de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Terug naar Europa

door Piet Boerefijn

Het schiereiland Juminda, in het noorden van Estland, is prachtig. Ongerepte bossen, mysterieuze moerassen met elanden en kraanvogels en stranden waar je uren kunt lopen zonder er iemand tegen te komen. Juminda is ongeveer 45 vierkante kilometer groot en er wonen 317 mensen verdeeld over zeven gehuchten. Het gehucht Leesi, waar ik woon, heeft 32 inwoners. Men noemt Leesi de hoofdstad van Juminda omdat zich hier de enige winkel, postkantoor, kerk, begraafplaats en cultureel huis van het schiereiland bevinden.

Sinds de sluiting van de visverwerkende fabriek zeven jaar geleden is er geen werk meer en de meeste mannen zijn vertrokken of aan de drank – ze zitten vaak bier te drinken naast de winkel. Op zondags zitten er drie oude vrouwtjes in de kerk. Ieder jaar in april is er in het cultureel huis een concert van Jüri Homenja, op wie alle vrouwen gek op zijn, of van Vello Orumets, de Estische Henk Wijngaard. Op 23 juni wordt St. Jansdag gevierd, het feest van de langste dag is belangrijker dan kerstfeest. Er wordt dan een groot vuur gebouwd in het gehucht Aabla. Daar komt dan een hoempaband spelen, men danst de hele nacht rond het vuur en alle mannen zuipen zich volledig lazurus. De band speelt altijd het populaire zeemanslied Meremehe laul, waarvan het refrein eindigt met ‘Ja reisisiheks oli meile Rotterdam’ (‘Onze volgende haven was Rotterdam’). In augustus is er een 'Dorpendag' in Leesi waar de lokale muzikant oubollige deuntjes uit een astmatisch orgel tovert, waar heftig op wordt gedanst. Dat is alles. Juminda is heel mooi maar er is geen bal te beleven.

Wat een verschil met Pärispea, het volgende, meer oostelijk gelegen schiereiland. Dat is ongeveer even groot als Juminda en er wonen evenveel mensen. Maar sinds de komst van Jaan Manitski is het leven daar bruisend en dynamisch. Manitski was 1 jaar oud toen hij in 1943 met zijn ouders voor de Sovjets in een roeiboot naar Finland vluchtte. Via Finland kwam het gezin in Zweden terecht waar Jaan succesvol ondernemer werd, onder andere manager van Abba. Achtenveertig jaar later kwam hij terug naar Estland als hoofd van de privatiseringsmaatschappij. Later kocht hij de visverwerkende fabriek in zijn geboortedorp Viinistu op Pärispea. Visverwerking bleek echter niet winstgevend dus begon hij er een kwekerij voor oesterzwammen, en een museum. Het museum bezit inmiddels Estlands grootste collectie schilderwerken, met 400 bekende Estische schilderijen. In de voormalige fabrieksloodsen zijn ook een hotel en restaurant gebouwd en er worden bijna wekelijks theatervoorstellingen en concerten georganiseerd. Zomers is er een internationaal video-festival waar kunstenaars van heel de wereld naartoe komen. Al deze activiteiten trekken duizenden bezoekers uit heel Estland naar Viinistu waardoor de lokale autoriteiten zich genoodzaakt zagen de zandweg te asfalteren.
In 2001 kocht Manitski ook een nabijgelegen onbewoond eiland. Daar lopen twee geiten en er staat een 200 jaar oude vuurtoren met leegstaande dienstwoningen. Daar wil Manitski een klooster beginnen.

