de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

reactie op Femke Halsema

tegen de stroom in

door J. A. A. van Doorn

Femke Halsema komt met een mooi betoog, maar ze spuwt tegen de wind in. We staan aan het begin van een omwenteling, aldus J. A. A. van Doorn. Rechts krijgt het voor het zeggen, links is buiten de orde. Advies: het is te vroeg voor oorlog, kies de guerrilla.

Het artikel van Femke Halsema vormt een verdienstelijke bijdrage aan het lopende politieke debat. Het betoog is goed doordacht, qua hoofdlijnen en voorbeelden logisch opgebouwd en over het geheel redelijk overtuigend. De typering ‘vrijzinnig-links’ is een vondst. Ze is gelukkiger dan ‘links-liberaal’, want liberalisme staat momenteel nu eenmaal voor een rechtse koers. Dat er ook van een links-liberalisme gesproken kan worden is zeker waar, maar het is politiek gesproken onhandig (en dus onverstandig) de goegemeente te moeten uitleggen dat ze de term ‘liberaal’ anders moet interpreteren dan ze gewend is te doen.
De pragmatische uitwerking van haar betoog lijdt echter onder te grote genuanceerdheid. Voor een politieke standpuntbepaling is het stuk te subtiel, te weinig pamflettistisch. Het is zeker geschikt voor intern gebruik, maar het mist werfkracht. Dat kan ook moeilijk anders. Halsema wenst, terecht, niet gemakzuchtig met de stroom mee te gaan, maar ze begrijpt evengoed dat die niet van richting zal veranderen door er domweg tegenin te roeien. Ze verplicht zichzelf dus tot schipperen, overigens een te onvriendelijke term omdat ze opportunistisch maar vanuit welgekozen beginselen redeneert. Het zal weinig effect sorteren. De zuigkracht van het conservatieve liberalisme is momenteel te krachtig om kritische tegengeluiden, laat staan oppositionele standpunten, veel kans te geven.
Wonderlijk genoeg komt deze rechtse overmacht niet tot uitdrukking in een verschuiving van het partijpolitieke zwaartepunt. De LPF is geen succes gebleken, de VVD spint er geen garen bij, en de linkse partijen, inclusief de PvdA, weten zich in de peilingen redelijk tot zeer goed te handhaven. Kortom: de rechtse sociëteit deelt de lakens uit maar wint geen nieuwe leden; de linkse kerk noemt zich ‘leeg’ maar blijft goed gevuld.
Dit betekent niet, zoals sommigen waarnemers wellicht menen, dat we te maken hebben met een vluchtige beweging in de publieke opinie, een tijdelijk voelbare nawerking van het Fortuyn-effect. Integendeel: de relatieve onaandoenlijkheid van het partijpolitieke bestel duidt veeleer op een nog niet verwerkte, dieperliggende culturele en maatschappelijke omslag, een heuse breuk.

