door Harmen Binnema
De gematigd positieve houding van GroenLinks is omgeslagen in heuse eurofilie. Dat blijkt onder andere uit het nieuwe Europese verkiezingsprogramma. Met mogelijk een referendum over de Europese grondwet voor de deur is dat niet zonder risico. De partij zal tegenover een deel van haar eigen achterban komen te staan.
Om Europa kun je niet heen: dat besef is langzaamaan bij alle politieke partijen doorgedrongen. In hun politiek handelen merken zij de beperkingen die Europese regels opleggen en hoe hun invloed afneemt naarmate meer bevoegdheden naar Brussel worden overgedragen. Tegelijk biedt Europa partijen ook kansen: allereerst als een extra issue waarmee zij de politieke concurrentie kunnen aangaan met andere partijen. Maar vooral ook omdat zaken die op nationaal niveau niet lukten, nu via de Europese route wel bereikt kunnen worden.
Een onderzoeksgroep rond het Brits-Belgische politicologenduo Gary Marks en Liesbet Hooghe onderzoekt al enige jaren de houding van (nationale) politieke partijen ten opzichte van Europese integratie. Dit heeft al een aantal interessante en soms verrassende resultaten opgeleverd. Allereerst blijkt dat het meeste verzet tegen de EU te vinden is bij partijen die zich aan beide uiteinden van het politieke spectrum bevinden. Om een voorbeeld te noemen: het Front National en de Socialistische Partij delen een hoge mate van euroscepsis (overigens niet geheel op dezelfde gronden). De meeste steun voor Europa is te vinden in het politieke midden, bij de gevestigde partijen. Vanuit deze gedachte zou GroenLinks, als gematigd linkse partij, enigszins eurosceptisch zijn. Een tweede uitkomst van het onderzoek is dat partijen die als groen, alternatief en libertair gekarakteriseerd kunnen worden, beduidend positiever over Europa zijn dan hun tegenhangers: de traditionele, autoritaire en nationalistische partijen. Dit zou kunnen verklaren waarom GroenLinks zich meer aan de pro-Europa kant bevindt. Een internationaal expertonderzoek uit 1999 leverde inderdaad dit resultaat op: GroenLinks scoorde daarin 4.45 op een schaal van 7, wat overeenkomt met een neutrale tot gematigd positieve houding tegenover Europese integratie.
Euroscepsis richt zich merendeels op twee aspecten: de inrichting van het Europese politieke systeem, meestal in verband met het democratisch tekort, en de overdracht van bevoegdheden, vaak gekoppeld aan de nationale soevereiniteit. De kritiek betreft dan het ondemocratische karakter van de besluitvorming: wat moet veranderen is de wijze waarop Commissie, Parlement en Raad zich tot elkaar verhouden en hoe regeringsleiders in hun eigen parlement verantwoording afleggen. Anderzijds zijn er partijen die bepaalde nationale verworvenheden koesteren, waar Europa geacht wordt zich niet mee te bemoeien. Sommige partijen presenteren Europa bovendien als een gevaar voor de nationale verzorgingsstaat, of met een toestroom van ‘economische gelukzoekers’. De Engelse politicoloog Paul Taggart schreef in een artikel over Eurosceptische partijen dat sommigen niet tégen Europa zijn maar veeleer tegen de huidige vorm die Europa heeft. Oftewel, in hun ogen is Europa nog te exclusief: dit kan zowel geografisch zijn (uitbreiding naar Centraal- en Oost-Europa) als sociaal (de inkomensverschillen binnen de Unie).
De opstelling van GroenLinks past goed in dit plaatje: Europa is nog lang niet af, want niet links genoeg, niet democratisch genoeg en niet groen genoeg. Zoals al in het programma van 1994 werd verwoord: “GroenLinks is een kritisch voorstander van verdergaande Europese integratie”, maar toen ook al met de kanttekening dat het aanstaande EG-verdrag (Amsterdam) moest inzetten op “volledige democratisering van de EG op alle beleidsterreinen en het versterken van de ecologische en sociale dimensie”.
