de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

"En je vader, waar is die dan?"

door Kees Beekmans

Ik wil het hebben over de ouders van onze leerlingen, over de band die de ouders hebben met hun kinderen, en de band die ouders hebben met de school. En met Nederland. Alle problemen van de grote zwarte vmbo's zijn, denk ik, hierop terug te voeren. Verslag van de werkvloer.

Een voorbeeld uit de praktijk van alledag, op een schooltype – het grote, zwarte vmbo – dat het tegenwoordig niet makkelijk heeft en daarom sterk in de belangstelling staat. Het voorbeeld heet Guillermo, en Guillermo is een dertienjarige Surinaamse jongen met ontegenzeggelijk een lief gezicht, een gezicht dat de laatste tijd maar al te vaak door verdriet wordt getekend. Bij Guillermo neemt dat verdriet doorgaans deze vorm aan: verongelijktheid. Als hij de klas uit gestuurd wordt of zelf de klas uit loopt, en beide gebeuren iets te vaak de laatste tijd, dan meldt hij zich doorgaans niet bij mij, zoals zou moeten, maar dan blijft hij ergens halverwege de gang tegen de muur staan, met een pruilend, verongelijkt gezicht, zijn betraande ogen op de grond gericht. Als ik toevallig de gang op loop en hem zie, kijkt hij mij even verwachtingsvol aan, en slaat dan zijn ogen weer neer. Met zijn hele houding drukt hij uit, met een trefzekerheid die ik wel bewonder, dat hem voor de zoveelste keer groot onrecht is aangedaan: is er dan niemand die het ziet?
Guillermo is een leerling van wat wij noemen de ‘praktijkschool’. Eigenlijk is die praktijkschool een aparte afdeling van ons vmbo in Amsterdam, bevolkt door kinderen voor wie het eigenlijke vmbo te hoog gegrepen is. Het is de allerlaagste onderwijsvorm – nog een trap lager en je bevindt je in het speciaal onderwijs.

Junkie
Als ik Guillermo vraag wat er aan de hand is, waarom hij op de gang staat, vertelt hij zijn verhaal, hij wil het toch graag kwijt: “Ik zat te werken, toch? Komt Abdelghani naar mij toe, toch? Zegt hij tegen mij, je moeder. Zeg ik tegen de juf, Abdelghani zegt je moeder. Zegt juf tegen mij, niet zeuren, je moet werken. Zie ik Abdelghani lachen, toch? Zegt hij tegen mij junkie, je moeder werkt op Centraal Station. Zeg ik iets terug, zegt juf tegen mij ga maar op de gang staan.”
Ik knik begrijpend en vraag hem – benieuwd naar dat 'iets' – wat hij dan heeft teruggezegd.
“Dat hij een dikke kop heeft.”
“Is dat alles?”
“Ja.”
Dat 'ja' klinkt bijna verontwaardigd, alsof Guillermo ermee wil zeggen: ‘zie je wel dat ik bijna niks gedaan heb, dat het onterecht is dat ik de gang op moet, dat het hier zonneklaar is dat Abdelghani de schuldige is’.
Een tweede voorbeeld. Ik sta in de pauze op het schoolplein, en daar hoor ik Hamza, ook dertien jaar en bij Guillermo in de klas, Guillermo uitschelden voor ‘dzjonkie’, net als Abdelghani had gedaan. Ik zeg tegen Hamza, die erg op mij gesteld is, dat hij dat niet moet doen, maar Hamza hoort mij nauwelijks en blijft tegen Guillermo uitvaren: dat hij 'm wel zou pakken, dzjonkie, dat hij nu niet moet denken dat hij bang voor hem is, et cetera. Ik pak Hamza stevig bij zijn schouder en zeg, nadrukkelijker nu: “Hoor je mij Hamza, hij vindt het niet leuk als jij junkie tegen hem zegt. Zou jij het leuk vinden als ze dat tegen jou zouden zeggen?” Hamza schudt van nee, dat zou hij niet leuk vinden, maar nog steeds loert hij met een scheef oog naar Guillermo, en ik denk: dat is nog niet helemaal aangekomen. Dus zeg ik, nu met enige stemverheffing: “Luister je naar mij Hamza, stop je ermee dat te zeggen? Kijk me eens aan als ik tegen je praat.” Nu heb ik wel het gevoel dat hij Guillermo even vergeten is, en ik zeg nog: “Je mocht net van mij in het computerlokaal, dat mocht je van mij, nu doe je ook iets terug voor mij, en dat is Guillermo niet meer uitschelden.” Hamza herinnert zich het computerlokaal, dat hij daar even mocht spelen, en op een vleierige manier belooft hij mij Guillermo niet meer uit te schelden – thuis heeft hij geen computer.
Mij zit het niet helemaal lekker, dat onderhandelen: ‘ik heb iets gedaan voor jou, jij doet nu iets voor mij’. Elkaar niet uitschelden is op school een regel, en daar moet Hamza zich gewoon aan houden. Of ik nu wel of niet iets voor hem doe, hij moet gewoon beleefd en aardig zijn tegen anderen. Het zit me dwars dat ik erop aangestuurd heb dat hij het nu niet meer zou doen voor mij; hij zou het sowieso niet meer moeten doen.
Dus dat onderhandelen voel ik als een zwaktebod. Even later denk ik er wat milder over, want er zit toch een element in dat me aanspreekt. En wel dit: dat deze leerlingen ertoe te bewegen zijn dingen voor je te doen, of, even belangrijk, te laten, als ze een band met je hebben. Het zal ons nooit lukken middels sancties het schelden en het dreigen uit te roeien. Hooguit zal het ons lukken dat ze dat niet meer doen waar wij dat kunnen horen, in een taal die wij kunnen verstaan.