Moslim
De moderne geschiedenis heeft zoiets al eerder laten zien, zij het dat de beweging toen in tegengestelde richting ging. De ontwrichtende gevolgen van de Eerste Wereldoorlog en de economische depressie van de jaren dertig markeerden het einde van het vroege economische globalisme en het daarmee samenhangende vrije markt-liberalisme. In de meest uiteenlopende gedaanten braken collectivistisme en staatspaternalisme door: als sovjet-communisme, nationaal-socialisme, New Deal en – vooral in West-Europa – als sociaal-democratie. De sociale zekerheidsstaat of verzorgingsstaat die daar uit voortkwam, is maar in beperkte mate op het conto te schrijven van de linkse partijen. Bijna alle stromingen bleken destijds in de ban van de vrees voor nieuwe massale werkloosheid en politiek extremisme. Ongeacht hun (oorspronkelijke) programma werkten ze mee aan wat het Gebot der Stunde werd geacht te zijn.
Nederland biedt een goed voorbeeld. Natuurlijk deed de PvdA, inmiddels salonfähig, van harte mee, en de VVD zuchtend en steunend, maar wat opvalt is dat de confessionelen méér dan alle partijen de verzorgingsstaat hielpen opbouwen, niet omdat hun programma dat voorschreef, maar omdat de tijd er om vroeg.
Momenteel herhaalt de geschiedenis zich. De korte twintigste eeuw van het collectivisme is ten einde. De Russische bedreiging is weggevallen, de Amerikaanse verleiding dringt zich op. Niet werkloosheid en fascisme boezemen nu vrees in, maar immigratie en terrorisme. Er is geen Nederlandse onderklasse meer die gesauveerd en gedisciplineerd moet worden, maar een moslimminderheid; geen communistisch gevaar dat moet worden afgeweerd maar een islamitisch. De nieuwe uitdagingen zijn gevaarlijker dan de oude. Gegeven de herkenbare frontlijnen, kon de Sovjetmacht worden afgegrendeld, terwijl terrorisme overal kan toeslaan. En gegeven de status van vreemdeling en moslim is de integratie van de nieuwe onderklasse een uiterst moeizame operatie, misschien zelfs tot mislukken gedoemd.
Dit laatste vraagstuk wekt de meeste agressie, omdat er schuldigen zijn aan te wijzen. Zoals zelfvoldane liberalen anno 1900 geen oog hadden voor de opkomende proletarische vloed, zo hebben zelfvoldane sociaal-democraten de afgelopen decennia de ogen gesloten voor de immigratiegolven. De liberalen verwezen de armen naar de armenzorg; de sociaal-democraten stelden staatszorg beschikbaar, voor alle zwakken en kansarmen.
Daarmee ontmoeten we de andere erfenis uit het verleden: het overheidsdirigisme en de taaie brei van wet- en regelgeving die over elk terrein van het maatschappelijk leven ligt uitgespreid. Als reactie dreigen inderdaad heel wat kinderen met het badwater te worden weggespoeld, maar helaas, zo gaat dat bij een wisseling van de wacht.

Kordate guerrilla
Terug naar Femke Halsema. Ze pleit uitsluitend voor goede dingen, voor redelijkheid en tolerantie, persoonlijke vrijheid en verantwoordelijkheid, voor handhaving van een humaan sociaal bestel, voor werkgelegenheid en bescherming van afhankelijken, voor ontwikkelingssamenwerking en internationale solidariteit. Ze heeft gelijk maar ze spuwt tegen de wind in. De tijdgeest is haar niet welgezind. Ze is buiten de orde. Ze kan zich nu misschien de ergernis voorstellen van liberalen – conservatieven en vrijzinnigen – die meer dan een halve eeuw hun gelijk probeerden te halen, maar bijna met verachting werden weggezet.
Halsema heeft gelijk maar ze is met haar tegenoffensief te vroeg. De conservatieve revolutie is nog maar net begonnen. Ze bestaat in hoofdzaak uit wensen en voornemens. De stroom van wetten die minister Donner over ons uitgiet heeft nog geen effect. Het zijn de impulsen waarvan de werking moet worden afgewacht. Het geloof in meer gezag, waartegen Halsema opponeert, is nog maar zeer fragiel. De criminaliteit is nog lang niet onder controle, het rechterlijke en het politionele bestel schieten tekort en vragen om modernisering. Het WAO-vraagstuk is niet opgelost. De ontwikkelingshulp dient gesaneerd. De VN heeft geen tanden. Om het bij deze paar voorbeelden te laten.
Dat wil niet zeggen dat links tot nietsdoen is veroordeeld. Het mag voor een frontale aanval nog te vroeg zijn, voor een kordate guerrilla is er altijd gelegenheid. En wie zich bij rechts overschreeuwt, zoals momenteel strijk-en-zet gebeurt, moet klappen krijgen.
Van harte ben ik het eens met Halsema’s stelling dat het gepraat over de ‘leegte van links’ een uiting is van defaitisme. Er is geen maatschappelijke hervormingsbeweging die in de loop van de laatste twee eeuwen meer intelligentie heeft gemobiliseerd dan het socialisme. Daar kan en moet op worden teruggegrepen, aangevuld met nieuwe eigentijdse informatie. De geschiedenis van links eindigt niet in 2004.

J.A.A. van Doorn is emeritus hoogleraar Sociologie en publicist

De Helling 2004/2


Inhoud 2004/2