door Bert van den Brink
Het debat over normen en waarden lijdt onder een irrationele angst voor fundamentele meningsverschillen. In plaats van te streven naar harmonie moeten we leren omgaan met conflicten.
Het kabinet Balkenende lijkt nu al geslaagd in één van zijn voornaamste missies: het bevorderen van het besef dat normen en waarden van belang zijn. Van links tot rechts wordt er tegenwoordig over gesproken, niet alleen in het parlement of op de website ‘www.zestienmiljoenmensen.nl’, maar ook op de straathoek, in de schoolklas en op tv. Burgers analyseren steeds vaker maatschappelijke problemen en– of het nu het gaat over de seculiere fundamenten van de rechtstaat, niet functionerend fietslicht, zorgoma’s of bouwfraude – steeds vaker in termen van tekortschietende waarden en normen en tekortschietend burgerschap.
Het is de vraag hoe blij we daarmee moeten zijn. Waarden, normen en actief burgerschap zijn weliswaar belangrijke thema’s voor publiek debat, maar de huidige behandeling van dit onderwerp lijdt onder een irrationele angst voor fundamentele verschillen van mening. Het kabinet Balkenende zoekt opzichtig naar een canon aan democratisch-rechtsstatelijke waarden, normen en deugden die iedere goede burger niet alleen moet respecteren maar ook uit overtuiging zou moeten accepteren. Dat dit niet slechts holle praat is, blijkt uit de veroordeling van satire op het koningshuis door premier Balkenende en minister Donner. Kritiek die de fundamenten van centrale publieke instituties in twijfel trekt, wordt door dit kabinet niet als een normaal aspect van een open democratische publieke sfeer gezien, maar als ongewenst en onverantwoord handelen. Het doet, aldus de bewindslieden, afbreuk aan de eenheid van de waarden en normen die wij allen uit overtuiging zouden moeten accepteren.
Over deze lelijke uitglijder kan men lacherig doen, maar het was in het huidige maatschappelijke klimaat bepaald geen incident. De vraag is gerechtvaardigd of de door het kabinet aangestuurde retoriek rond de vraag wat ons verbindt niet te veel onschuldige slachtoffers maakt. Waar politici de joods-christelijke wortels van normen en waarden al te nadrukkelijk uitmelken, is duidelijk wie zich op straffe van marginalisering moet aanpassen. Waar individuele verantwoordelijkheid wordt bemeten aan de hard werkende belastingbetaler is al snel duidelijk wie onverantwoordelijkheid in de schoenen kan worden geschoven. Waar juichen voor het Nederlands elftal als teken van succesvolle integratie wordt aangemerkt, wordt het debat over competent burgerschap een farce.
Regels
In december van 2003 verscheen het WRR-rapport Waarden, normen en de last van het gedrag. In de officiële reactie daarop zoekt het kabinet naar een evenwicht tussen pluriformiteit en gemeenschappelijkheid: “Waardepluriformiteit betekent niet dat het delen van waarden er niet toe doet. Integendeel, een samenleving kan alleen functioneren als er een basis is van gemeenschappelijke waarden die door de leden van die samenleving min of meer op gelijke wijze worden geaccepteerd. Te denken valt aan waarden die besloten liggen in de fundamentele rechten van de mens, zoals de gelijkheid voor de wet en een verbod op onmenselijke behandeling.” De adder onder het gras schuilt in de formulering dat waarden op “min of meer gelijke wijze” dienen te worden geaccepteerd. Die gelijke acceptatie is niet alleen moeilijk af te dwingen, volgens vele rechtsstaatdeskundigen komt de overheid simpelweg niet de taak toe te toetsen in hoeverre burgers dergelijke waarden werkelijk accepteren. Laat staan burgers daartoe te stimuleren. Waar het om gaat is dat mensen zich aan redelijke regels houden. Welke motivatie ze daartoe meebrengen – angst, onverschilligheid, eigenbelang, een religieuze overtuiging, redelijk inzicht – doet daarbij niet ter zake.
