door Marja Vuijsje
“Weet je wat jij bent? Je bent een bounty!” Dat riep mijn ene overbuurjongen tegen de andere. Tot dat moment was het de blanke buurtbewoners, die ook op de bushalte stonden te wachten, ontgaan waar de hooglopende ruzie tussen de twee Surinaamse jongens over ging. Nu die ene het Sranan Tongo verruilde voor scherp gearticuleerd Nederlands, werden de oren extra gespitst. “Weet je wel wat een bounty is?”, vervolgde die ene zijn woedeaanval, zichtbaar tevreden met de aandacht van het witte publiek. “Dat is iemand zoals jij. Je bent zwart van buiten en wit van binnen. Ga alsjeblieft uit mijn ogen. Met jou wil ik nooit meer te maken hebben!” De manier waarop hij een einde maakte aan de vriendschap kwam hard aan. Zowel bij de verstoten jongen – die met hangende schouders het strijdtoneel verliet – als bij de toeschouwers, die ongewild een rol hadden gespeeld in het drama dat zich had voltrokken. Nog steeds wisten we niet wat de nu erg treurig ogende jongen had misdaan. Wel was het zo klaar als een klontje dat niets hem dieper had kunnen treffen dan dat met minachting uitgesproken ‘bounty’. Maar ook de boze overbuurjongen kreeg iets zieligs toen hij zonder zijn voormalige makker in de bus stapte. Hoewel hij behoorlijk triomfantelijk had gekeken nadat hij het b-woord van stal had gehaald, leek hij nu toch ook wel aan te voelen dat het niet sterk overkomt een meningsverschil te beslechten met het uitspreken van de banvloek. Dat vond ik wel mooi van hem. De wereld zou er heel wat gezelliger uitzien als meer mensen die zich ontpoppen als bewakers van allerlei groepscodes tot het inzicht zouden komen dat excommunicatie uiteindelijk altijd een zwaktebod is.
Helaas wordt er maar al te vaak teruggegrepen op de akelige gewoonte verder debatteren uit de weg te gaan door opponenten af te schilderen als intrinsieke nestbevuilers die heulen met De Vijand. Voormalige communisten deden het door oude kameraden die hun twijfels hadden over de menselijkheid van het Sovjetsysteem af te schilderen als CIA-agenten. Verbeten moslims doen het door verlichtere types van islamitische komaf onrein te verklaren. Nederlandse joden die niet goed bestand zijn tegen kritiek op Israël doen het door de leden van Een Ander Joods Geluid neer te sabelen als nepjoden die het aan nationaal zelfbewustzijn ontbreekt. Zelfs aardige linkse migranten die hun buik vol hebben van de negatieve manier waarop tegenwoordig over onze multiculturele samenleving wordt gesproken doen het door opponenten zoals Ayaan Hirsi Ali en Afshin Elian te beschrijven als dwalende geesten die niets anders willen dan bij witte machthebbers in het gevlei te komen.
Bijna elke groep kent wel zijn eigen variant van de bounty. In alle gevallen is het einde debat. Per slot van rekening staat het b-woord zo’n beetje gelijk aan een beschuldiging van hoogverraad.
“Heb je eigenlijk ook blanke bounty’s?”, vroeg een kennis met wie ik hierover een flinke boom opzette. Voor we het wisten zaten we diep in de Nederlandse koloniale geschiedenis maar we kwamen niet verder dan Poncke Princen, die als dienstplichtige overliep naar de Indonesische guerrilla en door zijn nieuwe landgenoten werd omarmd als een witte met een Indonesische inborst. Maar dat voorbeeld vonden we wat zwaar. Groepscodes, concludeerden wij, worden pas manifest als de vermeende leden van die groep het gevoel hebben omringd te worden door een grote boze buitenwereld.
Overigens is het tussen mijn Surinaamse overbuurjongens weer helemaal koek en ei. De moeder van die ene heeft ingegrepen om de vriendschap te herstellen. Waren er maar meer van die moeders.
Marja Vuijsje is freelancejournalist
De Helling 2003/3