Erger dingen’
Derde voorbeeld. In de grote pauze komt Guillermo mij zeggen dat hij niet meer naar de les wil als Esmeralda ook in de klas zit. Esmeralda, ook dertien jaar, heeft een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder, en ze is er een meester in andere leerlingen op de kast te jagen. Guillermo vertelt me dat ook zij hem uitscheldt voor junkie, dat Omar dat ook doet, en dat hij de stoel onder Esmeralda vandaan getrokken heeft en “bijna op d'r gegooid” en hij maakt duidelijk dat hij, als hij weer naar de les moet en Esmeralda is daar ook, hij niet voor zichzelf kan instaan.
Een laatste voorbeeld. Na de pauze, Guillermo zit in de les, Esmeralda is daar ook, komt de Irakese Hozan mijn kamer binnenlopen, en hij zegt direct: “Ik ben uit de klas gestuurd omdat Guillermo zegt slechte dingen tegen mij en ik heb gezegd slechte dingen tegen hem.”
Ik zeg: “Leg eens uit wat er precies gebeurd is, Hozan.”
Hozan: “Ik ga naar Omar om rode kleurpotlood te halen, opeens zegt Guillermo tegen juffrouw: ‘juffrouw Hozan doet mij na, hij pest mij, hij doet zoals op Centraal Station, gaat zo geld verdienen, gaat zo mensen geld vragen’.”
“En doe jij dat, doe jij de bedelaars op het Centraal Station na?” vraag ik.
Hozan lacht, maar zegt: “Nee meester, ik haal alleen rode potlood. Dan juf doet niks en zegt Guillermo tegen mij: ‘je bek stinkt’, en zeg ik tegen Guillermo: ‘dzjonkie, je werkt bij Centraal Station’, en ook nog erger dingen.”
“Wat voor erger dingen?”
Hozan glimlacht verlegen.
“Je mag het wel zeggen, Hozan, ik geef je er geen straf voor.”
“Ik zeg: ‘Je moeder is ook een dzjonkie en daarom kom je hierzo’.”
“Wat bedoel je met ‘hierzo’ Hozan? Naar deze school?”
“Ja, naar deze school.”
Terwijl ik me afvraag: hebben deze kinderen dan zo'n slecht beeld van onze zwarte school, zo'n slecht zelfbeeld, zeg ik tegen Hozan: “Is het nou zo dat Guillermo gepest wordt in de klas?” Hozan knikt en zegt zacht: “Ja, dat is wel zo”.
“En daar doe jij ook aan mee?” vraag ik, en weer knikt Hozan deemoedig, inderdaad, daar doet hij soms aan mee. En de andere kinderen, Omar en Esmeralda en Hamza, zij pesten Guillermo ook?
“Ja meester.”
“En beginnen júllie altijd met pesten of begint Guillermo ook weleens zelf?”
“Soms wij beginnen meester maar soms Guillermo, hij begint ook.”
“Maar dat is toch niet leuk voor hem, dat hij gepest wordt door zoveel andere kinderen? Dan voelt hij zich toch heel alleen? Je weet toch wel hoe dat voelt, Hozan, als veel andere kinderen jou pesten?” Weer knikt Hozan, van nature een zachtaardige jongen. “Dus misschien”, besluit ik, “moet je proberen niet meer mee te doen Hozan, als die andere kinderen hem pesten, dan doe je gewoon niet mee. Misschien houden zij er dan ook mee op.” Hozan knikt weer.

