door Marja Vuijsje
Een van de opmerkelijkste eetcafés van Berlijn heet Ständige Vertretung. Het barst er van de nostalgische parafernalia uit de tijd dat parlement en regering van Duitsland nog in Bonn zaten. Naast zwartwitfoto’s van Willy Brandt, Helmuth Kohl, Gerhard Schröder en minder bekende politici die ooit in Bonn resideerden, zie je er een keur aan voorwerpen uit het oude parlement, waaronder een kamerzetel. Die zetel is voorzien van een bordje waarop staat dat hij daar niet is neergezet om dienst te doen als garderobe. Het Bonner erfgoed wordt bij Ständige Vertretung ijverig gekoesterd. Net zoals de Rijnlandse keuken: je kunt er Flammenkuche eten en Schweinebraten mit Sauerkraut. Ständige Vertretung, zo vertelt mijn ingevoerde metgezel, is een paar jaar geleden samen met de klandizie integraal overgekomen uit Bonn. Het vormt een ‘stukje thuis’ voor de vele volksvertegenwoordigers en regeringsambtenaren met heimwee. Een van de weinige attributen die aan de Duitse eenwording van vijftien jaar geleden herinneren is een spandoek waarop de communistische hamer en sikkel zijn vervangen door een hamer met een banaan. Maar ook het daarmee opgeroepen beeld van Oost-Berlijners die na het slechten van De Muur door hun westerse stadgenoten met bananen werden binnengehaald, heeft inmiddels een hoog nostalgisch gehalte gekregen.
Bij Ständige Vertretung is niets te vinden waaruit valt op te maken waarover de Duitse politici zich vandaag de dag eigenlijk druk maken. Het is alles weemoed wat de klok slaat. Een gemoedstoestand die ons sowieso overvalt na een paar dagen in de hoofdstad van het nieuwe Duitsland. Het lijkt wel of heel Berlijn is ondergedompeld in een of ander ‘vroeger’. De Ossi’s koesteren hun VitaCola en hun Ampelmänchen. Veel Wessi’s lopen erbij alsof ze op zoek zijn naar een verdwenen schat. En de Turken in Kreuzberg handhaven de sfeer van het oude vaderland. Zelfs de gevaarlijk ogende punkers die dagelijks hun bankje op de Alexanderplatz bezetten om er grote hoeveelheden bier te drinken en de alternativo’s van Prenzlauer Berg hebben iets altmodisch. Alsof ze zijn blijven steken in de jongerenculturen van de jaren zeventig en tachtig.
In Berlijn groeit, bloeit en broeit er van alles, maar de inwoners lijken zichzelf vooral te definiëren met hulp van een achteruitkijkspiegel.
Het is ook wel erg moeilijk het hartje sneller te laten kloppen bij alle veranderingen die de stad heeft ondergaan. Het nieuwe centrum dat is verrezen op de Potsdamerplatz is voor alles een groot, glanzend winkelcentrum waar je gemakkelijk de weg kwijtraakt omdat er zoveel hetzelfde is. Wie op zoek gaat naar informatie over Berlijn, wordt ondergedompeld in plannen voor nog meer te ontwikkelen stadsdelen waar nog meer van dat soort winkelcentra moeten komen. En je wordt ondergedompeld in geschiedenis. Vooral veel geschiedenis. Geen stad op de wereld waar ze zo gewetensvol bezig zijn met het verwerken daarvan. Overal liggen boeken over het Derde Rijk, De Muur, het communistische verleden van de oosterlingen, de verdwenen joodse gemeenschap, het eens zo levendige Berliner cabaret en Marlène Dietrich. Vooral veel Marlène Dietrich.
Duitsers en nostalgie. Het is nog niet zo lang geleden dat wij die combinatie behoorlijk angstaanjagend vonden, zo realiseren wij ons als we over Unter den Linden lopen. Maar sinds Fortuyn steken de Nederlanders de Duitsers behoorlijk naar de kroon in hun verlangen naar de terugkeer van vroeger dagen. In het debat over ‘de moslims onder ons’ gaat het er in Haagse kringen heel wat harder aan toe dan onder Berlijnse politici. Terwijl links in Nederland volkomen uit de mode is, is Joschka Fischer in Duitsland nog steeds de meest populaire minister. Een gegeven dat ons nu al vervult met de weemoed, die wij ongetwijfeld met de Duitsers zullen delen als ook hij straks geschiedenis is.
Marja Vuijsje is freelancejournalist
De Helling 2004/2