Het onderzoek van Hooghe en Marks naar de houding van partijen tegenover Europa is recentelijk herhaald. De uitkomsten zijn nog niet bekend, maar het zou mij sterk verbazen als GroenLinks niet behoorlijk opgeschoven is richting een meer pro-Europa positie.
Vogels
In de afgelopen jaren heeft GroenLinks steeds meer van de sceptische houding laten varen. Sterker nog, op dit moment zou zij samen met D66 gekenschetst kunnen worden als de meest Europagezinde partij in Nederland. De meest recente aanwijzingen daarvoor zijn te vinden in het nationale verkiezingsprogramma van 2002 en met name in het conceptprogramma voor de Europese verkiezingen 2004 dat in juli uit kwam. Wie dit concept leest, kan zich niet aan de indruk onttrekken dat GroenLinks in de ban is van een behoorlijk vorm van eurofilie. Niet dat Europa heilig wordt verklaard, integendeel, maar de kritiek is grotendeels verstomd en heeft plaatsgemaakt voor enthousiasme over de groene en sociale doelen die in Europa wél gerealiseerd kunnen worden.
Met name het groene karakter van de EU wordt benadrukt. Naast de al wat 'oudere' successen als de Vogel- en Habitatrichtlijn wordt verwezen naar de groei van het Europese milieubeleid. Op dit moment komt op dit onderwerp zo'n 80 procent van de Nederlandse regels uit Brussel, volgens GroenLinks gezien het magere milieubeleid van het huidige kabinet misschien maar beter ook. De rol van de EU wordt geprezen in de ontwikkeling van het klimaatbeleid, als tegenwicht voor de isolationistisch rol van de VS die weigeren het akkoord van Kyoto te ratificeren. De sociale kant van Europa is weliswaar minder ontwikkeld – nog steeds geldt het adagium 'meer markt dan munt' – maar er worden goede mogelijkheden gezien om een Europees sociaal model van de grond te tillen. Dit moet geen verplaatsing van de verzorgingsstaat naar Europees niveau worden, maar een samenstel van regels en minimumeisen voor een rechtvaardige verdeling en sociale bescherming. De kansen die ten tijde van de dominantie van de sociaal-democraten gemist zijn, moeten alsnog benut worden.
Twee andere aanwijzingen voor het euro-optimisme zijn te vinden in de gewenste verdere overdracht van bevoegdheden aan het Europese niveau en in de welhaast juichende passage over de Europese grondwet. Om met het laatste te beginnen: in het programma wordt gesteld dat de Grondwet een einde maakt aan de achterkamertjes van Brussel, aan het elitaire project dat Europa was en dat het de overgang markeert naar een centrale rol voor burgers in de Europese politiek. Europa is nu werkelijk een democratie geworden en het Europees Parlement een (bijna) volwaardig parlement. Wel wordt opgemerkt dat burgers via een referendum de mogelijkheid moet worden geboden zich over het resultaat van de Conventie uit te spreken, anders blijft het betrekken van de burger bij Europa een schijnvoorstelling. Het tweede aspect, de verplaatsing van de politiek naar Brussel, komt in vrijwel ieder hoofdstuk van het programma terug. Of het nu gaat om een Europees Openbaar Ministerie, een Europees fiscaal stelsel of een Europese kilometerheffing, veel zaken kunnen blijkbaar beter vanuit Brussel geregeld worden. Omgekeerd wordt nauwelijks aangegeven welk beleid wél op het nationale niveau of regionale niveau thuishoort. Dit is een duidelijk onderscheid met andere partijen: zeker met de SP, die de euro weer voor de gulden zou willen inwisselen en elke overdracht van bevoegdheden wil stopzetten, maar ook met partijen als CDA en PvdA, die sterker hechten aan het vasthouden van nationale competenties.