Suriname
Het is duidelijk dat wij daar iets mee moeten, met Guillermo die gepest wordt, met die klas – maar daar wil ik het nu niet over hebben. Guillermo zit in een brugklas en alles is hier nog redelijk onschadelijk. Onschadelijk voor de school bedoel ik. Brugklassers zijn nog niet onhanteerbaar, ze bedreigen geen leraren en trekken geen messen en nemen geen pistolen mee naar school, en in de regel spijbelen ze ook nog niet. Dat komt allemaal later – niet heel veel later, maar toch.
Nee, ik wil het over iets hebben dat onder dit pesten ligt, onder die rare dingen die deze kinderen tegen elkaar zeggen. Ik wil het hebben over de problemen van de grote, zwarte vmbo's. Ik wil het hebben over de ouders van deze kinderen, over de band die deze kinderen met hun ouders hebben, de band die deze kinderen met hun school hebben, en de band die hun ouders met de school hebben. En ten slotte over de band die hun ouders met Nederland hebben. Alle problemen van de grote zwarte vmbo's zijn, denk ik, hierop terug te voeren. Op het feit dat die banden er niet zijn, of te zeer beschadigd zijn.
Ja: ik zie de ouders misschien niet verantwoordelijk voor álle problemen die wij met onze leerlingen hebben, maar wel voor het leeuwendeel daarvan. Thuis is waar alles begint. Als het thuis niet goed zit, dan voelen wij dat op school. Dan loopt het ook op school mis.
Guillermo woont bij zijn tante. Als ik hem vraag waar zijn moeder is, dan zegt hij: in Suriname. “En je vader, waar is die dan?” – terwijl ik het vraag, denk ik: ként hij zijn vader eigenlijk wel? – maar Guilllermo antwoordt al, gelaten, van emotie is geen sprake: “Ook in Suriname”. Dat eeuwig verongelijkte gezicht, Guillermo die zich als een baby gedraagt, altijd wordt hij tekortgedaan: ik begrijp het nu beter.
En Abdelghani, en Omar, en Hamza, en Esmeralda, die Guillermo zo graag pesten, die hem zo graag helpen precies die situaties te creëren die zijn gelijk bewijzen: dat hij altijd onrechtvaardig behandeld wordt, ook hen begrijp ik beter als ik hun ouders heb ontmoet.

Tante
Als Hamza vuurwerk in de gang afsteekt, wil ik daar met zijn vader over praten. Als vader, na aandringen, naar school komt, begint hij Hamza meteen uit te schelden voor klootzak en sodemieter, en te schreeuwen dat Hamza nu drie nachten in de kelder zal slapen, en dat Hamza – toch ook een Marokkaanse jongen – toch weet dat hij niet met de andere Marokkaanse jongens mag omgaan, alle Marokkaanse jongens zijn sléchte jongens. De vader van de eveneens Marokkaanse Abdelghani spreekt geen Nederlands en moet mij vragen – via Abdelghani, die vertaalt – wat voor school dit eigenlijk is en wat Abdelghani later dan kan worden. De vader van Esmeralda zit de helft van de tijd in de gevangenis maar als ik moeder spreek om haar te zeggen dat Esmeralda vaak ruzie heeft omdat ze andere leerlingen voortdurend provoceert, zegt moeder dat ze maar één regel heeft en dat is oog om oog, tand om tand. Dat niemand haar dochter mag slaan en dat als ze geslagen wordt, ze terug moet slaan en als ze bespuugd wordt, terug moet spugen.
Een school kan niet functioneren als het contact tussen ouders en kinderen verstoord is, een school kan evenmin functioneren als het contact tussen ouders en de school is verstoord. Meestal, helaas, gaan die twee samen. Als wij Guillermo een dag schorsen omdat hij, getergd door zijn gevoel onrechtvaardig behandeld te worden, fuck you tegen een docent zegt - ik zou hem er niet om geschorst hebben, maar als de beledigde docent erop staat… omdat dít niet kan… omdat alle kinderen moeten weten dat…dan kan je soms niet anders – dus als Guillermo een dag geschorst wordt en de volgende dag terugkomt zonder zijn tante, bij wie hij woont, terwijl wij hem toch duidelijk gezegd hebben dat hij pas weer toegelaten kan worden tot de lessen als wij zijn tante hebben gesproken, wie moeten wij daar dan verantwoordelijk voor houden? Natuurlijk, de tante van Guillermo. En als die tante ook het rapport van de jongen niet komt ophalen, terwijl wij toch duidelijk gezegd hebben dat het rapport door haar moet worden opgehaald – anders krijgen we de ouders helemaal nooit te zien – wie moeten wij daar dan verantwoordelijk voor houden?