De laatste tien jaar heeft zich in Estland een ware revolutie voltrokken. Het land veranderde van communistisch in (extreem) liberaal en kapitalistisch. De economie werd drastisch hervormd en groeide als kool, het gemiddelde loon vertienvoudigde. Het land werd lid van de NAVO en nu ook de EU. Het platteland is nog steeds onderontwikkeld en arm maar de steden zijn inmiddels behoorlijk welvarend. In Tallinn wonen een half miljoen mensen met voor plattelandsbegrippen mega-salarissen. Iedere maand wordt wel ergens een nieuw winkelcentrum, galerie of nachtclub geopend en is er inmiddels een enorme keus aan horeca en uitgaansgelegenheden.
Net als de economie heeft ook de Estische cultuur zich razendsnel hervormd en op dit moment is er helemaal niets meer dat nog aan de Sovjet-bezetting doet denken. De Esten hebben de Sovjet-cultuur altijd verafschuwd en na de onafhankelijkheid zijn zij met alle energie op zoek gegaan naar de eigen wortels en de oude banden met Europa. De voormalige Sovjet-cultuurpaleizen staan leeg, zijn gesloopt of omgebouwd tot nachtclub. De censuur en overheidsbemoeienis hebben plaatsgemaakt voor experiment, prettige chaos en een zoektocht naar nieuwe vormen en structuren. In leegstaande gevangenissen, kindertehuizen, papierfabrieken, raffinaderijen, sovchozen en mijnschachten worden op fantasierijke wijze concerten en perfomances gehouden en musea, fitness clubs, bowlingbanen, jongerencentra en discotheken gebouwd. Alles is mogelijk. De overheid is arm maar superliberaal. Zij bemoeit zich dus nergens mee en laat alles over aan privé-initiatief.
Jongeren in Tallinn bezoeken in het weekend de grote nachtclubs en zomers gaan zij naar de openluchtfestivals waar alle bekende Estische bands optreden zoals Terminaator, Smilers en Vanilla Ninja. De wat oudere Esten gaan naar concerten van Jäääär, Ulthima Thule en Dagö of naar de volksmuziekfestivals van Võru en Viljandi. Het belangrijkste Estische muziekevenement is zonder twijfel het Zangfestival dat iedere vier jaar word gehouden. Dat is uniek in de wereld omdat er – heel indrukwekkend – honderden koren met 20.000 zangers op een gigantisch podium staan. Dit zangfestival speelde in de jaren tachtig een belangrijke rol bij de Estische onafhankelijkheidsstrijd en het groeiende nationaal bewustzijn en was onderdeel van wat men hier noemt de ‘zingende revolutie’. In het licht hiervan was het ook een belangrijke stap in de Europese integratie toen Tanel Padar en de Nederlandse Arubaan Dave Benton voor Estland het Eurovisie Songfestival 2001 wonnen.

Gezien Estlands omvang (1,4 miljoen inwoners) heeft het een indrukwekkende klassieke muziekcultuur. Componisten zoals Arvo Pärt, Veljo Tormis, Eduard Tubin, Heino Eller en Erki-Sven Tüür zijn wereldberoemd evenals de dirigenten Eri Klas, Neeme Järvi en Tõnu Kaljuste. De laatste was chef-dirigent van het Nederlands Kamerkoor van 1998 tot 2002. Eri Klas was van 1996 tot 2003 chef-dirigent van het Nederlands Radio Symfonie Orkest.
Men zegt dat Estland na IJsland de meeste boeken per inwoner uitgeeft. Of dat klopt weet ik niet. In ieder geval zijn Esten net als IJslanders niet erg communicatief maar wel creatief, leergierig en intellectueel. Na tien jaar crisis is het aantal uitgegeven boeken de laatste jaren weer toegenomen. Het populairst zijn romans over esoterie en persoonlijke ontwikkeling. Jongeren lezen de provocerende Kaur Kender, ouderen lezen Jaan Kross.
Van Jaan Kross zijn drie boeken in het Nederlands vertaald, waaronder De Gek van de Tsaar. Het is een historische roman waarin een al te kritische adviseur van de tsaar gek wordt verklaard en verbannen naar het landgoed Võisiku in centraal Estland. Tien jaar geleden las ik het boek in een ruk uit. Niet lang daarna reed ik naar Võisiku omdat het landhuis te zien. Het huis bleek vervallen. Naast het huis stond een hoge muur van enkele honderden meters lang. Na wat zoeken vond ik een klein poortje met een gietijzeren hek waarachter ik een shockerend tafereel zag. In een grote tuin stonden en lagen honderden ‘gekken’, velen geheel ontkleed. Võisiku bleek een tehuis voor verstandelijk gehandicapten en psychiatrisch patiënten. De 450 bewoners leefden er onder bijna middeleeuwse omstandigheden, nauwelijks verzorgd. Tientallen zaten opgesloten in kooien. Onder andere dankzij Nederlandse steun is de leefsituatie op Võisiku nu gelukkig dramatisch verbeterd.

Piet Boerefijn is sinds 1993 werkzaam als coordinator voor de Nederlandse Samenwerkende Fondsen voor Centraal en Oost Europa (www.cnfcee.nl) in Estland

De Helling 2004/3


Inhoud 2004/3