door Bart Snels
Femke Halsema koos begin dit jaar voor de term ‘links-liberaal’ en laat die nu weer vallen. Ze schrikt terug voor een discussie binnen GroenLinks. Ten onrechte. Met meer marktliberalisme valt ook voor links nog veel te winnen.
Het lijkt een beetje op belletje trekken. Snel wegrennen, maar om de hoek van de straat wel kijken of iemand de deur opendoet. Femke Halsema heeft met haar uitspraak dit voorjaar, dat GroenLinks de laatste ‘links-liberale’ partij is, aan de bel getrokken. Nu wacht zij op het opengaan van de deur. Er zijn twee kandidaten die tevoorschijn kunnen komen. GroenLinks, dat zich gezien haar socialistische en communistische achtergrond, verzet tegen het etiket ‘liberaal’ of liberale politici wier naamkaartje zij inpikt. Maar net als veel kwajongens, lijkt Halsema na de actie al spijt te krijgen. In haar artikel in deze Helling laat zij de term ‘links-liberaal’ weer vallen om met ‘vrijzinnig links’ te voorschijn te komen. Blijkbaar vindt zij de keuze voor de term ‘liberalisme’ een te grote druk legt op het politieke debat binnen GroenLinks. Voor je het weet springt de activistische achterban op de barricade.
Naamkaartjes kunnen inhoudelijke debatten in de weg staan, daar heeft Halsema gelijk in. Toch is het jammer dat zij op deze manier rekening houdt met mogelijke reacties. Juist een politiek-ideologisch debat mag op het scherp van de snede gevoerd worden. Bovendien blijkt uit haar politieke agenda vanzelf dat die weinig met het neo-liberalisme uit de jaren negentig van de vorige eeuw te maken heeft en dat de afstand tot liberale partijen als D66 en de VVD groot is. Zij wil, daarover laat haar betoog geen twijfel bestaan, de conservatieve opvattingen van de huidige coalitiepartijen, vooral die van de VVD, bestrijden. Haar strategie is gericht op oppositie voeren. Tegelijkertijd wil zij GroenLinks een positie geven in het politiek-ideologische debat dat gevoerd wordt over conservatisme en liberalisme in het post-Fortuyn-tijdperk.
Het is duidelijk dat Halsema geniet van het om de oren slaan van de conservatief-liberalen met hun eigen liberale wortels. Zij maakt daarbij gebruik van de twee vrijheidsconcepten van Isaiah Berlin. Het negatieve vrijheidsbeginsel houdt in dat via grondrechten (bijvoorbeeld de vrijheid van meningsuiting en de godsdienstvrijheid) burgers beschermd moeten worden tegen een te opdringerige overheid. Het positieve vrijheidsbeginsel draagt de overheid op om achterstanden en ongelijkheden te bestrijden en via onderwijs en sociaal beleid burgers de keuzevrijheid te geven in de wijze waarop het leven wordt ingericht. Op beide beginselen doet de VVD het niet goed. De ongelijkheid die het laatste beginsel op het oog heeft, acht rechts een zaak van ‘eigen verantwoordelijkheid’. Het eerste beginsel sneuvelt in de wedloop om de erfenis van Fortuyn: de onvrede over veiligheid en integratie. Conservatief-rechts beperkt met regels en wetten de burgerrechten om criminaliteit te bestrijden, onaangepaste migranten te assimileren en ongewenste migratiestromen in te dammen. In deze aanpak sneuvelt het liberale recht om ‘anders’ te zijn.
Vrouwen
Voor conservatieven is een goed functionerende samenleving die niet alleen uit brave Jan-Peters bestaat moeilijk voorstelbaar. Voor progressief-links is het pluralistische en multiculturele ideaal, het recht op ‘anders’ zijn, nog steeds actueel. Een samenleving functioneert niet omdat we allen dezelfde waarden en normen delen, maar moet functioneren bij de tolerante erkenning dat we die nu juist niet delen. Daarin slagen, dat is de politieke uitdaging (zie in deze Helling het artikel van Bert van den Brink).
Door voor de vrijheidsconcepten van Berlin te kiezen, is de term ‘vrijzinnig links’ nog niet zo gek. De herordening van het politieke programma van GroenLinks langs deze lijnen, doet denken aan de Vrijzinnig-Democratische Bond (VDB) die ruim honderd jaar geleden werd opgericht in 1901. Als afsplitsing van de conservatief-liberalen pleitten de vrijzinnige of radicale liberalen voor economische hervormingen die het begin vormden van onze verzorgingsstaat. Via onderwijs en het verbod op kinderarbeid, het invoeren van sociale voorzieningen en de herverdeling van inkomen via het fiscale stelsel, moesten ook de zwakkeren een kans krijgen op individuele ontplooiing. Ook de vrouwen die streden voor emancipatie en gelijke rechten (Aletta Jacobs) sloten zich aan bij deze beweging die later opging in de PvdA. Tegen deze radicale achtergrond is het begrijpelijk dat Halsema in ieder geval delen van de liberale wortels claimt voor progressief-links. Volgens socioloog Dick Pels kan een op de oude VDB geďnspireerd sociaal-liberalisme zelfs een “wekroep” zijn voor progressief Nederland.