Positief
Tussen de soms ronkende zinnen valt overigens ook genoeg kritiek op de huidige EU te lezen. Zeker in de concrete programmapunten aan het eind van ieder hoofdstuk, wordt een indrukwekkende opsomming gegeven van wat allemaal nog niet is zoals het zou moeten. Dit sluit aan op het soort euroscepsis dat ik hierboven beschreef. Europa is er nog niet: het kan groener, socialer, democratischer. Maar de teneur is telkens optimistisch, er spreekt vertrouwen uit dat Europa zich in de goede richting beweegt. Het doet sterk denken aan de manier waarop GroenLinks tijdens de paarse jaren oppositie bedreef: kritisch, maar constructief. De grondhouding is positief: het lelijke eendje is al een stuk mooier geworden en met veel doorzettingsvermogen en geduld ontwikkelt het zich uiteindelijk tot een fraaie zwaan.
Dan nog twee meer algemene opmerkingen over het Europese verkiezingsprogramma. De eerste is een vraag: wat vindt GroenLinks écht belangrijk? Net als in het nationale verkiezingsprogramma is GroenLinks er nauwelijks in geslaagd keuzes te maken. Het lijkt alsof de hele EU met al haar beleidsterreinen in één keer vernieuwd en verbeterd moet worden. Maar wat heeft prioriteit? Wat moet hier en nu bereikt worden en wat kan nog even wachten? Dit leidt ook tot overmatig detaillisme: is het nodig om op te nemen dat levend slachtvee niet langer dan vier uur vervoerd mag worden? Ten tweede is er te weinig nagedacht over welke besluiten op welk niveau genomen moeten worden. Niet alles wordt beter als het door de EU geregeld wordt: het programma lijkt soms een ondoordachte vlucht naar voren. Datgene wat op nationaal niveau, dankzij Balkenende I en II, niet binnengehaald wordt, moet nu via de Europese route alsnog lukken? Bij veel van de programmapunten hoeft slechts 'Europese Unie' door 'Nederlandse regering' vervangen te worden en het had een voorstel uit het programma voor de Kamerverkiezingen kunnen zijn. Waar is de discussie over subsidiariteit en proportionaliteit? Een punt dat hiermee samenhangt is dat door het hele programma heen een sterk centralistische wind waait. ‘De EU zorgt voor’, ‘de EU verbiedt’, ‘de EU stelt een programma op’, ‘de EU bevordert’, enzovoort.
Republiek
GroenLinks zal dus keuzes moeten maken. Echter, de meeste fundamentele vraag is deze: hoe lang en onder welke voorwaarden is een positieve houding tegenover Europa vol te houden? Want ondanks de euforie die uit het conceptprogramma klinkt over de weg die met de Europese grondwet is ingeslagen, blijft het voorlopig afwachten wat de concrete uitwerking hiervan is. Het hoofdstuk ‘Republiek Europa’ stelt dat de ontwerp-Grondwet van de EU een democratie heeft gemaakt, die het contact tussen elite en burgers terugbrengt. Weg uit de achterkamertjes, geen voorgekookte besluiten meer achter gesloten deuren. Er wordt zelfs al gespeculeerd over een eerstkomende herziening van de Grondwet. Eerst zien, dan geloven, zou in dit geval een verstandige houding kunnen zijn. Wat nu als de EU zich toch niet zo ontwikkelt als GroenLinks dat graag zou willen?
Een extra complicatie is dat het realiseren van GroenLinkse doelen in Europees verband niet zo makkelijk gaat. Ten eerste gaat vrijwel elke nationale partij op in een grote Europese partijgroep, in dit geval De Groenen/Vrije Europese Alliantie. Zeker voor partijen uit een klein land als Nederland betekent dit dat de ideeën uit nationale programma's slechts een bescheiden rol spelen. Op andere dan de groene thema’s zijn er duidelijke inhoudelijke verschillen tussen de diverse groene partijen in Europa. Ten tweede wordt er geen Europese regering gevormd op basis van een Europarlementaire meerderheid, waarbij programma's als basis dienen. Daardoor heeft de Commissie een andere relatie met het Parlement dan een nationale regering met een nationaal parlement. De besluitvorming in de EU is behoorlijk gecompliceerd en dat maakt het moeilijk, niet alleen om doelen te bereiken, maar ook om vervolgens succes voor de eigen partij te kunnen claimen.
