de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Jong in een wereldstad

door Shervin Nekuee

Zelf kom ik uit een miljoenenstad. Teheran, de stad van mijn jeugd huisvestte in die jaren zo'n negen miljoen mensen. Deze mensen kwamen uit alle hoeken van Iran, spraken verschillende talen en knielden voor verschillende goden. Je had Azeries die met hun intimi Turks spraken en hun Farsi (de taal van de straat en de staat) had een hard en onherkenbaar accent. Er waren de Gilakies uit de kuststreek van Kaspische Zee die een taal spraken die vol was met Farsi maar toch niet te verstaan. Je had Joodse synagogen, Armeense kerken en tempels van Zoroasters. Het Islamitische regime was volop aan de macht en erkende het religieus en cultureel pluralisme, maar dan enkel in een collectieve vorm.

Je religie, overtuiging en het daarvan afgeleide gedrag mocht je niet uit vrije wil bepalen. Je behoorde tot een groep omdat je ouders en hun voorouders tot die groep behoorden, er was geen exit. Zeker niet voor moslims. Je moest met je eigen mensen omgaan, binnen de eigen groep trouwen en met die groep feesten en rouwen. Eenmaal als moslim, christen of jood geboren was je levenslang onderdeel van die gemeenschap. Teheran was een baken van multiculturalisme, maar dan in een fundamentalistische vorm. Althans zo wilden de mullahs, de moslimtheologen en priesters het graag zien. De werkelijkheid was weerbarstiger en dynamischer. Vooral de realiteit van het leven van alledag voor ons, de jongeren. Want zelfs een totalitair regime als het Iraanse was niet in staat om alle hoeken van de grote metropool in de gaten te houden en alle stappen en sprongen in het leven van de jonge en energievolle jeugd te sturen. We groeiden bovendien niet alleen op met staatstelevisie en schoolpropaganda, thuis luisterden onze ouders stiekem naar de Farsi-uitzendingen op de radio, de BBC, radio Moskou, radio Amerika en Monte Carlo. Niet alleen de religieuze liederen drongen de huiskamers binnen, maar ook Michael Jackson, The Police, Pink Floyd en Madonna. Er was een bloeiende handel in illegale popmuziek en later in videobanden met daarop alles wat de boze god van de Mullahs strafbaar had gesteld. Er was een druk ondergronds verkeer aan verboden ideeën, beelden en melodieën. Je kunt het je voorstellen als een ondergrondse stad, een onderverdieping van de stad Teheran. Ver van de strenge theologische hel die religieuze leiders voor ons hadden bedacht, leefden we – in onze beleving – in een ondergronds paradijs.
Het religieus cultureel gevang was niet meer dan een formele staat van de stad. Maar daarachter lag de jeugdige nieuwsgierigheid; niks zo bijzonder als een Armeens meisje voor een Moslim-jongen en een jonge David voor een feminiene Mohammedaan. We vertelden elkaar over gekkigheden van onze eigen religie en cultuur en over de vooroordelen van onze ouders over elkaars levenswijze. De huidige generatie jongeren in Iran is nog hongeriger naar autonomie. Dat zie ik op de televisie en lees ik in de kranten en hoor ik van mijn achtergebleven vrienden. Die nemen geen genoegen met een ondergronds genot van het aardse leven. Ze durven tegen de theocratie in te gaan, ze mobiliseren zich en geven hun verlangen een politieke stem. In een land waar 65 procent onder de 21 jaar is, is dat goed nieuws, het is uitstekend nieuws. 

Mijn jeugdherinneringen roepen behalve een zekere nostalgie ook een grote nieuwsgierigheid op naar de grootstedelijk jeugd in Nederland. Hoe is het om jong te zijn in een vrij land waar alle wegen naar de nieuwste muziek, dans en denktrends open zijn? Hoe is het om in de bloei van je leven te zijn tussen vele tradities, overtuigingen en levensstijlen. Hoe gaat de jeugd hier om met de erfenis van de ouders, de cultuur, de religie en de gedachten?
Ik zie in mijn stad, Rotterdam, drie jeugd-strategieën om met de duizelingwekkende culturele potpourri van een wereldstad om te gaan. De eerste groep doet met de eigen ouders fanatiek mee aan de letterlijk fysieke witvlucht, de vlucht naar de randstedelijke slaapwijken en het blanke uitgangsleven buiten het bereik van de zogenaamde wilde en ongemanierde allochtoontjes. De tweede groep, vaak allochtoon, oriënteert zich wel op het hart van de stad maar zoekt daarin een eigen honk tussen al die andere etnische en culturele honken: Turkse disco’s, Hindoestaanse dansgelegenheid en Surinaams Creoolse feestjes. De derde, vooralsnog schaarste groep, zoekt verschillen en dus de hybriditeit. Dit is de lastigste strategie want het vereist een afstemming van eigen oriëntatie op die van de ander. Maar juist hier ontstaan de meest spannende dingen, nieuwe muziek, nieuwe straattaal, nieuwe inzichten over de onvanzelfsprekendheid van culturele, etnische en habitationele vanzelfsprekendheden. De eerste twee groepen, de witte vluchtelingen en de etnische honkzoekers tonen bar weinig moed, de laatste groep, de hybriden wel, maar zij zijn vooralsnog in minderheid. En dat vind ik wonderbaarlijk voor een land waar alle voorwaarden om aan hybriditeit te doen aanwezig zijn. Wat zijn dan de remmingen die mengen tegenwerken en fragmentatie in de hand werken?

Shervin Nekuee is essayist, publicist en programmamaker

De Helling 2003/2


Inhoud 2003/2