door Maurits Berger
Voor een moslim is ‘de islamitische staat’ het ideaalbeeld van een rechtvaardige samenleving. Maar wat houdt die islamitische staat, waar ook de AEL naar verwijst, concreet in?
In de jaren die ik in het Midden-Oosten woonde heb ik regelmatig aan moslims die opriepen tot de vestiging van een islamitische staat gevraagd of er een islamitisch land is dat hen tot voorbeeld strekt. Het antwoord was bijna altijd negatief: Iran is een andere (want sji`itische) vorm van islam, Sudan is achterlijk, Saudi-Arabië is hypocriet, Libië is een soort islamitisch Cuba en Maleisië ligt voor veel Arabieren te ver weg. Slechts een enkeling was in staat aan te geven wat de islamitische staat dan wél was; zij was in ieder geval beter, wisten ze mij te vertellen, en vooral rechtvaardiger dan de situatie waar ze nu in leefden.
Waar moeten we zoeken naar de definitie van de islamitische staat? De moslimse politieke theorievorming hierover heeft vooral sinds het einde van de 19e eeuw een hoge vlucht genomen. Het politieke en staatkundige begrip 'islamitische staat' (al-dawla al-islamiya) stamt ook uit deze tijd. Daarvóór was er simpelweg het 'Huis van de Islam' (dar al-islam), en het bestuur daarvan was niet onderworpen aan typisch islamitische regels. Sterker nog: de wijze waarop het Huis van de Islam gedurende dertienhonderd jaar werd geregeerd staat vaak haaks op wat moderne moslimtheoriën verkondigen over de islamitische staat.
De zoektocht naar de islamitische staat voert ons langs vier wegen: de praktijk van vroeger en van nu, en de staatkundige theorievorming van vroeger en nu. Omdat een veelgebruikte term als 'islamitische staat' al niet makkelijk te definiëren is, is het van belang een paar andere termen duidelijk te omschrijven. Mijn voorkeur gaat er naar uit te spreken over 'moslim'-landen in plaats van 'islamitische' landen. De aanduiding 'moslim'-land is niet meer dan de vaststelling dat de bevolking van een land voor de meerderheid uit moslims bestaat. Een moslimland is pas 'islamitisch' als het een politiek-islamitische agenda voert. Dat laatste is niet altijd even duidelijk. Het is opvallend dat bijna alle hedendaagse moslimlanden zich officieel 'republiek' noemen.
Moslimlegers
De enige landen die zichzelf aanduiden als 'islamitisch' zijn Iran, Pakistan en Mauretanië. En ook zij noemen zichzelf nadrukkelijk 'islamitische republiek'. Het is bovendien een illustratief interessant drietal omdat ze zo verschillend zijn. Om te beginnen zijn geen van de drie landen Arabisch. Iran volgt de sji`itische islam en heeft na de revolutie van 1979 een staatsvorm gekregen die het beste omschreven zou kunnen worden als Khomeinisme. Pakistan is in 1947 gesticht als thuisland voor de Indiase moslims (overigens in hetzelfde jaar als het thuisland voor joden haar definitieve vorm kreeg in de staat Israël). Mauretanië is een Afrikaans land waar, ondanks de islamitische signatuur, de invloeden van de voormalige Franse kolonisator nog steeds gelden. En dan is er nog een belangrijk onderscheid, namelijk de wijze waarop deze landen omgaan met enerzijds bestuur, en anderzijds wetgeving. Iran probeert zowel haar bestuur als wetgeving een islamitisch signatuur te geven. De Pakistaanse bestuursvorm is gemodelleerd naar Engels voorbeeld, terwijl men sinds de jaren zeventig tracht de wetgeving in overeenstemming met de islamitische wet te brengen. En in Mauretanië is het enige dat islamitisch genoemd kan worden het familierecht, maar dat is iets dat geldt voor bijna alle moslimlanden.
