de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Kunstenaars zijn geen zeehondjes

door Ellen Walraven

Het kunstklimaat is verziekt. Het cultuurbeleid is zogenaamd neutraal maar in praktijk erg politiek en de kunst hobbelt daar strategisch dan wel slaafs achteraan. Hoogste tijd voor verandering.

Elke vier jaar worden bijna alle kunstenaars en kunst- en cultuurinstellingen beoordeeld op hun kwaliteit en functioneren. Met deze Cultuurnota-systematiek streeft de overheid naar een balans tussen continuïteit (vier jaar relatieve rust) en flexibiliteit (nieuwe stemmen en opvattingen krijgen kansen). De landelijke, regionale en lokale overheden bieden via hun kunstbeleid en cultuurnota’s een kader waartoe de door hen ingestelde adviesorganen zich in hun beoordeling kunnen verhouden. Deze commissies – met als belangrijkste de landelijke Raad voor Cultuur – worden bevolkt door kunstenaars, deskundigen en liefhebbers die daarin tot intersubjectieve oordelen komen over het kunstlandschap, al dan niet in lijn met het cultuurbeleid van het kabinet, de gemeente of de provincie en al dan niet binnen de gestelde budgettaire kaders.
Voor de sector leidt subsidie tot verdieping, goede ideeën en als het meezit: mooie kunst. Dat kan natuurlijk ook zonder subsidie. Maar uit ervaring kan ik wel zeggen dat een baan als postbode naast het maken van toneel veel fantasie, moed en hersenruimte kost. Dankzij de rust van de subsidie, door het idee van ‘er mogen zijn’, ontstaat een kracht die zich vertaalt in een streven zoveel mogelijk mensen deelachtig te maken van de creaties. Kunst maakt men nooit alleen voor zichzelf. Het is een daad van overdracht, de kunstenaar wil iets tonen, delen, in beweging zetten. Laten we het vooroordeel dat kunst louter een daad van zelfbevrediging is nu eindelijk eens bij het grof vuil zetten. Niemand wil voor een lege zaal spelen!
Meer nog. Ik steek mijn hand er voor in het vuur dat de kwestie van het publieksbereik al lang en breed op de agenda stond van de kunst. De overheid kon op een rijdende kar springen in haar streven naar een bredere publieksparticipatie. Zo interpreteer ik althans de opkomst van festivals, locatietheater, jeugdtheater etc. halverwege de jaren tachtig. Deze houding vanuit de kunst is helaas in een cultuurpopulistisch discours terechtgekomen, soms gevoed door de socialistische herverdelingsgedachte dan weer door het liberale marktdenken. De beweging naar een kwalitatieve uitbreiding en differentiatie van het publiek is gekoloniseerd door een kwantificerend en egaliserende cultuurpolitiek – maar daarover later meer.

Slaafs
Waarom nemen zowel de overheid, de culturele instellingen als de kunstenaars zelf een dubbelhartige houding in ten opzichte van de Cultuurnota-systematiek? Waarom gaat het elke vier jaar zo gigantisch mis? Waarom zoveel gekrakeel over 0,6 procent van de rijksbegroting? Natuurlijk omdat het maar over 0,6 procent gaat. De budgetten zijn krap, schraalhans is keukenmeester. Daarbij zijn leven en werk in de kunst zeer nauw verbonden: als het werk niet meer gemaakt kan worden, is de persoonlijke nood groot. Ten slotte is kunst per definitie grensoverschrijdend en worstelt dus met de gestelde beleidskaders. Met als gevolg: strategisch en slaafs gedrag van kunstproducenten.
Strategisch gedrag is het meest expliciete en nadelige gevolg van dit subsidiesysteem: men wordt calculerend doordat de regels of speerpunten van wethouder of staatssecretaris niet rijmen met het idioom en werkwijze van de kunstenaar of instelling. Dus zoeken die laatsten een uitweg. Speerpuntenmoe als de meeste zijn, vermijden zij de dialoog met de overheden. Die overheden laten zich op hun beurt weinig aan de kunst gelegen liggen: beleidslijnen veranderen iedere vier jaar en zijn veeleer een afspiegeling van politieke prioriteiten dan dat ze iets van doen hebben met de stand van zaken in de kunst. Dus opereren instellingen strategisch en prevaleert het eigenbelang – in creatieve oplossingen is deze sector goed.
Slaafs gedrag is zorgwekkender. Meer nog dan speerpunten produceert het systeem impliciete waarden. De overheid wil zich graag terugzien in datgene wat zij subsidieert. Zij legt in deze neoliberale tijd haar economische normen en bedrijfsmatige waarden op aan de organisaties die afhankelijk van haar zijn. Op het moment dat de kunst zoals nu geen breed maatschappelijk draagvlak heeft dan is kwantitatieve legitimering van de uitgaven dominant. Als dat tij niet gekeerd wordt zal de kunst, die van nature altijd regeloverschrijdend is, gaandeweg door een mild economisch despotisme worden gewurgd. “Want het dungeaderde netwerk van kleine en uniforme regels breekt de wil niet, maar verslapt hem; dwingt niet tot handelen, maar biedt constant verzet tegen handelen; het vernietigt niet, maar het belet dingen te ontstaan; het tiranniseert niet, het hindert, het compromitteert, verzwakt, verdoofd en versuft.” Aldus Alexis de Tocqueville, die onlangs na ruim honderdvijftig jaar door Yves Desmet, hoofdredacteur van het Belgische dagblad De Morgen, weer uit de kast werd gehaald. Tocqueville signaleerde in zijn standaardwerk Democratie in Amerika dat door de tirannie van de meerderheid de tegenstem verdwijnt. Intellectuele apathie ontstaat door een fijnmazig netwerk van formalisering en bureaucratie. Overheden moeten zich daar bewust van zijn en tegenmachten organiseren; tegen hun eigen ingenieursdenken in.