Kribbig
‘Vrijzinnig links’ is als inspiratiebron interessant, maar Halsema kiest dit etiket vooral omdat veel GroenLinksers wel eens de kriebels zouden kunnen krijgen van de term ‘liberalisme’. Zij wil niet de indruk wekken dat zij uit is op een koerswijziging. Dat is haar in dit artikel gelukt. Haar politieke programma is allesbehalve een verandering van koers. Het is vooral een reactie op, zoals zij zelf schrijft, het conservatieve kabinet en de toenemende maatschappelijke en culturele intolerantie. Het debat over conservatisme, liberalisme en over de zogenaamde ‘leegte van links’ wil Halsema zo in eerste instantie met politieke tegenstanders voeren. De coalitiepartijen, vooral het CDA en de VVD, krijgen er ideologisch van langs. Ook op het beginselprogramma van de PvdA heeft zij een kribbige reactie (“onze grondwet is radicaler”). Maar voor het debat binnen GroenLinks zelf lijkt ze weg te lopen (en doet ze aan belletje trekken).
Halsema haast zich om afstand te nemen van het marktdenken zoals dat door (neo)liberale politici wordt aangehangen. Daarmee sluit ze aan bij het vertrouwen dat GroenLinks van nature heeft in de overheid. Die moet een grote rol spelen in de sociaal-economische verhoudingen. De markt wordt al snel miskent als mechanisme dat maatschappelijk gewenste resultaten kan genereren. Natuurlijk accepteert een GroenLinkser niet zonder meer de uitkomsten van de vrije markt. Ook als mensen gelijke kansen op ontwikkeling krijgen, blijft herverdeling nodig. Bijvoorbeeld bij de pech arbeidsongeschikt te raken of als er een beroep op de gezondheidszorg nodig is. Toch valt er met links-liberaal marktdenken nog heel wat te bereiken. Denk bijvoorbeeld aan de blokkade van CDA en VVD om de hypotheekrenteaftrek ter discussie te stellen. Deze regeling verstoort de werking van de huizenmarkt. Betere marktwerking zou een herverdeling van huizenbezitters naar huurders, van hoge naar lage inkomens betekenen. Denk aan het afschaffen van subsidies op landbouwproducten zoals suiker en katoen in rijke landen. Die verstoren de markt. Afschaffen betekent een herverdeling van rijk naar arm. Ook kan het marktmechanisme gebruikt worden om milieudoelen te verwezenlijken. Het milieu via de fiscus een prijs geven, is een stokpaardje van groene politieke partijen. Bij al deze voorbeelden is er weerstand van conservatieven om de markt haar links-liberale werk te laten doen.
Defensief
De analyse van de verhouding tussen markt en overheid vraagt om een kritische opstelling. De houding van GroenLinks is eerder wantrouwend dan kritisch. Dat is jammer omdat links daarmee bij de hervorming van de verzorgingsstaat in het defensief is gedrongen. Zo kan bij de aanpassing van het stelsel voor de gezondheidszorg het marktmechanisme worden gebruikt om burgers meer zeggenschap te geven over de zorg die zij willen ontvangen. Maar ook om, zoals GroenLinks-Kamerlid Kees Vendrik wel eens betoogt, machtsposities van verzekeraars en zorgaanbieders te bestrijden. Ook het analyseren van de gebreken van de sociale zekerheid en het doen van hervormingsvoorstellen is niet het sterkste punt van linkse politieke partijen. Het huidige kabinet voert een harde sanering uit die vooral is ingegeven door financiële problemen op korte termijn, een sanering die voortkomt uit achterdocht tegenover mensen die van sociale regelingen gebruik maken, en die verdedigd wordt met de mantra van de eigen verantwoordelijkheid. Links voert vooral behoudzuchtige oppositie tegen dit beleid, maar het staat vast dat de vergrijzing en de toenemende (arbeids-)migratie binnen en buiten Europa druk zetten op de verzorgingsstaat. Op dit punt is de politieke agenda van Halsema nog onvoldoende uitgewerkt, terwijl het juist hier gaat om de bescherming van het positieve vrijheidsbeginsel van Berlin. Zoals Halsema zelf laat zien, is dat beginsel te belangrijk om aan de VVD of het CDA over te laten. Ik heb liever dat links-liberalen de verzorgingsstaat reorganiseren dan rechts-conservatieven.
Bart Snels is directeur van het Wetenschappelijk Bureau en redacteur van De Helling
De Helling 2004/2