door Nazmiye Oral
Ach, u kent ze wel. De laatste overgebleven Nederlanders te midden van de allochtonen die hun wijk hebben overgenomen. Jan de Leeuw was zo iemand. Ingeklemd tussen de islamieten leefde hij in een volkswijk in Rotterdam. Bovendien was hij een alcoholist, met een herdershond. De alcohol was een levensbehoefte, de hond ook. De alcohol was er om het beven tegen te gaan, om het lijf soepeler te maken en de eenzaamheid te bestijden. De herdershond was er om aan die alcohol te kunnen komen. Want Jan de Leeuw was het kwetsbaarst als hij tegen het middaguur naar buiten schuifelde op weg naar de supermarkt om zijn dagelijkse portie alcohol te kopen. Islamieten hebben niet veel met alcohol, maar wel met geld. Hij had alles geprobeerd. Sluiproutes naar de supermarkt, op andere tijden naar buiten gaan, maar niets hielp. Telkens weer werd hij met gemak beroofd van het kleine beetje geld dat hij nodig had om die dag weer te kunnen overleven. Maar nu, met de herdershond die hij voor de prijs van twee flessen jenever bij een asiel had aangeschaft, waren er geen problemen meer. Want islamieten zijn bang voor honden. Jan de Leeuw hield er van als de hond een meter of twintig voor hem uit liep. Hoe verder weg de hond was, hoe groter zijn bewegingsvrijheid werd. De hond bepaalde de grootte van zijn wereld. Er was ruimte om te ademen. Kleine donkere meisjes huilden geschrokken als de hond aan hen snuffelde en door hun schrik begon te blaffen, terwijl Jan de Leeuw de andere kant opkeek. Hij had niets tegen kleine donkere meisjes, maar het was nooit vroeg genoeg om te laten zien met wie ze te maken hadden, voor het van die scheldende monsters werden met dikke konten en een hoofddoek die dreigen met stappen tegen stankoverlast. Met opgeheven hoofd, voorzover dat kon, want zijn hoofd had de neiging oncontroleerbaar te schudden, liep hij langs de stoere donkere brommerjongens die sisten dat hij “die kuthond” moest aanlijnen. Maar aan hem komen durfden ze niet meer. Ja, islamieten waren bang voor honden.
Door de komst van de hond veranderde er veel. Zijn bezoekjes aan de wereld beperkten zich niet meer tot de rituele gang naar de supermarkt. De hond wilde uitgelaten worden. Voor het eerst sinds jaren liep Jan de Leeuw naar het plantsoentje bij hem in de buurt. En al snel werd het zijn huiskamer. De andere bewoners van de huiskamer waren mannen die met pensioen waren. Met de fiets aan de hand, bleven ze de hele dag door praten tot de tijd daar was dat ze weer naar huis mochten. Jan de Leeuw had graag met de mannen gepraat, maar wist dat zijn rode schuddende hoofd en zijn jeneverfles redenen waren waarom hij nooit tot de mannengroep zou doordringen. Tot er op een dag iets bijzonders gebeurde. Jan de Leeuw genoot van het zonnetje en van de jenever toen er een kind begon te gillen. Het jongetje lag op de grond met de hond boven op hem, zijn opgeheven arm tussen de kaken van de hond. Jan de Leeuw stond met moeite van zijn bank, liep weer terug om de jeneverfles te pakken en strompelde op de hond af. Een paar vrouwen met hoofddoek stonden te gillen naast het tafereel, terwijl er wat kinderen stonden te huilen. Jan de Leeuw deed wat hij al vaker had gedaan, herhaalde het nog een paar keer en de hond sloop jankend weg met een bloedend hoofd en de staart tussen de benen. Het bijzondere aan dit voorval was niet dat de hond een kind had aangevallen – de hond was nukkig en viel ook Jan zelf wel eens aan –, of dat hij door de politie werd gesommeerd om de hond voortaan aan te lijnen. Nee, het bijzondere was dat de mannen in het plantsoentje opeens belangstelling voor hem toonden.