Nonsens
In eerste instantie leek het dat de vorig jaar zomer aangetreden staatssecretaris Medy van der Laan verstandig bezig was. Ze profileerde zich als terughoudend en focuste op het primaire proces: het maken van kunst van kwaliteit. Er leek plaats te zijn voor de autonomie van de kunstenaar. Oftewel voor mensen die dingen bedenken die nog niet bedacht en gemaakt zijn. En om meteen nog maar een cliché op te ruimen: autonomie wil zeggen zelfregering. Iemand stelt zichzelf de wet. Dat is dus iets anders dan hobbyend subsidievreten, dat is niet met de rug naar de samenleving staan of in een ivoren toren zitten, dat is niet onverstaanbaar willen zijn met ingewikkelde kunstwerken. Het betekent de eigen vrijheid zoeken, begrenzen, vormgeven en (bij subsidie uit publieke middelen) verantwoorden.
Het zag er dus naar uit dat na het beleid van de vorige staatssecretaris van Cultuur Rick van der Ploeg de kunst weer voor zichzelf mocht spreken. Maar nu, ruim een half jaar na haar aantreden wordt er wel degelijk een agenda zichtbaar en die voorspelt niet veel goeds. In de beleidsbrief Meer dan de som (november 2003) en adviesaanvraag die het ministerie van OCW aan de Raad voor Cultuur doet, wordt een veel dwingender beleidskader geboden. Weinig origineel bureaucratisch top-down denken regeert, met als treurigste voorbeeld het opdelen van het beleid in landsdelen: ‘het experiment’ in Groningen; ‘de nieuwe ruimte’ in het midden van het land; ‘culturele planologie’ in het oosten, en in het westen ‘de ruimtelijke dimensie van cultuur’. Een treurig staaltje format-denken.
Aad Hogervorst, lid van de directie Kunsten van OCW, omschrijft in het tijdschrift Pluche (najaar 2003) het huidige bureaucratische cultuurbeleid als ‘waarden-loos’. Hij betoogt dat het tijd is samen met de kunst het beleid weer van waarden te voorzien. Het laatste is van groot belang; het eerste klinkklare nonsens. Duidelijker formuleren dan de Vlaamse publicist Manu Claeys in zijn artikel Pleidooi voor onveiligheid in het boek Pigment kan ik het niet. Daarom langs de weg van geleende woorden: Claeys stelt dat als de politiek kiest voor een veilig discours door zich inhoudelijk neutraal op te stellen en de klemtoon te leggen op objectieve criteria (dus statistische, dus publieksaantallen) de kunst wel degelijk wordt geïnstrumentaliseerd voor een politiek project. Ook al lijkt het alsof er van overheidsbetutteling geen sprake is, “achter die vrijheid schuilt voor de kunstenaar een schijnautonomie. Hij is inhoudelijk en vormelijk zo autonoom als de tv-zender die door een beheersovereenkomst gedwongen wordt om in de logica van kijkcijfers te stappen.”