In tegenstelling tot een aantal andere landen is het publieke debat over Europa in Nederland nog steeds niet echt op gang gekomen. De campagne in januari 2003 was kort en heftig, met elke (televisie)avond wel ergens een debat over welk thema dan ook. Behalve één: Europa. Nederlandse politieke partijen kijken weg en zwijgen. In vergelijking tot bijvoorbeeld Duitsland of Engeland, spreken partijen nauwelijks over Europa, laat staan dat zij een samenhangende visie etaleren over de toekomstige verdeling van bevoegdheden of de inrichting van het Europese politieke stelsel. Een referendum over de Europese Grondwet zou daar misschien verandering in kunnen brengen. Dit zou voor het eerst de grote partijen tot een duidelijke stellingname dwingen. Met name voor de VVD zou dat nog een pijnlijke exercitie kunnen worden, gezien de interne verdeeldheid in die partij tussen de progressieve en de behoudende vleugel. GroenLinks heeft hier onmiskenbaar een voorsprong in vergelijking met de andere partijen. Al vroeg is een begin gemaakt met het ontwikkelen van een eigen beeld over waar Europa heen moet. Er ligt dan ook een goede mogelijkheid om een leidende rol te spelen in het debat over de Grondwet.
Andersglobalisten
Tegelijk houdt dit een risico in: de keuze in een referendum is een simpel ja of nee, voor of tegen. GroenLinks zal als vanzelf in het kamp van de voorstanders terechtkomen en daardoor impliciet of expliciet ook de mindere kanten van de EU moeten verdedigen. Tevens wordt het beeld bevestigd van GroenLinks als deel van de gevestigde orde, het politieke establishment. De kans bestaat dat ze tegenover een deel van linkse buiten-parlementaire beweging komt te staan, zoals de andersglobalisten die ook binnen de GroenLinkse achterban op veel sympathie kan rekenen. Een tweede risico – als we er optimistisch vanuit gaan dat het referendum doorgaat – is een mogelijkheid van een meerderheid voor ‘nee’. De Nederlands bevolking heeft nooit eerder de kans gehad zich uit te spreken over stappen in het integratieproces, bijvoorbeeld de verdragen van Nice, Amsterdam of Maastricht. Behalve uit opiniepeilingen die aangeven dat een ruime meerderheid vindt dat lidmaatschap van de EU 'een goede zaak' is, weten we nauwelijks hoe over Europese integratie gedacht wordt. Wat zou de reactie van GroenLinks zijn in het geval dat een meerderheid de Grondwet afwijst? Helemaal wanneer zou blijken dat een groot deel van de scepsis over Europa bij de eigen achterban zit? Allesbehalve een eenvoudige opgave.
De kans is niet denkbeeldig dat Europa op korte en middellange termijn weinig zal gaan lijken op de democratische, sociale en ecologische samenleving die GroenLinks voor ogen staat. De Commissie en het Parlement worden sterk gedomineerd door de grote drie: conservatieven, sociaal-democraten en liberalen. Mocht het geduld al te lang op de proef gesteld worden en het wachten nauwelijks beloond, dan moet GroenLinks zich serieus afvragen of de EU het wel waard is om met zoveel enthousiasme tegemoet getreden te worden.
Literatuur:
- Marks, Gary, et al. (2002) 'National Political Parties and European Integration', American Journal of Political Science
- Hooghe, Liesbet, et al. (2002) 'Does Left/Right Structure Party Positions on European Integration?' Comparative Political Studies
- Taggart, Paul (1998) 'A Touchstone of Dissent: Euroscepticism in Contemporary Western European Party Systems', European Journal of Political Research
Harmen Binnema is promovendus aan de Afdeling Politicologie van de Vrije Universiteit Amsterdam
De Helling 2003/3