de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Litouwse magie

door Johan Snel

Toen de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld anderhalf jaar geleden stelde dat ‘het nieuwe Europa’ de Amerikaanse oorlogspolitiek door dik en dun steunt, dacht hij ongetwijfeld aan de nieuwe NAVO-landen in het oosten. Ook in Nederland refereren mensen graag aan de ‘nieuwe’ landen van Europa. Heel wat zondagse daluren op tv zijn al gevuld met reportages uit dat nieuwe Europa en de ‘nieuwe hoofdsteden’.

Wie wel eens in Litouwen komt, zal het moeilijk hebben met zoveel veronderstelde nieuwigheid. Als één ding meteen wel blijft hangen bij de meest zuidelijke Baltische staat, dan is het juist de associatie met het verleden. Met middeleeuwse steden en kruisvaardersburchten, met veel mythologie en folklore en met een gecompliceerde, niet meteen te plaatsen geschiedenis. In steden als Vilnius en Kaunas hangt die geest bijna tastbaar in de straten. De band met het eigen verleden zou wel eens een van dé karakteristieken van de Litouwse cultuur kunnen zijn. Niet voor niets is Trakai, een middeleeuwse kasteel-op-een-eilandje in een van de merengebieden, zo’n beetje het nationale symbool.
Het verleden is nooit ver weg, in Litouwen. Maar dan heb je het over een soort geschiedenis dat voor de doorsnee Nederlander een beetje vreemd is en niet per se lekker smaakt. Tenminste, op het eerste gezicht. En vooral: van buitenaf. Argwaan komt dan al gauw om de hoek kijken: zouden die melancholische Litouwers iets met nationalisme hebben? En hoe zat het ook al weer met de joden in de laatste wereldoorlog?
Onbekend maakt onbemind, luidt een cliché. Alleen de totale onbekendheid kan helpen verklaren waarom Litouwen zo onontdekt is door toeristen. Want al jaren heeft het land, met bijna de omvang van de Benelux, zo’n beetje alles te bieden wat een cultuurliefhebber zou kunnen wensen. Een fraaie natuur, veel historische bezienswaardigheden en nog meer culturele eigenzinnigheid. Die Litouwse cultuur is het onderwerp van dit stukje, maar leg die maar eens uit aan de lezer. Estland en Letland, dat lukt wel. Want dat zijn typische Oostzee-landen: een beetje Hanze, een beetje Scandinavië, en daarnaast nog best veel eigens. Maar voor Litouwen heb je nauwelijks aanknopingspunten. Ja, het is de meest noordelijke uitloper van een soort Midden-Europa dat ergens begint in Transsylvanië en eindigt in de Letse provincie Latgallen. Maar nee, het heeft ook zoveel vreemds dat je daarmee nog niet veel verder komt.

Een van de mooiste verborgen plekjes van Vilnius ligt een paar meter onder straatniveau. Het zijn de ontoegankelijke kelders onder de kathedraal die het centrum is van een stad waarvandaan ooit (dan heb je het over de late middeleeuwen) de heersers een vorstendom leidden dat reikte tot aan de Zwarte Zee. Een bijzondere kant van het Litouwse verleden kun je met je eigen ogen in die kelderruimten zien. Daar liggen namelijk de restanten van de kerk die de enige echte Litouwse koning, Mindaugas, in 1253 liet bouwen. Hij liet zich dopen, voor de gelegenheid, en de paus schonk hem een koningskroon. Maar al een paar jaar later ging het dak van de kerk er weer af en de heidense offerrituelen werden in volle glorie hersteld, zo’n beetje tot het einde van de middeleeuwen. En ook die intrigerende cultusplaatsen, opgegraven in de jaren dertig, zie je daar liggen. Waar vind je dat verder in Europa? Het meest uitgestrekte rijk van de hoogchristelijke middeleeuwen was dus, enig en uniek, weerbarstig heidens. Ze heersten over uitgebreide gebieden met christelijke onderdanen, maar zelf waren de laatste heidenen van Europa de Litouwers van toen.

