door Jan Hoogland
De filosoof Adorno is van grote betekenis voor het progressieve denken van na de oorlog. Nu links in crisis verkeert, zou ze veel op kunnen steken van zijn pleidooi kritisch te zijn. Links kan zich niet langer terugtrekken in haar eigen zelfgenoegzame gelijk.
De datum 11 september is tegenwoordig verbonden met de aanslag op het World Trade Center in New York in 2001. Veel minder sprekend is de gebeurtenis die twee jaar later op de 11de september herdacht werd, namelijk de honderdste geboortedag van de Duitse filosoof, socioloog en componist/musicoloog Theodor Ludwig Wiesengrund-Adorno.
Ter gelegenheid van zijn honderdste geboortedag verscheen vorig jaar de biografie Adorno – Eine Biographie door Stefan Müller-Doohm. Bij het lezen van dit boek werd ik mij bewust van de enorme mentale omwenteling die de laatste 10-15 jaar van de 20ste eeuw heeft plaatsgevonden in de westerse wereld, en nog is versterkt door 11 september 2001. Waren de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw de jaren waarin het linkse denken toonaangevend was, de jaren negentig stonden in het teken van een gestage omwenteling naar een andere tijdgeest. Eén van de terreinen waar deze omwenteling wellicht het meest pregnant tot uitdrukking is gekomen, is de veranderde houding tegenover allochtonen. Voor links dwingt deze omwenteling tot heroriëntatie; de huidige onzekerheid staat in schril contrast met het zelfvertrouwen van daarvoor. Eerst zal ik ingaan op de persoon en het denken van Adorno, daarna op de crisis van links.
De naam van Theodor W. Adorno is wezenlijk verbonden met de linkse intelligentsia van na de Tweede wereldoorlog. Adorno was de zoon van de joodse wijnhandelaar Oscar Wiesengrund en zijn van een Corsicaanse familie afstammende vrouw Maria Barbara Calvelli-Adorno. Vermoedelijk was het de trots op haar eigen familienaam die zijn moeder er prijs op deed stellen dat Theodor zich Wiesengrund-Adorno noemde. Gedurende zijn jaren in ballingschap in de Verenigde Staten ging hij er toe over Theodor W. Adorno als zijn auteursnaam te voeren.
Adorno studeerde filosofie en promoveerde in Frankfurt. Daar raakte hij bevriend met Max Horkheimer, de latere directeur van een uit private middelen bekostigd onderzoeksinstituut dat nauw aan de Universiteit van Frankfurt gelieerd was: het Institut für Sozialforschung, later bekend geworden als de Frankfurter Schule. Dit instituut was sterk op de marxistische maatschappijtheorie georiënteerd en was een zeer kritisch volger van de opkomst van het fascisme in Duitsland. Dit en het feit dat veel van de bij dit instituut betrokken mensen van joodse afkomst waren, leidde ertoe dat de meesten snel na 1933 (het jaar dat Hitler aan de macht kwam) Duitsland verlieten. Adorno vertrok in 1934, eerst naar Groot-Brittannië (Oxford) en in 1938 naar New York. Bij het Institute of Social Research ontwikkelde hij zich tot een vooraanstaand socioloog.
Na de oorlog keerde Adorno terug naar Duitsland en werd buitengewoon hoogleraar in Frankfurt. Daar ontwikkelde hij zich tot de beroemde intellectueel die een leidende rol zou gaan spelen in het intellectuele debat in Europa.
Auschwitz
Centraal in het naoorlogse denken van Adorno staat de vraag of de periode van het nazisme moet worden gezien als een incidentele uitwas of als een logisch gevolg van de westerse modernisering. Adorno neigt naar deze laatste optie. Het nazisme moet volgens hem worden begrepen vanuit belangrijke eenzijdigheden in de westerse rationalisering. Wie over de werkelijkheid nadenkt of er onderzoek naar doet, kan tot belangrijke inzichten komen, maar uiteindelijk onttrekt de onderzochte werkelijkheid zich aan onze pogingen tot begrijpen en behoudt iets onherleidbaar unieks. Wanneer die beperking niet wordt ‘mee-gedacht’ en men de werkelijkheid meent totaal te kunnen begrijpen en beheersen, dan krijgt de rationaliteit het karakter van een onbeheersbare macht. Adorno heeft niets tegen de rationalisering van de samenleving – integendeel zelfs, door rationeel te denken en te handelen hebben mensen hun mogelijkheden namelijk enorm vergroot. Maar rationaliteit slaat in haar tegendeel om als men zich niet bewust is van haar beperkingen. Het gevaar van het rationaliseringsproces is dat het er naar tendeert alles wat zich niet onderwerpt aan het menselijke streven naar beheersing, uit te sluiten.