De hedendaagse praktijk is dus weinig behulpzaam in het aanwijzen van typische kenmerken van een islamitische staat. Ook de historische praktijk biedt weinig aanknopingspunten. In de 7de eeuw, kort na het overlijden van de profeet Mohammed, hadden de Arabische moslimlegers in zeer korte tijd een wereldrijk veroverd dat reikte van Noord-Afrika tot aan Afghanistan. Dit werd het islamitische rijk genoemd, maar dat gold slechts met betrekking tot de heersers. Hun onderdanen waren in de eerste eeuwen van de islam namelijk grotendeels geen moslim – er was, ondanks hardnekkige opvattingen van het tegendeel, ook nauwelijks sprake van gedwongen bekering tot de islam. Het duurde zeker nog twee eeuwen voordat men met recht kon spreken van het islamitisch rijk als een rijk van en voor moslims.
Sharia
De moslimheersers vonden dit echter niet verontrustend. Hun zorg ging vooral uit naar het besturen van hun nieuwe rijk. Hun ervaring in het besturen van stam of clan was van generlei waarde in het wereldrijk. De moslimheersers vielen daarom terug op de bestuursstructuren van de Byzantijnse en Perzische rijken die zij hadden veroverd. De voertaal van de moslimregering was zelfs enige tijd Grieks en Perzisch. Vanuit islamitische optiek was dit geen onoverkomelijk probleem. De Koran en de profeet gaven nauwelijks aanwijzingen voor het bestuur van de moslimgemeenschap. Het stond deze gemeenschap dus vrij om dat naar eigen goeddunken in te vullen.
De werkelijke zorg van de jonge moslimgemeenschap betrof niet het islamitisch gehalte van hun bestuur, maar van hun wet, de Sharia, ofwel de Wet zoals God die heeft voorgeschreven. Deze Wet was geen wet in de westerse zin van het woord, maar een gedragscode, een verzameling richtlijnen en regels die samen de blauwdruk van een rechtvaardige maatschappij vormden. Deze Sharia lag besloten in de Koran en het voorbeeld van de profeet, en haar goddelijke oorsprong was boven iedere twijfel verheven. De moslims waren het er over eens dat het behoud en de implementering van de Sharia de primaire functie was van een islamitische staat
Hóe de islamitische staat ingericht moest worden om deze functie te vervullen, was echter een andere kwestie. Omdat de Sharia nauwelijks staatkundige regels bevatte, had de moslimgemeenschap in feite de vrijheid om deze lacune zelf in te vullen. Niet dat een regering alle vrijheid genoot: zij was zelf immers ook onderworpen aan de Sharia. Het adagium van de islamitische staat zou je daarom kunnen samenvatten als: het bestuur is aan het volk, maar de regels zijn aan God.
Dictatoriaal
In deze – theoretische – onaantastbaarheid van de regels schuilt ook de kritiek van veel moslims op de westerse democratie. Het ogenschijnlijk gemak waarmee wetten kunnen worden aangenomen en verworpen wekt bij hen de indruk van willekeur. Zij worden in deze opvatting gesterkt door de praktijk van hun eigen regimes. De meeste moslimlanden zijn formeel republieken met democratische systemen, gemodeleerd naar westers voorbeeld, maar de regeringen zijn in veel gevallen dictatoriaal, in de zin dat zij niet onderworpen zijn aan democratische controle, maar alles naar eigen hand kunnen zetten.
De roep om een islamitische staat in dit soort moslimlanden is dan vooral een roep om accountability: de eis dat een overheid onderworpen is aan de wetten van de staat en daar verantwoording voor aflegt. In een islamitische staat zou de regering onderworpen zijn aan die ene Wet, die niet amendeerbaar is omdat zij door God Zelf is ingesteld. Nu blijkt dat de regimes zichzelf steeds weer boven de wet plaatsen, en zich daarbij ook nog eens verschuilen achter de façade van de democratie, gaat de roep om een islamitische staat vaak ook vergezeld van de roep tegen de democratie.
Dit werd mij bijvoorbeeld in 1996 duidelijk gemaakt door een hoge functionaris van de Palestijnse verzetsbeweging Hamas. "De democratie waar wij tegen zijn is die van Arafat, die onder het mom van het democratische proces een soort dictatoriale willekeur uitoefent. De democratie waar wij voor zijn is die van de instituties, zoals verkiezingen en een parlement." Gevraagd naar het soort parlement dat Hamas voor ogen stond in hun islamitische staat, antwoordde hij ernstig: "Zoiets als [het Israelische parlement] de Knesset."
