door Cas Wouters
Het kabinet wil dat wij allemaal ‘meedoen’ en doelt daarbij vooral op toezicht en controle. Balkenende zaait wantrouwen, aldus Cas Wouters. Niet meedoen is onmogelijk.
NRC Handelsblad-columnist S. Montag heeft het al gezegd: die regeringsverklaring is geschreven door een stel mottoballen. Het Pentagon kwam met shock and awe, Balkenende II met de kernthema’s: meedoen, meer werk, minder regels. “Je reinste flauwekul”, schrijft Montag, en bijna was hij uit zijn vel gesprongen. Het ene regeringsmotto is “nog holler, kunstmatiger, verder van de werkelijkheid dan het andere” en dus besluit hij zijn overpeinzing met een hartgrondig: “Hou ermee op”. Juist!
Rest niettemin de vraag wie er eigenlijk moeten ‘meedoen’, en waaraan? Ik heb de regeringsverklaring erop nagekeken en het antwoord luidt dat het vooral een oproep is aan allen zich betrokken te voelen bij een regeringsbeleid dat, zo lezen we tussen de regels door, zich zal richten op uitbreiding en aanscherping van toezicht, controle en straf. Daartoe moet iedereen “zelf verantwoordelijkheid nemen”: ouders “voor het opvoeden van hun kinderen”, buren voor “als er problemen zijn in de eigen buurt”, vrijwilligers voor “maatschappelijke activiteiten”, alle mensen “voor de kwaliteit van hun omgeving en ons milieu”. Immigranten worden apart genoemd: “Meedoen slaat zeker ook op immigranten in ons land”. Zij mogen “zich niet als toeschouwer in onze maatschappij opstellen. (...) Het kabinet stelt daarom scherpere eisen bij inburgering. De eigen verantwoordelijkheid van de immigrant staat daarbij voorop. Wie deel wil uitmaken van onze maatschappij moet daar ook zelf iets voor doen. (...) Leven in Nederland is niet vrijblijvend.”
De oproep tot verantwoordelijkheid van alle ingezetenen voor “de manier waarop mensen in de publieke ruimte met elkaar omgaan” zal door de regering worden gesteund via “een betere jeugdzorg”, door meer zichtbaar aanwezige toezichthouders en politie, en door “een beter en in samenhang werkend politiebestel, openbaar ministerie, rechterlijke macht en gevangeniswezen”. Ook al ter stimulering van ieders betrokkenheid en medeverantwoordelijkheid kondigt de regering aan het slot van deze meedoen-passage een herziening van het kiesstelsel aan: een rechtstreeks gekozen burgemeester en een sterkere nadruk op het eigen mandaat van de individuele volksvertegenwoordiger.
Het motto en de taal van de regeringsverklaring wekken de indruk van een schoolse oproep aan een volk dat blijkbaar teveel toekijkt. Het is een uitnodiging overeenkomstig het kinderrijmpje: ‘vinger in de hoed wie meedoet’. Het volk moet meedoen aan de uitvoering van zorg, toezicht, controle en straf want vele handen maken immers licht werk. Nee, “vele handen maken meer werk”, schrijven deze mottoballen in de kennelijke poging de mottodelen meer werk en meedoen aan elkaar te breien.
Mitrailleur
Inhoudelijk het meest opmerkelijke aan deze regeringsverklaring is het negatieve beeld van immigranten dat erin opdoemt: zij dienen kennelijk tot de gewenste betrokkenheid en eigen verantwoordelijkheid te worden gedwongen (scherpere eisen!), want anders zullen zij “zich als toeschouwer in onze maatschappij opstellen”. “Meneer de voorzitter”, zo krijgen zij te horen, “leven in Nederland is niet vrijblijvend”. Door immigranten zo voor te stellen en toe te spreken suggereert dit kabinet dat er een scheidslijn loopt tussen enerzijds betrokken burgers in ‘onze’ samenleving en anderzijds immigranten als vrijblijvende toeschouwers.