De regering breekt met deze terughoudende lezing van de grenzen van de democratische rechtscultuur. In de reactie op het WRR-rapport staat: “Een harmonische samenleving [vergt] dat de leden daarvan elkaar weten te vinden op een kern van gemeenschappelijke waarden. Het kan dus niet zo zijn dat mensen deze waarden afwijzen. Dit geldt dus ook voor degenen die zich nieuw vestigen in onze maatschappij.” Die laatsten – daarover is de reactie heel open – vormen een belangrijke aanleiding voor de stellingname van het kabinet. Niet-westerse migranten verhouden zich gemiddeld vaker dan anderen op een onbekende of afwijzende wijze tot de waarden van de democratische samenleving. Het kabinet geeft een lijst van grondwaarden die iedereen niet alleen in het gedrag moet respecteren, maar uit overtuiging zou moeten accepteren. Dat moet leiden tot een “harmonische samenleving”. Die grondwaarden zijn: gelijkwaardigheid leidend tot gelijke behandeling; vrijheid van belijdenis van godsdienst en levensovertuiging; vrijheid van meningsuiting; vrijheid van vereniging, vergadering en betoging; eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; en onaantastbaarheid van het menselijk lichaam.
Respect
Aan deze lijst van ‘grote waarden van de rechtsstaat’ voegt het kabinet een lijst toe van ‘kleine deugden’: “Waarden die betrekking hebben op de onderlinge omgang tussen burgers, die moeilijk wettelijk kunnen worden afgedwongen, maar die wel nodig zijn voor het goed functioneren van de samenleving.” Het gaat om: respect, mededogen, verdraagzaamheid, gelijkwaardigheid, integriteit/waarheidsgetrouwheid, verantwoordelijkheidszin.
De overheid hoopt de acceptatie van deze waarden en deugden te kunnen bevorderen door middel van rechtshandhaving en door het bevorderen van kennis aangaande burgerschap. Hier wordt ook een grote taak toegekend aan de samenleving, met name de ‘civil society’. Maar hoe de acceptatie ook wordt bevorderd, harmonie tussen burgers – lees: de afwezigheid van wederzijdse ergernissen en conflict – is het doel van de exercitie.
Een groot knelpunt in het kabinetsstandpunt is niet alleen de vraag of we wel naar harmonie moeten streven – geciviliseerd conflict is tenslotte een belangrijke motor van vooruitgang, kritiek en solidariteit – maar ook de vraag hoe ‘gedeeld’ competent burgerschap nu moet worden bevorderd. Onder theoretici bestaat er over de betekenis van geen van de genoemde waarden een inhoudelijke consensus. Voor politici en opiniemakers geldt hetzelfde. Als we Jan Peter Balkenende en Piet Hein Donner over waarden en normen horen spreken horen we iets anders dan wanneer Boris Dittrich, Femke Halsema of Ayaan Hirsi Ali het woord neemt. Balkenende en Donner denken in termen van loyaliteit en fatsoen in een tamelijk homogene publieke sfeer, die echter wel ruimte laat voor ‘privaat’ religieus pluralisme. Want juist de religieuze organisaties zouden een sterk bindende rol vervullen. Ayaan Hirsi Ali ziet in die tolerantie jegens diverse religieuze verenigingen een bedreiging van de democratische rechtscultuur en van de vrijheid van moslima’s. Boris Dittrich en Femke Halsema concentreren zich noch op homogene loyaliteit en fatsoen, noch op gegeneraliseerde religiekritiek, maar verdedigen de inmiddels veelvuldig als naïef versleten klassieke visie dat civiele vormen van respect van doen hebben met een ondogmatische openheid tegenover andere meningen en culturele achtergronden.
Man en vrouw
Gezien deze grote meningsverschillen is enige terughoudendheid gepast ten aanzien van de kabinets retoriek dat ‘onze’ harmonie garanderende waarden en normen onder vuur liggen. En dat we (dat wil zeggen: degenen die tot ‘we’ moeten worden gesmeed) die waarden en normen snel op gelijke wijze moeten gaan accepteren. Want waaruit bestaat die gelijke wijze van acceptatie? In de Nederlandse samenleving heeft er sinds de aanvaarding van de Grondwet tussen de zuilen altijd een – niet noodzakelijk harmonieus – verschil van mening bestaan over de vraag welke houding centrale waarden en normen nu eigenlijk van burgers en hun politieke vertegenwoordigers vragen. We zeggen met andere woorden heel weinig wanneer we stellen dat iedereen een bepaalde canon zou moeten accepteren: de canon legt op z’n best de grenzen vast van een discussiearena. Een respectvol gevoerde controverse bindt op de lange duur sterker dan valse consensus en harmonie.