Kalief
De verwijzing naar een parlement als onderdeel van een moderne islamitische staat is niet bevreemdend. Want de Koran en de profeet mogen dan geen concrete uitspraken hebben gedaan over bestuur en haar vormen, zij noemen wel twee beginselen die hier onlosmakelijk mee verbonden zijn: raadpleging (shoera) en consensus (idjma).
Deze beginselen zijn bekrachtigd door het optreden van de moslimgemeenschap na het overlijden van de profeet in het jaar 632. Na spoedberaad werd met algemene stemmen een opvolger (kalief) van de profeet gekozen. Deze praktijk van overleg en verkiezingen heeft echter slechts dertig jaar geduurd (die bekend staat als de periode van de vier Rechtgeleide Kaliefen). Vanaf dat moment werd het kalifaat door middel van erfopvolging voortgezet. In de 16de eeuw ging het kalifaat over in handen van de Ottomanen, totdat het in 1924 werd afgeschaft door de Turkse seculiere nationalist Ataturk.
Los van alle turbulente ontwikkelingen die het kalifaat in zijn dertienhonderdjarig bestaan heeft doorgemaakt, is het meest opvallende misschien wel dat de hedendaagse roep om een islamitisch staat bijna nooit vergezeld gaat met een roep om herstel van het kalifaat. Een mogelijke verklaring is dat in de veelheid aan literatuur die vandaag de dag door moslims wordt geproduceerd over de islamitische staat, vaak nadrukkelijk wordt opgemerkt dat erfopvolging van het leiderschap in strijd is met de islam.
De positie van de kalief wordt in het westen vaak te hoog ingeschat. De kalief was weliswaar de opvolger van de profeet, maar had niet diens profetische kwaliteiten of diens vermogen de Sharia aan te vullen of uit te breiden. In die zin gaat de vergelijking met de paus niet op. De kalief was slechts een zaakwaarnemer: hij diende het moslimse erfgoed te beheren en vooral de voorwaarden te scheppen dat de Sharia op de juiste wijze werd uitgelegd en uitgevoerd. Het uitleggen van de goddelijke Wet was echter geen simpele opgave. Dit werd daarom al snel het domein van moslimgeleerden. Zij verwierven geleidelijk het exclusieve recht op interpretatie. Zo ontstond een tweedeling binnen de islamitische staat: de kalief handhaafde de Wet door middel van rechtbanken en politie, maar voor de uitleg van de Wet moest men terecht bij de geleerden. In tegenstelling tot politiefunctionarissen en rechters, die werden benoemd door de overheid, waren de geleerden onafhankelijk. Hun status ontleenden zij louter aan hun kennis en populariteit. Dit had weer tot gevolg dat zich onder de geleerden allerlei stromingen vormden, van conservatief tot liberaal. Voor de kalief was het onderdeel van het politieke spel om de ene, dan wel de andere stroming te begunstigen.
Scheiding moskee en staat
Officieel was er geen scheiding tussen politiek en religie. Maar feitelijk vond wel degelijk een scheiding plaats tussen wereldlijke zaken (kalief) en religieuze zaken (moslimgeleerden). Natuurlijk was er een wisselwerking tussen deze twee werelden, waarbij het krachtenspel soms meer naar de ene kant overhelde, en soms naar de andere. Maar zelfs vandaag de dag komt het nog regelmatig voor dat een regering van een formeel seculier moslimlanden voor haar handelingen bevestiging zoekt bij moslimgeleerden. Zo heeft president Sadat van Egypte (een republiek waar islam als staatsgodsdienst geldt), de mening van de moslimgeleerden gevraagd om in 1973 oorlog te voeren tegen Israel, en opnieuw in 1977 om met Israel vrede te mogen sluiten.