Sedert de toestroom van immigranten in de jaren zestig hebben opeenvolgende regeringen verzuimd deze mensen de elementaire beginselen van de Nederlandse taal, staatshuishouding en publieke omgangsvormen aan te bieden en bij te brengen, en nu, adding insult to injury, wordt dat die immigranten zelf aangerekend. Tussen de jaren zestig en negentig gold het als een vorm van ongepaste arrogantie om immigranten onze taal en onze gebruiken in de publieke ruimte ‘op te dringen’ – ja, zo heette dat. In de jaren negentig verplichtte de overheid zichzelf inburgeringscursussen in te voeren en immigranten tot meedoen daaraan te verplichten. Maar jarenlang bleek telkens dat van een doortastende uitvoering van dat beleid zelden sprake was, dat het maar al te vaak bleef bij holle frasen en gladde praatjes: management by speech. En nu vertonen Nederlanders tot in de hoogste kringen de ongepaste arrogantie om de consequenties van dit halfhartig tot falende beleid de immigranten aan te rekenen. “Leven in Nederland is niet vrijblijvend”, me hoela. Het is de taal van een tuchtcommissie: rechtop zitten, armen over elkaar, altijd met twee woorden spreken en zeg U! U! U! – het is het mitrailleurvuur van woorden dat eerder Doe Maar dan meedoen in de herinnering roept.
Sukkel
Deze passage in de regeringsverklaring zaait wantrouwen en achterdocht jegens immigranten. Het is tekenend voor de algehele vermindering van compassie zoals die ook valt op te maken uit de opmars van het Amerikaanse woord loser in de Nederlandse taal. De sukkel heeft het tegen de loser afgelegd, zelfs onder schrijvers (zie bijvoorbeeld Hans Vervoort: ‘Geluk is voor de dommen’) en bij de redactie van NRC Handelsblad (in de koppen), mensen die toch zuiver Nederlands ambiëren te schrijven. In het Nederlands is een verliezer niet zo'n loser, het is iemand die verloren heeft maar daarom nog geen blaam treft want verliezen hoort bij het leven, dat kan iedereen overkomen, en zo iemand dient te worden geholpen! Bijstand is geen Gunst maar een Recht! Een loser daarentegen, die heeft niet alleen verloren, die is zwak en verachtelijk. Een loser is een verachtelijke zwakkeling die – per definitie – niet voldoende zijn best heeft gedaan, en dus ook geen hulp verdient. Het is de taal van de laars en de zweep. Een taal ook die in de passage in de regeringsverklaring over immigranten door de verpakking heen schuurt.
Toch kan geen enkele regering inzetten op toezicht, controle en straf alléén, want dan doemt het spookbeeld op van het Droste-effect van bewaking: achter iedere bewaker een andere. Hoe een regering ook denkt over de spanningsbalans tussen vertrouwen en wantrouwen annex controle, helemaal zonder vertrouwen gaat het niet. Daarom roept deze regering op tot meedoen en tot het dragen van eigen verantwoordelijkheid. Maar deze eufemismen blijven achterwege als het over immigranten gaat. Dan druipt de taal van achterdocht en wantrouwen: een bak ellende! Wie achterdocht zaait, zal haat oogsten. En als dan die haat tot uitbarsting komt en de laarzen weer marcheren, verandert allerlei meedoen in collaboreren.
Kortom, meedoen is een vage kreet. Het kan niet als universeel motto gelden. Als je leven ervan afhangt kan het wel een overlevingsstrategie zijn. In het verlengde daarvan kan ook gelden: If you can’t beat them, join them. Maar verder is het doorgaans belangrijker om te weten wanneer en waaraan je niet moet meedoen. Zelf ben ik zoveel mogelijk een toeschouwer, nergens lid van. Geen god, geen baas, geen knecht. Maar dat is verdomd hard werken en zelfs dan blijkt telkens dat niet meedoen onmogelijk is. Door dit stukje tegen ‘meedoen’ als motto te schrijven doe ik ook weer mee. Toch blijf ik lyrisch zingen (met J. Goudsblom):
O Heer, Uw wil geschiede,
Maar let maar niet op mij.
Laat mij er liever buiten,
ik ga wel wat opzij.
Cas Wouters is senior onderzoeker aan de faculteit sociale wetenschappen van de
Universiteit Utrecht en lid van de Amsterdamse School voor sociaal
wetenschappelijk onderzoek
De Helling 2003/3