Zijn de Litouwers van nu veel anders? Ook dan stuit je op een cliché waar je niet omheen kan: de magie. Vanaf de contrareformatie is Vilnius gedomineerd door de jezuïeten, die er een van dé baroksteden van (Noord-)Europa van hebben gemaakt. Maar ook de moderne Litouwse cultuur is nog steeds zwanger van andere, oudere geesten. Er is altijd een sterke neiging tot modernisme geweest in het Litouwse culturele leven, al sinds het begin van de vorige eeuw. En inmiddels is er alweer veel postmodernisme bijgekomen. Maar ook al die moderne kunst is niet te vatten zonder je te beroepen op de magie van het verleden, de eigen Litouwse mythologie waarmee alles doordrenkt lijkt.
Bij een wandeling langs de galeries van Vilnius, een theaterbezoek (en er is veel theater in Vilnius), of gewoon in een van de net-iets-minder trendy cafés waar je de dichters en de drinkers tegenkomt: altijd stuit je op datzelfde typisch Litouwse mengsel van melancholie en magie. Hèt voorbeeld daarvan is natuurlijk de nationale schilder en componist Mikalojus Ciurlionis. Zijn mythologische doeken zorgden een eeuw geleden al voor een sensatie. Veel van zijn werk hangt in een museum in Kaunas. Films zijn een ander tastbaar voorbeeld, zoals die van Sarunas Bartas, die wel eens draaien op het Filmfestival Rotterdam. En zelfs de geestelijk vader van de kunststroming Fluxus in de jaren zestig, de Amerikaan George Maciunas, ga je plotseling begrijpen wanneer je weet dat hij van geboorte een Litouwer was (een van die honderdduizenden ballingen waarvan er altijd wel een paar in het Amerikaanse congres zitten).
De liefhebbers van het Ierse Keltendom krijgen er een zware concurrent bij in het Europa van de 21ste eeuw, want de Litouwse cultuur heeft zo’n beetje alles wat nu nog exclusief met Ierland wordt verbonden. Sterker nog: geen ander Europees land doet zoveel aan Ierland denken, en het is ook nog eens exact even groot met bijna evenveel inwoners (3,6 miljoen).

Frank Zappa zou zich hier thuis voelen. In Vilnius heeft hij daarom een bronzen standbeeld, bijna zo groot als dat van legendarische middeleeuwers als Gediminas. Josef Brodsky voelde zich hier zeker thuis. Want die kwam hier vaak, in een blauw pand dat je kunt vinden als je goed de weg weet. (Een eeuw eerder woonde Poesjkin hier al, maar om zijn villa te vinden moet je nog beter de weg kennen.)
Wie Litouwen wil leren kennen moet de boeken lezen van een andere Nobelprijswinnaar, de Pool Czeslaw Milosz, in augustus op 93 jarige leeftijd overleden. Hij is in Litouwen geboren en zijn werk is nog steeds het beste wat er over dit land bestaat. Wil je meer begrijpen van al die stugge bewoners die al eeuwenlang de streken rond Vilnius bevolken – Litouwers, Polen, Wit-Russen, maar ook joden, Tataren en een volkje dat Turks spreekt en een soort joodse godsdienst aanhangt, de Karaïem – dan moet je bij hem wezen. In het Nederlands vertaald is de roman Het dal van de Issa (1981). Over de Litouwse last van het verleden en zelfs het lot van de joden die hier ooit hun Europese `Jeruzalem’ hadden, weet niemand zoveel te vertellen als hij. Totdat ook de overige Litouwse literatuur in meer toegankelijke talen vertaald gaat worden, maar dat duurt misschien nog even.

Johan Snel is docent journalistiek en freelance programmamaker

De Helling 2004/4


Inhoud 2004/4