door Jet Bussemaker
Femke Halsema keuze voor het liberalisme en de vrijheid van het individu is een breuk met het linkse paternalisme, aldus de PvdA-er Jet Bussemaker. Halsema negeert de kritiek uit haar eigen partij op de doorgeschoten individualisering en doet het gemeenschapsdenken van GroenLinks-ideologen als Jan Willem Duyvendak in de ban.
Het is te waarderen dat Femke Halsema de handschoen opneemt en reageert op de gemakkelijke kritiek van rechts dat links geen ideeën meer zou hebben en naïef en wereldvreemd zou zijn. Het is ook positief dat zij een bijdrage levert aan de zeer noodzakelijke Groen-Linkse ideologische profilering. Dat neemt niet weg dat haar analyse, zacht gezegd, nogal eenzijdig is en de alternatieven teleurstellen.
Eerst de analyse. Halsema deelt het politieke speelveld nogal simpel in. Je hebt aan de linkerkant de PvdA, die door Halsema geheel verantwoordelijk wordt gesteld voor de ‘linkse leegte’. Dan heb je het conservatief-liberalisme, dat nooit méér zou zijn geweest dan hapsnap opvattingen, en uit zichzelf ideologisch leeg is. En vervolgens heb je GroenLinks dat ideologisch blijkbaar goed gevuld is. GroenLinks treft in die redenering geen enkel verwijt, integendeel, ze onderscheidt zich doordat ze bescheidener is geworden en de consequenties van haar voorstellen beter is gaan doordenken.
Dit is een al te simplistische omschrijving van het politieke krachtenveld. De PvdA verantwoordelijk stellen voor de ‘leegte van links’ is erg goedkoop. Ik ben het niet eens met de kritiek van Jos de Beus op zowel de leiders van de drie linkse partijen (Bos, Halsema en Marijnissen), als op hun ideeën, maar ik stel vast dat Halsema het over de inhoud van die kritiek helemaal niet heeft. Ze heeft het over ‘de ziekte van de sociaal-democratie’. Maar het zou te veel eer zijn de oorzaak van de kwetsbare positie van links alleen bij de PvdA te leggen. In de eerste plaats richten De Beus en andere critici van links hun kritiek ook zeer nadrukkelijk op GroenLinks. In de tweede plaats móeten we constateren dat de tijdgeest meer door rechts wordt gedomineerd en dat het politieke initiatief bij hen ligt. Dat komt niet alleen door de parlementaire meerderheid van de coalitie-partijen (braaf gesteund door de LPF), maar ook doordat ‘rechtse thema’s’ zoals angst voor vreemdelingen, veiligheid en vermeend misbruik van sociale voorzieningen de politieke agenda bepalen.
Anders dan De Beus vind ik dat links zich tegen de rechtse dominantie en arrogantie mag verzetten en moet pleiten voor behoud van rechten – hetgeen overigens wat anders is dan het ontkennen van de noodzaak van verandering. Links moet het als een uitdaging zien steekhoudende kritiek op rechtse thema’s te formuleren. Bijvoorbeeld door de pleidooien voor meer individuele verantwoordelijkheid van burgers ten aanzien van sociale voorzieningen niet aan rechts over te laten, maar daaraan toe te voegen dat dan wel de voorwaarden gecreëerd moeten worden waaronder iedereen die verantwoordelijkheid kan dragen. Mijn ervaring is dat over de vraag hoe de organisatie van de solidariteit opnieuw vorm te geven, PvdA en GroenLinks redelijk eensgezind zijn en regelmatig samen optrekken. Is GroenLinks daarmee dan op dit punt besmet door de ‘sociaal-democratische ziekte’, of is de PvdA iets minder leeg dan Halsema doet voorkomen? Ik hou het er maar op dat progressieve samenwerking hier constructief vorm krijgt.
Breuk
Mijn tweede punt van kritiek is dat Halsema’s analyse tekortschiet doordat ze zich geheel beperkt tot de (politieke) actualiteit. Een meer historische analyse had een dynamischer beeld opgeleverd. Waarom heeft Halsema het bijvoorbeeld alleen over het conservatief-liberalisme? Heeft D66 voor GroenLinks als potentieel sociaal-liberale partner afgedaan? Is de ontstaansgeschiedenis van die partij immers niet voor een belangrijk deel gebaseerd op het vrijmaken van het individu in de sociaal-culturele betekenis, waar Halsema zo voor geporteerd is? Waarom heeft ze het nergens over progressieve liberalen en vrijzinnige sociaal-democraten die positieve vrijheid, gerelateerd aan sociaal-economische kwesties en negatieve vrijheid in relatie tot sociaal culturele thema’s, al eerder bepleit hebben, zij het vaak in andere termen. En waarom wordt er helemaal niet gesproken over de achtergrond van GroenLinks zelf?