Dit uitsluitingsmechanisme komt volgens Adorno aan het licht in het antisemitisme en de holocaust die daaruit voortvloeide. Onder het regime van het nazisme werden de joden de belichaming van de krachten die haaks stonden op de bestaande maatschappelijk verhoudingen. Dat had weinig of niets met de joden zelf te maken, maar veeleer met het beeld dat men van hen maakte. In feite zou dat beeld ook op andere groepen geprojecteerd kunnen worden (“de slachtoffers zijn onderling uitwisselbaar”, Dialektik der Aufklärung, p.195). Om die reden is het volgens Adorno belangrijk om in te zien dat tendensen die in Duitsland tot het nazisme geleid hebben ook overal elders in de westerse wereld aanwezig zijn en aangetoond kunnen worden. Pas wie begrijpt dat het fascisme en alles wat daarbij hoort méér is dan een exces, verwerft het inzicht dat in de toekomst een herhaling van de gebeurtenissen zou kunnen voorkomen.
Volgens Adorno is het “nooit meer Auschwitz” de belangrijkste morele imperatief voor de tweede helft van de 20ste eeuw. Het is tegen die achtergrond dat Adorno er met grote inzet voor heeft gepleit dat de Duitsers eerlijk zouden worden over hun eigen nazistische verleden. Met deze inzet heeft Adorno een belangrijke bijdrage geleverd aan het morele bewustzijn in het Europa van na de Tweede Wereldoorlog. Zijn gedachte dat de slachtoffers uitwisselbaar zijn, zou wel eens mede verklarend kunnen zijn voor de allergie van het naoorlogse linkse denken voor alles wat maar enigszins naar racisme riekt. Immers, racisme zou voortkomen uit het in rassentermen vertaalde lijden van verdrukte groepen onder maatschappelijk onrecht. Lange tijd viel dan ook bij iedere kritische opmerking jegens de houding van allochtonen in ons land het F-woord: fascisme.
Studentenverzet
De invloed van het denken van de Frankfurters heeft wellicht ook een rol gespeeld bij het levenseinde van Adorno. Want hoewel het onmogelijk is een oorzakelijk verband aan te tonen, lijkt het waarschijnlijk dat zijn overlijden in de zomer van 1969 aan een hartinfarct niet helemaal losstaat van de emotionele druk die hij gedurende de studentenrevolte van 1968 heeft ervaren. Dat het denken van de Frankfurter Schule een belangrijke inspiratiebron is geweest voor de studentenbeweging in de jaren zestig van de vorige eeuw is wel zeker. Des te groter was de teleurstelling bij de studentenleiders dat Adorno en diens toenmalige assistent Jürgen Habermas bij herhaling aanleiding zagen zich van het studentenverzet te moeten distantiëren. Om te waarschuwen voor het gevaar van een escalatie van het studentenactivisme sprak Habermas zelfs van ‘linkse fascisten’. Deze aanduiding nam Adorno een jaar later over in enkele interviews. Adorno was van mening dat de studentenbeweging de complexiteit van de machtsverhoudingen in de laatkapitalistische samenleving onderschatte. Hij beschouwde het activisme van de linkse studenten als oppervlakkig en in zekere zin meer als een symptoom dan als een doorbreking van de bestaande maatschappelijke tegenstellingen. Deze stellingname leidde ook tot een verwijdering tussen Adorno en zijn (voormalige) collega Herbert Marcuse, die ondubbelzinnig de zijde van de studenten koos. De leiders van het studentenverzet verweten Adorno dat hij zich had teruggetrokken in het bolwerk van zijn ‘kritische theorie’ en dat hij niet bereid was zijn theoretische inzichten in de maatschappelijke praktijk te verwerkelijken.