Ontheemden
Wat doen we, als het uit de hand begint te lopen met Guillermo? Het zal bij hem niet zo'n vaart lopen, want hij is een lieve jongen, niettemin is daar dan toch al dat fuck you, en die stoel die hij ‘bijna’ op Esmeralda had gegooid. Anderen, oudere kinderen, zijn minder lief dan Guillermo. Ze bedreigen en slaan andere leerlingen, ze spijbelen, en wat ze doen op straat die uren dat ze eigenlijk op school zouden moeten zitten, ik wil het niet weten. Als thuis niet meer de functie heeft van thuis, kan school de functie van school niet meer hebben. Als ouders niet bereid zijn voor hun kinderen naar school te komen, dan zijn die kinderen ten langen leste ook niet meer bereid naar school te komen. Nogmaals: het begint thuis.
Vroeger, toen ik zelf nog op de middelbare school zat, was alles anders. Ook toen waren er gezinnen die niet lekker liepen, maar in de meeste gezinnen liep alles heel redelijk, en daar profiteerde de school van. Je gedroeg je op school, omdat je thuis geen moeilijkheden wilde. Je wilde niet dat je ouders boos op je werden, omdat je op school dingen had vernield, dus vernielde je op school geen dingen. Zorgde je ervoor dat je er niet te vaak werd uitgestuurd. Spijbelde je niet. Dat alles deed je, uiteindelijk, omdat thuis belangrijk was voor je. En omdat thuis belangrijk was, omdat je het belangrijk vond dat er thuis van je werd gehouden, daarom kon de school ook belangrijk worden, en wilde je ook dat er op school van je werd gehouden. Kinderen daarentegen, die met hun ouders geen band hebben, omdat die ouders geen voorbeeld voor ze kunnen zijn, omdat die ouders zich in Nederland niet thuis voelen, die kinderen krijgen ook geen band met hun school.
Van dat soort kinderen zijn er veel, en de meeste van hen bevinden zich op de zwarte vmbo's. Ouders die de weg nauwelijks kennen in Nederland, de taal nauwelijks spreken, die zich misschien ook schamen en niet naar school durven komen, ouders die onzeker zijn over hun plek in dit land, de vastheid en rechtmatigheid ervan, ouders die alles aan de school zelf overlaten. Misschien niet eens uit onwil, maar eerder uit onmacht. Als een school te veel van dat soort ouders heeft, kinderen met dat soort ouders, dan draait een school niet. Dan heerst daar geen veilig klimaat, dan heerst er geen orde, dan doen kinderen maar en dan is er niemand die ze tegenhoudt. Voor thuis hebben die kinderen geen respect, voor school ook niet. Wat kan een school dan nog? De politie inschakelen. Maar dat is een noodgreep. Ik vrees dat wij, in dit tijdsgewricht – het zal ook wel weer veranderen – opgescheept zitten met een grote groep min of meer ontheemden, mensen die niet of nauwelijks in Nederland geworteld zijn en misschien zelfs bang zijn voor dit land, waar ze zich niet thuis en misschien ook niet welkom voelen. Met hún kinderen hebben wij problemen.

Aandacht
Als er al een oplossing is, dan komt deze in de buurt. Voor die leerlingen, die dus geen vangnet hebben, die thuis niet opgevangen worden en voor wie thuis geen basis is, die zo'n basis ontberen, moet er een vervangend thuis komen – en op dit moment kan dat niet anders dan door het inschakelen van allerlei zorginstanties, van Jeugdzorg tot en met de Kinderbescherming. Die kinderen moeten een structuur aangeboden krijgen buiten thuis om, een vervangende structuur. Dat kost geld, veel geld, want daarvoor zijn mensen nodig, veel mensen. Ik verwacht niet dat dat allemaal zal gebeuren – we leven in een tijd van bezuinigen. Scholen worden gekort, op achterstandsonderwijs wordt gekort, op zorg wordt gekort. Dat betekent maar één ding: dat we problemen zullen houden met leerlingen ŕ la Murat D., die zijn conrector doodschoot, en met al die andere leerlingen die dagelijks voor talloze kleine ongemakken zorgen die het nieuws nooit zullen halen. Dat zal ook nog wel even duren. Ondertussen kunnen de scholen ook iets doen. Scholen kunnen hun best doen een band met hun leerlingen te creëren – wat bijvoorbeeld pleit voor kleine scholen. En buiten de school om, na schooltijd moet er ook nog iets zijn: sport, activiteiten, contact met begeleiders, mentoren, wat dan ook. Dat wat ontbreekt in al die gezinnen – en het zijn er veel – moet door iets of iemand aangevuld worden.
Dat wat ontbreekt, overigens, heet ‘aandacht’.

Kees Beekmans is leraar op de praktijkschool van het NOVA College in Amsterdam.

De Helling 2004/2


Inhoud 2004/2