Toptalent
Omdat ik werkzaam ben bij een toneelgezelschap kan ik vooral over die discipline op precieze gronden met de staatssecretaris van mening verschillen. Wat betreft theater benadrukt de adviesaanvraag van het ministerie het belang van doorstroming van toptalent naar de grote zaal en waarschuwt voor versnippering van het budget. Slechte zakelijke leiding wordt in verband gebracht met het aantal kleine gezelschappen. Het lijkt er veel op dat de Raad hier geadviseerd wordt in te grijpen. Niemand zit – aldus dit beleidsstuk – te wachten op versnippering van middelen. Flauwekul. Alsof het bij de grote gezelschappen allemaal zo netjes gaat. Maar zorgwekkender is: Waarom wordt kleinschaligheid altijd in verband gebracht met verspilling? Wat maakt het uit of je twee miljoen geeft aan één gezelschap of vijf ton aan vier instellingen als die daarmee goed uit de voeten kunnen en dat met een overtuigende begroting aantonen? Er wordt dan geen bankbiljet versnipperd.
Onder de veronderstelde noodzaak van grootschaligheid en toptalent gaat een heel ander debat schuil. Is subsidie aan de kunsten in deze door markteconomie en populisme bepaalde tijd nog wel op een andere manier te legitimeren dan door het aantal bezoekers dat men bereikt? Kan men anders denken dan in termen van big bigger best? En is dit niet een enorme bedreiging voor de pluriformiteit van de kunst? Zeker nu er zoveel bezuinigd moet worden (19 miljoen euro op een cultuurbegroting van 650 miljoen) en juist de variëteit in vorm en schaal de grootste kracht van het Nederlandse theater is?
De kunst zwijgt. Strategisch of slaafs? Dat was destijds heel anders bij Van der Ploeg. Blijkbaar was zijn inzet voor een nieuwe generatie makers bedreigender voor de heersende gesubsidieerde orde dan deze bezuinigingen. Mede daarom vrees ik het ergste voor nieuwkomers, de net gestarte instellingen en het middensegment, die zich allemaal niet direct als top of boegbeeld kunnen afficheren en niet de publiekskwantiteit leveren die verwacht wordt.
Nog zorgwekkender wordt het als men het beleid van andere overheden bekijkt. In Utrecht worden instellingen met een positief advies van de culturele stedelijke commissie in principe niet gehonoreerd als deze landelijk een negatief advies krijgen. Niet omdat zij geen bijzondere bijdrage aan het stedelijke klimaat zouden kunnen leveren maar omdat ze geen rijksgeld naar de stad brengen. De Amsterdamse Kunstraad hanteert de regel dat reeds gesubsidieerden bij een positief oordeel in categorie A-onaantastbaar komen voor de huidige subsidieomvang en de positief beoordeelde nieuwkomers in categorie A-geprioriteerd of in categorie B waar alle nieuwkomers en nieuw beleid integraal (tussen alle disciplines) worden afgewogen en langs de speerpuntenlat gelegd. Oftewel: kwaliteit van nieuwkomers heeft minder gewicht. Bij op voorhand ingeboekte bezuinigingen en torenhoge aanvragen zit een nieuwe aanvrager in de A-prioriteit zo goed als zeker onder de zaaglijn of moet het in categorie B opnemen tegen de gehele cultuursector. Let wel: ik ben een groot voorstander van artistieke continuïteit, maar niet van beleidscontinuïteit.

Zeehondjes
Koppen gaan rollen en leemtes in het landschap doemen op; het zal een onaangenaam voorjaar worden als de adviezen uitkomen. Alleen: duizendmaal bedreigender is het feit dat door de Cultuurnota-systematiek en een gebrekkige legitimatie van kunstsubsidie de overheid en de kunst uit elkaar zijn gegroeid. De ene partij stelt zich strategisch en slaafs op, de andere zogenaamd neutraal en bureaucratisch. Met als gevolg een verziekt kunstklimaat. Het wantrouwen regeert, evenals het cultuurrelativisme. Kind van de rekening is het publiek.
Hoogste tijd dus om het verzoek van Hogervorst op te pakken en samen tot een ‘waardenvol’ kunst en cultuurbeleid te komen. De overheid zal zich bewust moeten worden van het feit dat het zichzelf nu reproduceert in wat het subsidieert – dodelijk voor de kunst. De kunst zal een communicatieve in plaats van strategische opstelling moeten kiezen en zich expliciteren. Dat is inzicht bieden in de eigen praktijk, en meer dan ik onlangs las in een subsidieaanvraag aan de gemeente Amsterdam; op de vraag ‘wat heeft u de afgelopen jaren gedaan?’, was het antwoord: ‘aan de normen voldaan’… Wat een treurnis.
Ik geloof in die dialoog en ik geloof dat gaandeweg de kunst de noodzaak ervaart om een kunsteigen invulling te geven aan de publieksparticipatie en de overheid oog krijgt voor de unique selling proposition van de kunst met haar soms complexe producten en individuele esthetische ervaringen. Met een enkel kwantitatieve en niet kwalitatieve definiëring van cultuurpolitiek én publieksbereik komt men niet meer weg. Immers: “In de kunst is het zoals in de liefde of in de kwalitatieve democratie: participeren betekent meer dan aanwezig zijn, het betekent werken en dat vol overgave. Je bent niet zomaar en vanzelf een bedreven toeschouwer, een goede minnaar, een volwaardige burger.” (Claeys)
NB. Eerste onderwerp op de agenda van overheid en kunst: afspreken niet langer te zeggen dat kunst wordt gesubsidieerd omdat deze zichzelf niet kan bedruipen. Of: waar de markt niet voor kan ‘zorgen’. Daar begint de ellende. Zolang kunstsubsidie gelegitimeerd wordt vanuit dit ‘tekort’ in plaats vanuit een uitgesproken geloof in het belang, dan bevestig je de beeldvorming over de kunstsector als die van zeehondjes, en straks een heleboel ‘ondankbare’ zeehondjes. Heb als overheid het lef te zeggen: Er zij kunst. En kijk dan eens wat een (im)materiële waarden – van sociale cohesie tot economisch belang – zich in de slipstream van de kunst bevinden, en die maken dat de overheid meer dan genoegt value for money krijgt.

Ellen Walraven is producente en dramaturge van toneelgezelschap ’t Barre Land; zie: www.barreland.nl

De Helling 2004/1


Inhoud 2004/1