Het feit dat er in de afgelopen drie decennia onder moslims zoveel gesproken, gedacht en geschreven wordt over de islamitische staat wekt de indruk dat er sprake is van een concreet staatkundig model. Dat is onjuist. De islam levert slechts enkele, en bovendien zeer basale kenmerken waar een islamitische staat aan zou moeten voldoen. Ook de veertienhonderdjarige praktijk van staatsvormen in de islam levert weinig aanknopingspunten op. Het is bijvoorbeeld tekenend dat in de huidige moslimse staatkundige theoriëen slechts wordt gerefereerd aan de beginjaren van de islam (met name de periode van de Rechtgeleide Kaliefen), terwijl de wijze waarop het islamitische rijk in de daaropvolgende eeuwen werd bestuurd, wordt genegeerd of zelfs verworpen.
De ‘islamitische staat’ waar nu over wordt gesproken is dus een nieuw fenomeen. Landen als Pakistan en Iran zijn uniek in de geschiedenis van de islam omdat ze niet zozeer voortborduren op oude staatsstructuren, maar voor het eerst proberen invulling te geven aan het nieuwe gedachtegoed van een islamitische staat. Maar juist door het feit dat dit gedachtegoed, dat zo sterk leeft onder moslims, zo weinig aansluiting heeft met de praktijk van zowel heden als verleden, heeft het begrip islamitische staat een utopische lading. De term 'rechtvaardige samenleving' is daarom een betere beschrijving van de behoefte van veel moslims dan de term ‘islamitische staat’. Dat verklaart ook het paradoxale gegeven dat moslims zo eensgezind zijn in hun wens om een islamitische staat te stichten, maar zo van elkaar van mening verschillen over de inhoud ervan. En dat is ook de reden waarom veel moslims de enkele hedendaagse 'islamitische staten' veelal afwijzen.
Angszweet
Bij gebrek aan een dergelijke staat doen conservatieve moslims het zelf, op eigen kracht. In hun eigen huishoudens, gemeenschappen of wijken, passen zij de Sharia toe. De Sharia is immers van een zelfstandige – want eeuwige – waarde, die geen staatsvorm nodig heeft om te kunnen bestaan. Voor leiding, advies en conflictbeslechting gaan zij naar hun moslimgeleerden. Deze gemeenschappen hebben hun eigen onderwijsinstellingen, hospitaals, fondsen die aan consumenten krediet verstrekken, enzovoorts.
Dit verschijnsel ziet men vooral in landen als Egypte en Syrië, waar mensen zich afkeren van de corruptie en het wanbeleid van hun regeringen door zich terug te trekken in hun eigen gemeenschappen. De officiële staatsinstellingen – banken, regeringsinstellingen, rechtbanken – worden zoveel mogelijk vermeden. De roep uit de Amsterdamse krakerstijd 'jullie rechtsstaat is de onze niet!' is hier zeker van toepassing. Het verschil met de krakers is dat de Sharia een duidelijk en hanteerbaar alternatief biedt om het leven in de afgescheiden gemeenschappen – islamitisch mini-‘staatjes’ – een rechtvaardige ordening te geven.
De uitspraken van de AEL-voorman Abu Jahjah passen in deze jonge traditie. Hij heeft zich uitgesproken als een voorstander van de Sharia en van een ‘moslimdemocratie’, maar kan – of wil – niet aangeven wat hij daar precies mee bedoelt. Dat is niet omdat hij een geheime agenda heeft waarbij hij een model van een islamitische staat uit de la zal halen zodra de AEL een meerderheid van stemmen heeft. Dat model bestaat immers niet. Hij behoudt zich de vrijheid voor om hier een praktische, voor Nederland en België relevante invulling aan te geven. Dat is zijn goed recht, maar als politicus dient hij meer klaarheid van zaken te geven. Met name als een groot deel van zijn toehoorders bestaat uit mensen bij wie het angszweet uitbreekt bij het horen van termen als Sharia en islamitische staat.
Maurits Berger is Arabist en jurist, gespecialiseerd in het islamitisch recht. Hij heeft zeven jaar in het Midden-Oosten gewerkt als wetenschapper en journalist. Van hem verscheen onlangs Islam onder mijn huid (Contact). Andere boeken zijn Islam is een sinaasappel (Contact, 1999) en Kruistocht en jihad (Contact 2001)
De Helling 2003/2