De eerstvolgende keer dat hij naar het plantsoentje ging, kwamen de fietsers naar hem toe. Hij werd begroet. Er werd eerst wat zwijgzaam om hem heen gehangen. Daarna werd er over en weer gepraat. Toen begonnen ze over het voorval met de hond en al snel werd duidelijk wat ze echt gemeen hadden met elkaar. Dit waren mannen die in deze wijk waren opgegroeid, en hun wijk was hun wijk niet meer. Voor het eerst kon Jan de Leeuw vrijelijk praten over wat hem dwarszat. Nou, eigenlijk kon hij voor het eerst vertellen wat hem dwarszat, want hij had immers nooit iemand gehad om mee te praten. De mannen vonden elkaar in hun haat en onvrede. Dit waren geen watjes. Jan de Leeuw voelde zich nu in staat de jeneverfles tijdens de plantsoenbezoeken thuis te laten. Bij deze dappere voortvarendheid paste geen zwakte. De mannen hadden een actief verenigingsleven en konden wel wat hulp gebruiken van een kameraad. Natuurlijk had Jan de Leeuw zijn hulp toegezegd om de wijk leefbaarder te kunnen maken. Het was het woord ‘kameraad’ waar hij vaak aan dacht en die zijn ogen vochtig maakten als hij ‘s nachts thuis op de bank lag met zijn fles jenever. De mannen hadden het vaak over politiek, en over problemen met moeilijke woorden. Jan de Leeuw begreep er vaak niet zo veel van, maar knikte altijd instemmend en vulde de onvrede aan met anekdotes die hij voor het gewenste effect verfraaide. Uiteindelijk werd hij vereerd met het verzoek folders uit te delen. Maar het verspreiden van de folders viel hem zwaar. Zijn lijf was niet berekend op lang staan en dus legde hij het grootste gedeelte van de folders gewoon bij hem thuis. Hij was even bang dat ze hem niet zouden geloven toen hij vertelde dat alles was uitgedeeld. Maar toen hij de blije gezichten zag, zag hij zichzelf in gedachten ook inderdaad alle folders uitdelen. Voortaan was hij de man van de folders die bij hem thuis in zware pakken aan de deur werden afgeleverd en die daar ook voornamelijk bleven liggen. Met uitzondering van de folders die hij her en der op straat liet vallen als bewijsmateriaal voor zijn goede daad. Men was trots op hem en voor het eerst was Jan de Leeuw trots op zichzelf.
Zijn harde werken kon niet zonder beloning blijven en hij werd dan ook uitgenodigd voor een bijeenkomst ter ere van de droeve sterfdag van Pim Fortuyn. In het buurthuis hingen overal posters van Pim en iedereen had het over die moedige man. Bovendien werd de vereniging vereerd met een bijzondere gast. Herman, de butler van wijlen Pim Fortuyn en de adoptievader van Pims honden. Er waren nog niet echt veel mensen en ook al had Jan de Leeuw geen aanspraak, hij voelde zich goed met zijn schone overhemd en een bak koffie voor zijn neus. De nukkige hond die telkens aan de riem trok, paste niet bij dit nieuwe beeld dat hij van zichzelf had. Dus toen Jan de Leeuw geen kinderen om zich heen zag, haalde hij de hond van de riem. Op dat moment zwaaiden de deuren open en kwam Herman met de hondjes binnen. Alles gebeurde daarna heel snel. De hond vloog erop af. Mensen schreeuwden en de hond keek Jan de Leeuw aan, terwijl er een klein hondenkopje uit zijn bek bungelde. Een hondenkopje met lang lichtkrullend haar en een met bloedbesmeurde oranje lintje om de afgerukte hals. Het levenloze lijfje zonder kop lag op zijn zij. Herman was bleek om de lippen. Daarna wemelde het van de blauwe uniformen. De hond en Jan de Leeuw werden meegenomen.
Tegenwoordig zit Jan de Leeuw veel uit het raam te kijken. Als zijn lijf het toelaat, gaat hij nog weleens naar een nachtwinkel, in een andere wijk. Voor koekjes en drank. De islamieten zijn het voorval met het jongetje nog steeds niet vergeten. De hond is afgemaakt. De mannen ziet hij sinds het incident niet meer. Het nieuws van de duizenden folders die de politie bij hem thuis aantrof, had de mannen snel bereikt. Ze hebben laatst een briefje door zijn bus gegooid met dreigementen. En ze zijn Pims hondje nog niet vergeten. Maar gelukkig voor Jan de Leeuw, zal hij zichzelf gauw genoeg vergeten.
Nazmiye Oral is actrice en schrijfster
De Helling 2004/2