In de politieke arena moet zelfs plaats zijn voor het verwoorden van fundamentele twijfels over sommige van de punten uit de canon. Ook wie meent dat man en vrouw niet gelijk zijn, heeft in een rechtsstaat tenslotte recht op een behandeling als burger. Hij heeft zich aan de wet te houden, anderen toe te staan waarop hijzelf recht heeft en de waarheid te spreken waar die kan worden afgedwongen. Maar hij hoeft niet persoonlijk te geloven dat dat ook allemaal goed is. Dat is de prijs die wordt betaald voor de bescherming van de vrijheid om van elkaar te mogen verschillen. Een rechtsstaat en een democratische publieke cultuur die tot geloofsdwang neigen, tonen weinig vertrouwen in het belang van individuele vrijheid. Ze begeven zich op een hellend vlak dat de meest fundamentele principes van de democratische rechtsstaat dreigt te ondermijnen.
Fanatisme
Voor het bevorderen van een vruchtbaar debat over waarden en normen is moed nodig en weerzin tegen een ideaal van harmonie, als dat wordt gelijkgesteld met de afwezigheid van ergernis en conflict. Het huidige debat raakt verstrikt in een wij-zij denken dat suggereert dat een deel van de burgers al weet welke waarden en normen ons tot een harmonieus geheel kunnen smeden, terwijl een ander deel daarover moedwillig in het ongewisse wenst te blijven. Het is als met de bezoekers van een evangelisatieles voor volwassenen: zij krijgen de boodschap te horen die ze tóch al wilden horen. En ze voelen zich gesterkt door het onderscheid tussen degenen die de boodschap aanvaarden en degenen waarvan wordt gedacht dat zij dat niet doen. Een zinvol gesprek wordt daardoor op ten minste twee manieren onmogelijk: intern menen de gelovigen dat zíj de waarheid in pacht hebben, wat tot een onzelfkritische houding leidt, die al snel in fanatisme kan omslaan. Extern nemen ze een wereld van gevallenen waar, die de boodschap door domheid, koppigheid of vervallenheid aan valse goden naast zich neer leggen – en daardoor het feest der harmonie verstoren.
Een productiever vormgeving van het debat vindt plaats zodra partijen niet bang zijn het conflict te zoeken, eigen uitgangspunten vrij te verwoorden en deze kritisch aan het handelen van gelijk- en andersgezinden te toetsen. Dat is onmogelijk wanneer al van te voren wordt gesteld dat het niet zo kan zijn dat sommige waarden uit de canon niet geaccepteerd worden. Dat resulteert alleen maar in meer macht voor de dominante visies. De juiste vorm van tolerantie in het debat over waarden en normen valt niet over de vermeende aanstootgevendheid van welke mening dan ook. Zolang de verkondiger ervan zich maar aan de wet houdt – waarmee hij of zij het niet eens hoeft te zijn – en bereid is tot een zelfkritische houding. Het cruciale onderscheid tussen wet en recht enerzijds en al dan niet welgevallige meningen anderzijds, dreigt in het huidige debat verloren te gaan. Maar in een democratische rechtsstaat draait het nu juist om die spanning: aan recht en de democratisch besloten wet hebben we behoefte juist omdat we het niet met elkaar eens zijn -- en dat in veel opzichten ook nooit zullen worden. Niet over de details van de sociale zekerheid en het verkeersbeleid en niet over de interpretatie van de fundamentele waarden die ons verbinden. Wie die spanning niet aan kan, heeft moeite met een democratische rechtscultuur en zoekt naar een gedroomde harmonieuze canon dat allen accepteren. Daarmee wordt de weg gesloten naar een veel productiever omgang met het thema waarden en normen; een omgang die stelt dat we zijn verbonden in onze verschillen van meningen. Burgerschap veronderstelt geen inhoudelijke consensus en harmonie, maar een creatieve omgang met de afwezigheid daarvan. Het zou het debat en de maatschappelijke vrijheid van velen ten goede komen wanneer men zou beginnen de contouren van een dergelijke creatieve omgang in kaart te brengen.
Bert van den Brink is als politiek filosoof verbonden aan de Universiteit Utrecht
De Helling 2004/2