Het is moeilijk uit te maken wie in deze strijd van opvattingen het gelijk aan zijn zijde had. In ieder geval kunnen wij nu, bijna een halve eeuw later, vaststellen dat wellicht toen reeds de basis is gelegd voor het verval van het linkse denken waarvan wij thans getuige zijn. Daarbij is de aanduiding ‘het linkse denken’ natuurlijk een onmogelijke abstractie, er bestaat immers een veelheid van linkse stromingen en opvattingen. Tegelijk lijkt het erop dat bepaalde politieke vraagstukken toch altijd weer op een klassieke wijze tussen rechts en links worden verdeeld, zoals bijvoorbeeld sociale rechtvaardigheid, milieu of vreemdelingenbeleid.
Superioriteit
Met het verval van het linkse denken bedoel ik dat links zich in de tweede helft van de vorige eeuw steeds meer is gaan wentelen in een moreel superioriteitsgevoel ten opzichte van rechts. De eigen opvattingen werden steeds weer geplaatst tegenover de immoraliteit van rechts, dat slechts op macht, zelfverrijking en eigenbelang uit zou zijn. Kansarmen in de samenleving, het milieu en de vreemdeling werden als de slachtoffers van dit morele onrecht beschouwd en moesten daartegen beschermd worden. Door rechts immoreel te verklaren, plaatste links de eigen opvattingen buiten discussie. Zo was het in linkse kring bijvoorbeeld lange tijd not-done om over het misbruik van sociale voorzieningen te spreken en werden de reële problemen rond het vreemdelingenvraagstuk in achterstandswijken onbespreekbaar. Tegelijk werden linkse acties aan morele kritiek onttrokken. Linkse dictaturen werden soms verontschuldigd en gewelddadige acties werden gerechtvaardigd op grond van het onrecht dat zij bestreden.
Daarbij komt nog dat de directe link tussen linkse standpunten en maatschappelijke achterstelling meer en meer is gaan verdwijnen. Dat is heel zichtbaar bij GroenLinks: veel mensen die GroenLinks stemmen zijn hoogopgeleid en verdienen goede salarissen. Allen zijn ze voor milieuvriendelijk beleid, maar tegelijk zijn het vaak geëmancipeerde individualisten met twee auto’s voor de deur, een vaatwasmachine en een droogautomaat, wegwerpluiers voor hun kinderen en twee vuilniszakken per week. Dit roept onvermijdelijk de vraag op naar het karakter van hun engagement met maatschappelijke misstanden en het milieu. In zo’n situatie dreigen linkse standpunten tot een politiek correct imago te worden, dat met werkelijke betrokkenheid tot reële maatschappelijke vraagstukken weinig meer te maken heeft. Waar dit gebeurt verwordt het linkse, kritische denken tot de ideologie van een bepaalde klasse, zeg maar de relatief hoogopgeleide, dikwijls in de non-profit-sector werkzame mensen uit onze samenleving.
Pessimisme
Tegen de achtergrond van dit verval van het linkse denken is het interessant te kijken welke betekenis het denken van Adorno voor onze tijd kan hebben. Men moet niet bij Adorno te rade gaan voor optimistische toekomstbeelden: hij was een pessimistisch denker. Voor mij is de actuele betekenis van Adorno echter met dat pessimisme verbonden. Wij leven immers in een tijd waarin het als onwellevend wordt beschouwd negatief-kritisch te zijn. Dit is een tijd van het positieve denken. Nu zijn er goede redenen om daarin mee te gaan en het pessimisme van cultuurcritici als Adorno af te wijzen. Aan hun pessimistische manier van kijken naar de wereld kleeft inderdaad vaak iets slachtofferigs en een zekere betweterigheid. De pessimist weet altijd al dat het fout zal gaan en heeft dat ook altijd al gezegd. Trekken die ook het denken van Adorno niet geheel vreemd zijn.
