door Liesbeth Noordegraaf-Ellens
Twee programmamakers over nieuws op televisie voor kinderen
We leven in een mediacratie wordt wel eens beweerd. De twee recentste verkiezingen hebben laten zien hoe politieke debatten in de media worden uitgevochten, the medium is the message. Politici worden vergeleken met popidolen en kunnen niet meer over straat lopen zonder dat ze om een handtekening worden gevraagd. De eerste politieke moord van deze eeuw is gepleegd in het mediapark, bij de tweede was een cineast het slachtoffer. Wouter Bos mocht een TMF Award uitreiken en wellicht hangt er in menig meisjeskamer een mooie poster van Femke naast die van Britney Spears. Allemaal dankzij de media, allemaal door de media, het draait allemaal om de media.
Misschien is het overdreven om de wereld zo te presenteren, maar een ding lijkt onomstreden: de jongeren van vandaag zijn meer gemedialiseerd dan de generaties voor hen. De media geeft hen een blik op de wereld, zoveel is duidelijk. Maar wat voor blik is dat? Om daar zicht op te krijgen trokken we op een regenachtige dag naar Hilversum. We wilden graag weten welke rol programmamakers zichzelf toedichten bij het overbrengen van nieuws aan een jeugdig publiek. Hoe zetten zij de jonge kijkers aan het denken?
We spraken daarover met Leontine Van Dijk en Rob van Trier. Eerstgenoemde heeft drie jaar lang bij het Schooltv-weekjournaal gewerkt, dat elke vrijdag uitgezonden wordt van 11.00 tot 11.30 bij Z@ppelin op Nederland 3. Zij was onder andere betrokken bij de verslaggeving van de Irak-oorlog. Nu werkt ze op de (jonge) redactie van het EO-programma Blinq, een programma met (kinder)gasten, reportages en moeilijke opdrachten. Blinq wil brengen ‘wat kinderen bezighoudt’. Het is dagelijks op Nederland 3 te zien om 16.40 uur. Rob van Trier is eindredacteur bij het Jeugdjournaal dat elke dag om 18.45 uur op Nederland 3 wordt uitgezonden.
Met welk doel wordt het programma gemaakt?
Van Dijk: “Het Schooltv-weekjournaal is van Teleac en Teleac heeft een missie: educatie. Het Weekjournaal wordt op scholen klassikaal bekeken als onderdeel van de les. Dat biedt ruimte om kinderen aan te zetten tot nadenken. Blinq daarentegen moet ’s middags opboksen tegen de commerciëlen, tegen Foxkids dat onwijs populair is. Vergeleken met het Weekjournaal is Blinq ‘plat amusement’, anders zappen kinderen meteen weg. Maar het is niet zonder inhoud. De gesprekjes met kinderen gaan over scheidingen of schoolproblemen enzovoort.” Blinq besteedde bijvoorbeeld aandacht aan de nieuwe Bijbelvertaling en koppelde daaraan de verkiezing van het ‘Coolste Bijbelverhaal’ (winnaar: het verhaal van Simson en Delila). “Het programma is nieuw en moet nog een publiek winnen. Er zijn nu rond de 70 duizend kijkers, en er wordt gestreefd naar cijfers boven de100 duizend. Kijkcijfers zijn niet allesbepalend overigens. Er is al zoveel onzin op tv, daar mag de publieke omroep en de EO in het bijzonder best wat tegenover plaatsen.”
Van Trier: “Het Jeugdjournaal is geen verplicht programma zoals het Schooltv-weekjournaal. Opvoeding of educatie is voor ons geen doel; ons doel is nieuws brengen en daar trekken we een groot publiek mee. Dagelijks kijken er ongeveer 500 duizend mensen.”
Wat is nieuws voor kinderen?
Van Trier: “Bij het Jeugdjournaal onderscheiden we drie soorten nieuws. Ten eerste het nieuws uit de volwassenwereld: Irak, orkanen, verkiezingen, stakingen. Het zijn gebeurtenissen van die dag waar je niet omheen kan. Hiervan wordt één onderwerp uitgebreid behandeld. Daarnaast is er nieuws – dat is het grootste gedeelte – dat direct aansluit bij het referentiekader van de kijkers: het kindernieuws. Dat is niet per se hard nieuws, het kunnen ook trends zijn. Het gaat over muziek of vrije tijd, bijvoorbeeld over een game-designer. Maar ook over onderwijs of gezondheid, bijvoorbeeld een reportage over de gevolgen van het gezondheidsbeleid van minister Hoogervorst voor de frisdrankautomaten op scholen. De derde categorie is het grappige, verstrooiende nieuws. Een aap die schildert of een man die na zestien jaar zijn gestolen fiets terugkrijgt.”
Van Dijk: “Het Schooltv-weekjournaal is helemaal gebaseerd op het algemene nieuws. Van daaruit kijken we wat belangrijk is voor kinderen. Het nieuws wordt uitgelegd en in een kader geplaatst. Bij kinderen ontbreekt de elders veronderstelde voorkennis. Bij het Palestijns-Israëlisch conflict begin je dan bijvoorbeeld in 1948.”
Moet voor kinderen het nieuws niet van dichtbij komen? Van ‘de straat’ in plaats van ‘de staat’?
Van Dijk: “We hebben een tijdje nieuws van de straat gebracht – een buurt die een nieuwe half-pipe krijgt – maar kinderen bleken dat niet echt interessant te vinden. Als ze nieuws kijken, dan willen ze ook echt nieuws zien. Wat we wel doen is bij de Nationale Postzegelactie op stap gaan met Natascha in Apeldoorn. En Prinsjesdag vertalen met een reportage over de conciërges die scholen kwijtraken.”