Het artikel van Halsema kan niet anders gelezen worden dan als een definitieve breuk met het linkse paternalisme dat de CPN domineerde, en een keuze voor de meer anarchistische vleugel van de PSP. Ik kan de definitieve afrekening van Halsema met het dogmatische verleden alleen maar ondersteunen, maar het lijkt me wel een keuze die, gezien de achtergrond van GroenLinks, meer argumentatie vraagt dan hij krijgt (ik kan me zo voorstellen dat sommigen gruwen bij het idee van Arthur Lehning als boegbeeld van GroenLinks). Maar ook het meer recente verleden laat Halsema liggen. De verschuiving ten opzichte van de oriëntatie die Paul Rosenmöller koos, vereist toch een betere motivering dan alleen een obligate opmerking over de waardering van gemeenschapszin. Waarom neemt Halsema afscheid van de pleidooien van Rosenmöller om solidariteit opnieuw betekenis te geven via waardering van moderne gemeenschapswaarden? Waar is de kritiek, eerder ook uit GroenLinks te horen, op doorgeschoten individualisering waarin egoïsme en onverschilligheid ten opzichte van anderen domineren?
Verbondenheid
Het veronachtzamen van gemeenschapswaarden wreekt zich in Halsema’s maatschappij-opvatting – en dat is mijn derde kritiekpunt. Halsema keert het klassiek liberale onderscheid van negatieve en positieve vrijheid in de traditie van Berlin mooi om, door negatieve vrijheid in te zetten voor sociaal-culturele thema’s en positieve vrijheid voor sociaal-economische thema’s. Maar naast Berlin had ze misschien ook de negentiende-eeuwse filosoof De Tocqueville er op na moeten slaan. De Tocqueville laat overtuigend zien hoe je ook sociale gemeenschappen nodig hebt om zelfontplooiing mogelijk te maken. Met andere woorden: vrijheid in sociaal-culturele zin verlangt niet alleen vrij te zijn van paternalisme en betutteling van de overheid, maar ook het aangaan van (positieve) verbindingen met anderen. Mensen leven nu eenmaal niet in afzondering en zijn niet alleen zelfbewuste en mondige individuen. Zij zoeken hun kracht ook in verbondenheid met anderen en accepteren verantwoordelijkheid voor elkaar. Was dat bij de oprichting niet ook een belangrijke kern van het GroenLinks-denken?
Ik ben van mening dat uiteindelijk het individu altijd boven de groep gaat. Of het nu om vrouwen, minderheden of welke andere groep ook gaat, de vrijheid van het individu gaat altijd boven erkenning van groepsnormen. Daarom zal ik altijd kiezen voor het meisje dat wil studeren maar dat volgens de normen van de groep waarin ze opgroeit niet mag (of die groep nu streng gereformeerd of streng islamitisch is). Maar hoezeer ik uiteindelijk het primaat van het individu zal laten domineren, ik geloof dat dit niet kan zonder erkenning van de rol van gemeenschapsbanden.
Doorbraak
Het probleem met de analyse van Halsema is vooral dat ze gevangen blijft in het liberale denkkader. De vraag is of voor (groen)linkse politiek niet meer nodig is dan dat. Ik kan me nauwelijks voorstellen dat Halsema met dit essay de gehele linkse communitaristische agenda, door vooraanstaande GroenLinks-ideologen als Jan Willem Duyvendak uitgewerkt, nu in de ban wil doen. Met de keuze het liberalisme te naderen en het communitarisme onbesproken te laten, beweegt Halsema zich weg van het CDA en naar D66.
In de concrete voorstellen die Halsema uiteindelijk doet in haar stuk, wordt de vrijzinnig-liberale traditie echter gecombineerd met de sociaal-democratische traditie van gelijke kansen en emancipatie. Uiteindelijk lijkt het tweede deel van haar betoog dan ook beter aan te sluiten bij de links-liberale stroming binnen de PvdA, dan bij het kameleontische D66. Met uitzondering wellicht van de paragraaf over politieke participatie, in het bijzonder de opmerking over het districtenstelsel, herken ik in bijna alle voorstellen die worden gedaan ook de PvdA.
Haar pleidooi om vrijheid mogelijk te maken en vrijheid te beschermen past in een goede, vrijzinnige sociaal-democratische traditie waar ook de Vrijzinnig-Democratische Bond deel van uitmaakte. Die bond, uit de eerste helft van de vorige eeuw, is bij de zogenaamde ‘doorbraak’ na de oorlog opgegaan in de PvdA. Halsema lijkt met haar betoog, bedoeld dan wel onbedoeld, op zo’n volgende doorbraak af te stevenen. Als de geschiedenis zich herhaalt, zou dat ook het einde van GroenLinks zijn.
Jet Bussemaker is bij verschijning van deze Helling Tweede Kamerlid voor de PvdA
De Helling 2004/2