door Marja Vuijsje
Wat is een echte Amerikaan? De woordenstroom van de man die op het terras van de Starbucks door een fiks aantal passanten met een enthousiast ‘High professor!’ wordt gegroet, valt even stil als die vraag ter tafel komt. Toch heeft hij zichzelf zojuist geafficheerd als ‘Real American’. Nippend van zijn frozen cappuccino heeft hij uitgelegd waarom hij de oorlog tegen Irak verfoeit. De miljarden die nu worden uitgegeven aan wat zich volgens hem heeft ontwikkeld tot ‘een nieuw Vietnam’ zou hij liever besteed zien aan gezondheidszorg en onderwijs voor de talrijke benedenmodalen in zijn land. Bovendien ziet hij met lede ogen aan welke repercussies de binnenlandse strijd tegen het terrorisme heeft voor voorbeeldige moslims die er ook graag bij willen horen. In zijn kennissenkring beluistert hij regelmatig hoe migranten van moslimhuize met allerlei obstakels worden geconfronteerd als ze hun verblijfsvergunning willen verlengen of willen opgaan voor het examen Amerikaans staatsburger. On-Amerikaans noemde hij dat. Het grote Amerika zou volgens hem juist in oorlogstijd moeten bewijzen onbevooroordeeld te staan ten opzichte van mensen die mee komen bouwen aan een nog groter Amerika.
De professor is niet de eerste die zijn argumenten kracht bijzet met een verwijzing naar de ware Amerikaanse inborst. In politieke discussies schermen zowel voor- als tegenstanders van Bush’s manier van oorlog voeren tegen het terrorisme met het predikaat ‘Real American’. Tegenover het patriottisme van de Bush-aanhangers die als één man achter hun president staan, is er het vaandelvertoon van Amerikanen die de nationalistische kaart trekken om hun anti-Bush mening extra power te geven. Over en weer wordt er geroepen dat de andere partij verraad pleegt aan de grondslagen waarop Amerika is gebouwd. In beide groepen worden the stars and stripes gekoesterd op een wijze die wij in Nederland voornamelijk kennen van de oude televisiespotjes van de Centrumpartij. Demonstraties van anti-Bush-activisten worden net zo vrolijk opgeluisterd door een zee van Amerikaanse vlaggetjes als bijeenkomsten van rechtse Vietnam-veteranen die willen voorkomen dat Kerry de vierenveertigste president van The States wordt.
De professor – die geschiedenis doceert aan de Universiteit van Washington – begrijpt wel dat Europeanen het moeilijk kunnen hebben met het Amerikaanse nationalisme. “Jullie associëren dat met racistische bewegingen die er bloed-en-bodem-theorieën op na houden. Hier werkt het juist als bindmiddel. Van de nazaten van Britten, Nederlanders, Italianen, Oost-Europeanen en zwarte negerslaven die hier eeuwenlang geworteld zijn tot en met Latijns-Amerikanen, Afrikanen, Arabieren en Aziaten die nog niet zo lang geleden Amerikaan werden; allemaal voelen ze zich onderdeel van de Amerikaanse natie. Racisme heb je hier natuurlijk ook, maar de officiële patriottische retoriek is juist vergeven van de verwijzingen naar de veelkleurigheid van dit land.”
De professor zelf groeide op in Eritrea. Als jongeling beproefde hij zijn geluk in het Parijs van de jaren tachtig. Daar beleefde hij de opmars van het Front National. Toen hij een paar keer fysiek was bedreigd door Le Pen-aanhangers en er bovendien achter kwam dat je het als zwarte migrant wel kon vergeten in het academische milieu van de Franse hoofdstad pakte hij zijn biezen en stak de Atlantische Oceaan over. “In Washington voelde ik mij meteen thuis,” zegt hij. “Hier werd ik veel minder vastgepind op mijn afkomst en toen ik Amerikaan werd, voelde ik mij echt opgenomen. Ik geloof wel dat ik wat vaker dan een paar jaar geleden zeg dat ik Real American ben. Je kunt het zien als een poging om met mijn opvattingen voor vol te worden aangezien. Maar ik meen het wel.”
Marja Vuijsje is freelancejournalist
De Helling 2004/3