of werden betaald uit schoolgelden. Inhoudelijk regelde de wet dat het onderwijs onder meer moest bijdragen aan maatschappelijke en (liberaal-) christelijke deugden. Andere religieuze stromingen (orthodoxen, rooms-katholieken) werd het moeilijk gemaakt eigen onderwijs vorm te geven.
Lees verder in de Helling
bestel hier
Los nummer 6,50
Abbonenement 24,50 per jaar
Ruard Ganzevoort is hoogleraar praktische theologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam en voorzitter van de Linkerwang, platform voor geloof en politiek binnen GroenLinks
De Helling 2010/2