Tegelijk heeft het positieve denken iets enorm oppervlakkigs. Positief denken kan een uitdrukking zijn van de weigering om de werkelijkheid onder ogen te zien en kritisch te analyseren. De claim om positief te denken kan de intentie hebben om de realiteit van het negatieve te ontkennen.
Dit positieve denken komt men bij rechts volop tegen. Zeker in de jaren ’90 leken de bomen tot in de hemel te groeien. Zelfs de ‘kleine man’ ging beleggen en er werden ‘winstverdubbelaars’ aangeboden waarbij men voor geleend geld kon beleggen in de verwachting van woekerwinsten. Het thema milieu raakte uit de populariteit, het openbaar vervoer prijsde zich uit de markt en de automobiliteit werd maatgevend. En waren verhalen over zure regen en het broeikaseffect niet schromelijk overdreven?
Men kan zich afvragen in hoeverre links hier in meeging. Mensen werden lid van Greenpeace, maar hielden er tegelijk een consumentistische levensstijl op na. Economische groei en milieu leken eindelijk verenigbaar. Emancipatie van de vrouw leidde wel tot economische onafhankelijkheid van vrouwen (tweeverdieners), maar veel minder tot een toename van aandeel van mannen in zorgtaken. Vreemdelingen en asielzoekers werden vertroeteld, maar niemand wilde zelf de lasten van immigratie dragen. En met betrekking tot de persoonlijke levenssfeer was in linkse kringen een uitgesproken libertijns ethos dominant: wat een wethouder in zijn vrije tijd doet, moet hij zelf weten. Persoonlijke aanspreekbaarheid en pleidooien voor burgerschap stonden niet hoog aangeschreven. Men kan zich afvragen of links langzamerhand nog voor iets anders staat dan dat de overheid het moet oplossen?
Fortuyn
Toen kwam de omslag in de tijdgeest. Het optreden van Pim Fortuyn had een enorme impact. Waar rechtse praat tot dan toe het domein was van anti-intellectuelen als Janmaat, bleek Fortuyn soortgelijke dingen te zeggen op een even intellectuele manier als men van links gewend was. Dit heeft tot een politieke aardverschuiving geleid. Pim Fortuyn durfde hardop te zeggen wat velen allang dachten maar in het politiek correcte milieu van de openbaarheid niet meer durfden uit te spreken.
In de politieke constellatie van na Fortuyn heeft men vervolgens wel op een heel drastische wijze afscheid genomen van de achterliggende problemen. Men heeft ze niet opgelost, maar ontkent domweg hun bestaan. Wat multicultureel drama? Laat die buitenlanders zich toch gewoon aanpassen aan onze normen en waarden. Wat milieuprobleem? Gaswinning op de wadden, wegenaanleg om filevorming te voorkomen en uitbreiding van Schiphol: het levert geld op en is dus goed voor het milieu. Zo simpel is politiek geworden sinds met Pim Fortuyn de windrichting is veranderd. De politieke omslag heeft de holheid van het tot politieke correctheid verworden linkse denken aan het licht gebracht, maar heeft er weinig voor in de plaats gesteld.
De actualiteit van Adorno ligt hierin, dat zijn denken duidelijk maakt hoe noodzakelijk, maar ook hoe moeilijk het is om kritisch te zijn. Hoe noodzakelijk, maar ook hoe moeilijk het is om als mondige burger te leven. Of, om het in overeenstemming met de tijdgeest wat positiever te zeggen: Adorno maakt duidelijk dat mondigheid en verantwoordelijkheid onderhoud en inspanning vragen. Kritisch denken maakt dikwijls eenzaam.
Als Adorno’s pessimisme ergens in bewaarheid is, dan wel in zijn vrees dat onze laatkapitalistische samenleving leidt tot een massale oppervlakkigheid en onverschilligheid. De tijdgeest vraagt niet meer om diepgang, maar om onkritische aanpassing aan wat de maatschappelijke realiteit genoemd wordt.
