de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Pleidooi voor een progressief nationalisme

Zei er iemand ‘krimp’?

door Willem Schinkel

Angst voor of fascinatie met ‘krimp’ zoals die momenteel lijkt te bestaan, is feitelijk het spiegelbeeld van een langdurige wil tot groei. Met ‘groei’ en ‘krimp’ beschrijft de maatschappij zichzelf in economisch-evolutionaire termen. Dit concept moet dringend worden vervangen door een ecologisch-revolutionair vocabulaire. Hoe kicken we af van de grenzeloze groeifetish – of: welke mogelijkheden zijn er voor Schinkels creatieve ineffciëntie?

‘Krimp’ is demografisch gezien nog lang niet aan de orde. Weliswaar groeit de wereldbevolking tot een voorspelde negen miljard tegen 2050 en groeit de Nederlandse bevolking lang niet zo hard, toch groeit ze tot minstens 2035 en heeft ze in 2050 nog een grotere voorspelde omvang dan momenteel. En gezien de voorspelling van de socioloog Mike Davis dat in 2050 ruim twee miljard mensen ter wereld in sloppenwijken wonen, is het wellicht een zegen te noemen dat de grote revolutie in de wereldbevolkingsomvang die wij meemaken niet leidt tot een enorme voorspelde influx van gelukszoekers – een vreemd genoeg negatieve aanduiding voor migranten die recent door Joke van der Zwaard op positieve waarde is geschat. Demografisch gezien betekent ‘krimp’ in de Nederlandse context vooral verstedelijking. Krimp betekent dus contractie en concentratie. Zoals overal elders ter wereld, zien we in Nederland een urbanisatie die deels betekent dat het platteland ontvolkt maar die ook deels betekent dat de stad het land opslokt, zodat de tegenstelling tussen ‘stad’ en ‘platteland’ aan relevantie verliest.
Maar zelfs wanneer de bevolking wel echt zou krimpen, dan nog zegt dat niet direct iets over de economische situatie van het land. Als het verband tussen bevolkingsgrootte en economische toestand lineair was, zou Nederland niet de economische zwaarlijvigheid hebben die het nu heeft. Niettemin is Nederland vooral ook vanuit economisch perspectief een ‘krimp’-kandidaat. Wat kan groeien kan krimpen. En na jarenlange groei is de economie in de afgelopen jaren gekrompen. Op dit moment ziet het er nog geenszins uit dat economische krimp zal blijven: 2010 heeft in de eerste kwartalen economische groei gekend en het CBS verwacht groei voor 2011. Als het idee van ‘krimp’ dus noch demografisch, noch economisch direct aan de orde is, is het van belang te bezien wat het idee van ‘krimp’ betekent. Hebben we niet in de eerste plaats te maken met een ideële of ideologische krimp? Kennen we niet een bekrompenheid in de manier waarop het land, haar bevolking en haar economische omvang en substantie nog begrepen kunnen worden?

Museum Europa
Ik behoor tot een generatie die het hoogstwaarschijnlijk gemiddeld genomen niet beter zal hebben dan zijn ouders. Die gedachte leidt tot een vage angst of onrust als grondhouding. Tot een gebrek aan horizon. En toegegeven, nu de wereld ‘mondiaal’ en rond is, is de horizon ook niet echt boeiend meer. Uiteindelijk lijkt ieder vergezicht toch weer bij jezelf uit te komen. En er is ook al geen nieuwe wereld meer te ontdekken. Die is al ontdekt, en terwijl wij krimpen, groeit die wereld. Wij lekken feitelijk. We lopen langzamerhand leeg in de richting van wat ooit een aan ons onderworpen wereld was.
Excuses, ik generaliseer. Laat ik voor mezelf spreken. Ik heb ooit, wellicht in een wat pessimistische bui, geschreven dat wij in het oude Europa in een museum leven. Museum Europa, dat is waar de wereld op vakantie gaat om het levende verleden te zien. In mijn optimistische buien denk ik dan: wat is er mis met een museum? Laten we van de kunst genieten! Maar we moeten ons niet vergissen: Museum Europa is een luchtballon die langzaam leeglopend een scheet de wereld in schiet waarvoor die wereld, als ze überhaupt luistert, de neus ophaalt. Maar mijn museummetafoor is natuurlijk beperkt en misschien ook, met een tegenwoordig weer populair woord, ‘elitair’. ‘Leeg pakhuis’, dat zou ook een werkende metafoor kunnen zijn. Het voelt soms alsof we een winkel zijn die steeds kleiner behuisd is. Dat is vooral een gevoel, want voorlopig is er nog niet veel van te zien. Maar wie een Aziatische metropool heeft gevoeld, die weet wat wij missen: energie.
De grote energiecrisis van onze tijd is in West Europa op zijn existentiële dimensie gebracht: wij lijken geen energie meer te hebben, geen puf om nog iets nieuws te bedenken. Geen volk dat zo vaak op vakantie gaat, maar toch is het altijd wel ‘aan vakantie toe’. Al onze vergezichten zijn blikken op onszelf, een gapen in de spiegel. Bij ons is ‘Verlichting’, ooit tegen traditie gekant, traditie geworden. We hebben alles al een keer bedacht en het hele idee van een ‘alternatief’ is te vervelend om nog om te lachen. Afleidingsmanoeuvres als ‘de strijd der beschavingen’ geven ons nog het gevoel dat we een grote beschaving zijn en dat er iets groots op het spel staat, dat we meedoen met de mondiale meting van machten. Maar ook daarin komen we niet verder dan woorden als ‘integratie’ – woorden die meelderig smaken in de mond, maar wie gaapt, krijgt nog een hap. Wie kan ons met droge ogen aankijken en zeggen dat onze politici, met hun alleen in procenten verschillende bezuinigingsplannen, ons een nieuwe horizon voorspiegelen? Wanneer, na jaren van centrum-rechtse thematisering van ‘actief burgerschap’ en ‘participatie’, een ‘links’ verkiezingsprogramma pleit voor een ‘activerende participatiemaatschappij’, waar is dan nog frisse politieke lucht in te ademen? En wat te denken van onze grote filosofen, die nog altijd sparren over Verlichting en Mao, of die – en daarmee ontpopte Peter Sloterdijk zich tot museumdirecteur – voorstellen dat de rijken de armen voortaan bij wijze van filantropie onderhouden?

Operatie Obesitas
Maar ik moet mij weer verexcuseren: ik spreek weer generaliserend. Ik moet voor mezelf spreken. Maar wie spreekt er namens ‘ons’? Wie opent een horizon waar we niet altijd al zelf staan, precies zoals we zijn, met misschien als het lukt een procentje meer? Laten we beginnen bij de beelden van ‘ons’ die tot voor kort in ieder geval nog plausibel waren.
Het is duidelijk dat het gedeelde beeld van ‘de Nederlandse samenleving’ lang dat van een obees lichaam geweest is. ‘Groei’, dat was het vigerende doel. Groei was onze platgeseculariseerde invulling van vooruitgang. Vooruitgang was een richting, had een einddoel in zicht. Groei was richtingloos, want alle kanten op. Ons doel was dik worden, ruimte innemen, niet meer via koloniale expansie maar via economische groei.

Lees het gehele artikel in de Helling.
Bestel hier
Losse nummers 6,50
Abonnement 24,50 per jaar of 10,00 voor de laatste twee nummers van 2010.

Willem Schinkel is socioloog aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

De Helling 2010/2


Inhoud 2010/2