Van Trier: “Met de uitbreiding van de EU zijn we met een bus langs de nieuwe landen gegaan. Of dat toch educatie is? Het is achtergrond bij het nieuws. We lieten zien dat bij Poolse kinderen posters van de Paus aan de muur hangen en hoe in Hongarije Roma-kinderen opgroeien.”
Hoe breng je schokkend nieuws aan kinderen?
Van Dijk: “Geen lijken in beeld. Maar moeilijk nieuws mijden we niet, dat hoort erbij. Echt schokkende gebeurtenissen breng je dan vooral met woorden in plaats van met beelden of afgeleide beelden: niet de bominslag maar wel het verwoeste huis. In het geval van 9/11 heeft het Weekjournaal de puinhopen laten zien en verteld dat er veel doden waren, maar niet de vliegtuigen die in de WTC-torens zijn gevlogen. Daarnaast kan het Weekjournaal kinderen ook voorbereiden op ‘schokkend’ nieuws, bijvoorbeeld bij onderwerpen die zich vooraf aankondigen zoals een rechtzaak tegen Dutroux of Milosovic, of de oorlog tegen Irak die een lange aanloop had.”
Het Jeugdjournaal laat wel gewonden zien maar ook geen lijken. Van Trier: “We laten dan het verdriet zien. In het geval van 9/11 hebben wij wel de beelden getoond van de vliegtuigen die in de Twin Towers vlogen. Kinderen zouden die beelden ongetwijfeld op een ander moment te zien krijgen. Daarnaast kan je ook veel ‘slecht’ nieuws overbrengen in woorden in plaats van in beelden.
Hoe weten jullie waar grenzen liggen van wat verantwoord is voor kinderen?
Van Dijk: “Omdat het Schooltv-weekjournaal verplicht is, is dit een belangrijk thema. Een leerkracht moet namelijk ten alle tijden kunnen verantwoorden dat hij of zij de klas laat kijken. De kinderen betrekken het nieuws vaak op zichzelf, dus als er iets gezegd wordt over moslims in het Weekjournaal – wat sinds 9/11 natuurlijk vaak gebeurt – dan moeten we rekening houden met de moslimkinderen die in de klas zitten. In de redactie wordt er dan ook kritisch op gelet of het nieuws aansluit bij het referentiekader van de kinderen. Dit is overigens voor een gedeelte een onbewust proces, redactieleden moeten dit aanvoelen. De redactie krijgt bovendien twee keer per jaar een training die onder andere hierop gericht is. Elk redactielid heeft ook een eigen verantwoordelijkheid. Zelf ben ik christen, dus bij nieuws dat gezien mijn levensovertuiging gevoelig ligt – bijvoorbeeld het conflict tussen Israël en de Palestijnen – vraag ik altijd een collega om raad. Daarnaast worden de programma’s beoordeeld door een schaduwredactie van mensen uit het veld, en gaan de redacteuren twee keer per jaar bij een school op bezoek en reageren de leerkrachten schriftelijk.
Als redactie doe je aan zelfcensuur en ga je aan de veilige kant zitten.
Van Trier: “Ieder nieuws kan in principe gebracht worden, de redactieleden hebben een ‘zesde’ zintuig dat bepaalt hoe het nieuws gebracht wordt. Wat wel en niet voor kinderen geschikt is, dat voelen we gewoon aan, dat is een soort van tweede natuur van alle mensen die hier werken.”
Mag van een uitzending verwacht worden dat zij bijdraagt aan de meningsvorming van de kinderen?
Van Dijk: “Het doel van een uitzending van het Weekjournaal is te informeren en kinderen een referentiekader geven. Op die manier draagt het bij aan meningsvorming. Van de meeste onderwerpen worden de pro’s en de contra’s behandeld zodat de kinderen achteraf beter een afgewogen oordeel kunnen vellen. Over Irak vertellen we dat Bush begint zonder aanleiding, maar ook dat Hoessein een wrede dictator is. Duiding dus. Er wordt discussiestof aangedragen die in de klas besproken kan worden.”
Van Trier: “We bouwen een item niet op met het idee dat kinderen een mening moeten krijgen. Voor of tegen de Irak-oorlog is te ingewikkeld, dan moet je terug naar 9/11, en de massavernietigingswapens, dat is soms teveel uitleg. Andere keren hebben we wel de ruimte in de uitzending om de hele uitleg te geven. Dat neemt niet weg dat het Jeugdjournaal in principe niet is bedoeld voor achtergrondreportages, dat past beter bij het Weekjournaal. We brengen wat feiten, en waar mogelijk prikkelen we tot nadenken. Als plastische chirurgie uit het ziekenfondspakket gaat, vragen we kinderen hoe erg het is dat flaporen niet meer gecorrigeerd kunnen worden.”
Alledrie de programma’s hebben een website met nieuws, oude uitzendingen en dossiers (‘uitleg’) over bepaalde onderwerpen als Irak, de Amerikaanse verkiezingen, en de kinderboekenweek. Uiteraard zijn de websites interactief en kunnen kinderen reageren. Het Jeugdjournaal koppelt aan haar uitzendingen een stelling van de dag. Over de ringtone van je gsm (“met een populaire ringtone ben je cool”) maar ook over meer serieuze kwesties als de genoemde flaporen of het mengen van zwarte en witte scholen. Van Trier: “Deze zomer hadden we een onderwerp over kinderen die van bruggen in het water springen en dat dat gevaarlijk is. Daar hadden we een stelling aan gekoppeld met de vraag of het zin heeft dit met boetes te verbieden of dat kinderen dit zelf moeten kunnen bepalen. Op die stellingen wordt heel veel gereageerd.”
Liesbeth Noordegraag is redacteur van De Helling
De Helling 2004/4