door Geerte Wachter
Wat doen kunstenaars in een land waar de staat volkomen afwezig is, maar macht overal aanwezig?
Kongo is zo’n land. Daar is alleen een staat als er ergens geld voor valt te vragen. Voor alle burgers, ook voor kunstenaars, levert dat een veelvoud aan problemen op. Zo is in Kinshassa fotograferen verboden, met als officiële reden dat het land in oorlog is. Het verbod wordt streng gehandhaafd. Professionele fotografen kunnen iedere maand een autorisatiepasje kopen, maar dan nog worden ze lastig gevallen bij hun werk en soms meegenomen naar het bureau. Geen politieagent kan tenslotte leven van zijn officiële salaris van tien dollar per maand.
Fotografen hebben nog meer problemen. Digitale camera’s zijn niet aan de orde want daar heb je dure en bytes verslindende programma’s voor nodig op stevige computers. Als je die spullen wel hebt, valt de elektriciteit zo vaak uit dat je er weinig mee kunt doen. In Kinshassa is alleen een kleurendoka beschikbaar; voor wie in zwart-wit wil werken is er alleen de mogelijkheid van een speciale zwart-witfilm die zich in een kleurenlaboratorium laat ontwikkelen. Maar dat materiaal is duur en niet te koop in deze stad. Er bestaat geen opleiding tot fotograaf, dus iedereen is afhankelijk van vrienden en collega’s voor tips en oefening. Camera’s zijn altijd tweede- of derdehands, maar dat laatste geldt voor veel fotografen wereldwijd.
Beeldend kunstenaars lopen tegen andere problemen aan. Schilders waarvan sommigen wereldwijd exposeren, gebruiken vaak gewone huisverf. Professionele verf is onbetaalbaar en alleen te organiseren als je iemand kent die naar Europa reist – en dat is duur want behalve een westers visum moet ook betaald worden voor een uitreisvisum. Afgedankt materiaal waar kunstenaars wel mee werken is moeilijk te vinden in Kongo; er wordt maar weinig weggedaan.
In Kongo bestaat een jarenlange traditie van de peinture populaire. Deze stijl zit op het grensvlak van primitieve schilderkunst en striptekening, en wordt gebruikt voor politieke spot en commentaar. De kunstenaars tonen daarnaast het leven van alledag: transportproblemen, ruzies op straat, benzineschaarste, straatkinderen, AIDS. Wat je maar kunt verzinnen wordt verbeeld.
Zo schildert de Kongolees Cheri Cherin al jaren variaties van een schilderij Quand j’etais président ou Roi des bêtes, waarop oud-president Mobutu omringd wordt door een kabinet van dieren. Op ander werk worden allerlei figuren, vaak gemakkelijk te herkennen als politieke leiders, de meest cynische teksten via stripballonnen in de mond gelegd. Commentaar op internationale thema’s schuwt Cheri Cherin niet. Ik kocht van hem een werk waarop je een grote Amerikaanse schoen een trapbeweging ziet maken naar een kleine wegvluchtende Arabier met een petroleumlamp in zijn hand. Op de achtergrond storten de twee WTC-torens in en enkele Afrikanen zitten mismoedig te kijken. Het werk heeft de hoopvolle titel La leçon d’un desastre.
In Kinshassa wemelt het van de kerken, van vele gezindten, variërend van de linkse bevrijdingstheologie tot de Amerikaans geïnspireerde conservatieve born-again beweging. Deze kerken springen in het gat van de afwezige staat en organiseren – samen met honderden ngo’s – zo goed en zo kwaad als dat gaat elementaire zaken als onderwijs, medische zorg en onderdak voor dakloze kinderen. Bodo en Papa Mfumu’eto zijn schilders en religieuze leiders van hun kerk. Zij kiezen ervoor hun religieuze levensbeschouwing te tonen in plaats van direct in te gaan op de landelijke of internationale politiek. Bodo’s schilderijen doen sterk denken aan het werk van Jeroen Bosch, uit een tijd dat er ook geen centrale overheid functioneerde. Sommige van zijn figuren lijken zo uit de hel weggelopen te zijn. Ander werk levert directe kritiek op westerse zedenloosheid, zoals de raamprostitutie die hij in Brussel zag.
Ondanks de kritische traditie van de peinture populaire wordt schilders geen strobreed in de weg gelegd. Het politieke commentaar wordt genegeerd, maar niet alleen door de staat. Openbaar debat bestaat niet of nauwelijks. De meerderheid van de bevolking kan de teksten op de kunstwerken niet lezen omdat ze analfabeet is, of het werk is voor hen onbegrijpelijk omdat ze geen idee hebben hoe bijvoorbeeld Lumumba, de eerste president van onafhankelijk Kongo en later afgezet door Mobutu, er uit zag. Een van de gevolgen van twee generaties die zonder schoolboeken zijn opgegroeid. De vraag dringt zich op wat de functie nog is van deze schilderstijl die weliswaar een kritische reflectie geeft op de koloniale periode maar ook de huidige politiek tot onderwerp en mikpunt maakt. Hoe blijft dergelijke kunst levend en relevant in een politiek en maatschappelijk isolement? Hoe reflecteert een kunstenaar op een afwezige staat?
Theatermakers opereren in een ander vacuüm. Hun voorstellingen trekken volle zalen, maar of deze nu kritisch zijn ten opzichte van de staat of niet, de staat toont geen belangstelling. Jean Shaka is een acteur die jaarlijks een internationaal theaterfestival organiseert. Zijn theaterfestival bevat veel maatschappijkritiek. Ik zag een geestig stuk over een dictator die met totale willekeur zijn beslissingen neemt. Namen vallen, en niet alleen de dictator maar ook zijn vazallen laten zich gemakkelijk herkennen. Shaka kreeg een brief waarin stond dat het ministerie van Cultuur 500 dollar zou bijdragen aan het festival. Shaka beklom wekenlang 13 trappen (kapotte lift natuurlijk) om die 500 dollar in handen te krijgen. Halverwege het festival was dat nog niet gelukt.
Naast de problemen van het werken in een maatschappelijk vacuüm, hebben Kongolese kunstenaars ook te lijden onder een internationaal isolement. Weinig buitenlandse kunstenaars bezoeken het land, visa om zelf te kunnen reizen worden nauwelijks verstrekt, en al helemaal moeizaam als het om Schengen-landen gaat. Contacten met buitenlandse kunstenaars zijn schaars; het zijn vooral de Fransen en de Belgen die interveniëren in het culturele leven in Kongo.
Eigenlijk zie je de macht van de staat pas goed als zij niet of nauwelijks functioneert. Nergens zag ik kunstenaars zo balanceren tussen wanhoop en solidariteit.
Geerte Wachter is filosoof en beleidsmedewerker bij het Prins Claus Fonds. Ze schrijft een serie over kunst en de verbeelding van het politieke
De Helling 2003/3