Deze situatie stelt hernieuwde uitdagingen aan mensen die kritisch zijn. Zij kunnen zich niet meer terugtrekken in hun eigen superieure en zelfgenoegzame gelijk. Zij zullen zichtbaar moeten maken dat hun bezorgdheid rond vraagstukken als sociale gerechtigheid, milieu, rechtvaardige economische verhoudingen, vrede en veiligheid een oprechte bezorgdheid is die voortkomt uit een waarachtige solidariteit en een toereikende analyse van de problemen en hun achtergronden.
Opvoeding
Op de dag van zijn begrafenis, 13 augustus 1969, zond de Hessische Rundfunk een eerder opgenomen gesprek uit met Adorno, onder de titel: ‘Erziehung zur Mündigkeit’ (afgedrukt in een gelijknamig boekje, dat in 1971 in Nederlandse vertaling verscheen: ‘Opvoeding tot mondigheid’). Uit de bijdrage van Adorno wordt duidelijk hoezeer voor hem autonomie of mondigheid iets is wat gevormd moet worden. Mondigheid komt mensen niet aanwaaien en het is zeker iets anders dan ‘grote mondigheid’ (term van pedagoog Micha de Winter), waarin het tegenwoordig vertaald lijkt te zijn. Nee, mondigheid heeft veeleer te maken met normen en waarden, maar dan niet in de vrij clichématige betekenis waarin deze begrippen thans worden gebruikt. Niet de normen en waarden van het fatsoen, hoewel die er niet buiten staan, maar vooral de normen en waarden die voortvloeien uit doordachte en verantwoorde concepten van ‘het goede leven’.
Wij hebben in onze tijd – zeker als het gaat om de discussie rond normen en waarden – te maken met een herleving van het conservatisme. Het is goed om dit verschijnsel op een genuanceerde wijze te beoordelen. Want een pleidooi voor mondigheid heeft in deze tijd bepaald conservatieve trekken. Het verhoudt zich mijns inziens slecht tot het libertijnse ethos dat voor veel linkse mensen kenmerkend is. Een concept als mondigheid kan niet zonder de erkenning van de waarde van het gezin, van een richtinggevende opvoeding, van de autoriteit van de opvoeder en van burgerschapsvorming. En zijn dit niet waarden die de afgelopen decennia juist door de libertijnse houding van de intellectuele bovenlaag zijn ondermijnd?
Opmerkelijk zijn de door Adorno uitgesproken slotwoorden van het radiogesprek: “In de ijver van de veranderingsgezindheid wordt al te gemakkelijk verdrongen dat pogingen om in een bepaald bereik van onze wereld werkelijk ingrijpende veranderingen tot stand te brengen, direct blootstaan aan de overweldigende kracht van het bestaande en tot onmacht veroordeeld lijken te zijn. Wie verandering voorstaat, kan die waarschijnlijk alleen maar bereiken, wanneer hij deze onmacht zelf en de eigen onmacht tot een moment maakt van datgene wat hij denkt en doet”. Anders gezegd: de waarlijk mondige burger is in staat om met tegenslagen en tegenstrijdigheden om te gaan en deze ‘uit te houden’.
Adorno’s actuele betekenis is dat hij tegenover de oppervlakkigheid van het positieve denken de onmiskenbare waarde van het negatieve denken benadrukt. Zoals Wilhelm Schmid in zijn boek Filosofie van de levenskunst (Ambo, 2000) schrijft: “Negatief denken komt niet voort uit een berustende houding, maar uit reserve tegenover alles wat zich zo opvallend positief voordoet en de indruk wekt dat niets de definitieve overwinning van het goede nog in de weg staat” (p.94). Negatief denken is met andere woorden niet kenmerkend voor mensen die ‘het feestje willen bederven’, maar voor mensen die zich verzetten tegen het opgeklopte sfeertje waarbij iedereen de kop in het zand steekt voor de serieuze maatschappelijke problemen.
Jan Hoogland is beleidsmedewerker bij Stichting Philadelphia Zorg en bijzonder hoogleraar reformatorische wijsbegeerte in Twente; in 1992 promoveerde op het proefschrift Autonomie en Antinomie – Adorno’s ambivalente verhouding tot de metafysica.
De Helling 2004/3