de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Nederland Museumland?

door Sylvester Hoogmoed

De Nederlandse musea hebben hun internationale reputatie verloren. De oorzaak wordt bij de politiek gelegd: een verstikkende bureaucratie die nuttige kunst wil. Hoe verder? Een rondgang langs betrokkenen uit binnen- en buitenland.

Als argeloze buitenstaander zou je bijna gaan denken dat het goed gaat met onze belangrijkste musea voor beeldende kunst. In Amsterdam worden zowel het Stedelijk als het Rijksmuseum ingrijpend verbouwd, en ook elders in het land zijn de afgelopen jaren vele musea in een nieuw jasje gestoken: Boijmans Van Beuningen in Rotterdam, het Eindhovense Van Abbe Museum, het Groninger Museum en het Bonnefanten Museum in Maastricht, om er maar een paar te noemen. In onze taal mag het woord museum weinig dynamische associaties oproepen (‘rijp voor het museum’), gezien alle bouwwerkzaamheden lijkt er nog volop toekomst te zitten in dit instituut.
Maar wanneer je kijkt naar wat er aan exposities in al die sprankelende nieuwe gebouwen te zien is, dan wordt het beeld een stuk somberder. Eind augustus verscheen er een alarmerend bericht op de voorpagina van de Volkskrant. Nederland zou de aansluiting met de internationale kunstwereld volledig zijn kwijtgeraakt. Het ooit zo sterke imago als belangrijk museumland zou zijn verkwanseld in de afgelopen vijftien jaar. Dit artikel was geschreven door kunstcriticus Rutger Pontzen. “De aanleiding was een interview dat ik drie weken daarvoor had met Gitta Luiten, directeur van de Mondriaan Stichting, een fonds voor beeldende kunst en musea. Zij zei dat de Nederlandse kunstwereld internationaal de boot had gemist, geen aansluiting meer had. Dat was voor mij reden om een aantal gezaghebbende buitenlandse museumdirecteurs en tentoonstellingenmakers te vragen of ze het daarmee eens waren: Harald Szeeman, grand old man van de internationale kunst, Kasper König, Jérôme Sans en Bart de Baere. Zij bleken eigenlijk allemaal dezelfde kritiek te hebben – wat ik van tevoren niet wist. Er is hier geen goed museumbeleid. Het is nooit meer: dáár moet je naartoe, dat mág je niet missen! Wat er in Nederland gebeurt, is volgens hen niet baanbrekend; ze zien Nederland niet meer als ijkpunt, terwijl dat in de jaren zestig, zeventig en tachtig nog wel zo was. En allemaal zijn ze het erover eens dat het aan de kunstenaars niet ligt, die zijn goed.” Twee dagen na dit artikel wijdde de Volkskrant een hoofdredactioneel commentaar aan de kwestie, waarin als oorzaak voor het isolement van de Nederlandse musea de beklemmende omhelzing van de kunsten door de politiek werd genoemd: “De politiek die haar agenda aan de kunst wil opdringen, de kunst die zich op haar beurt volledig afhankelijk maakt van subsidies.”
Hans Maarten van den Brink, sinds deze zomer waarnemend directeur van het centrum voor hedendaagse kunst Witte de With in Rotterdam, trekt de representativiteit van de door Pontzen geïnterviewden (“het oude oorlogspaard Szeeman”) enigszins in twijfel, maar ook hij voelt zich allerminst prettig bij het huidige museumklimaat in Nederland. Van den Brink, die pas een half jaar professioneel betrokken is bij het tonen van beeldende kunst en zichzelf nog als een relatieve buitenstaander beschouwt, is verbaasd over alle eisen waaraan musea tegenwoordig tegelijk moeten voldoen.

Eten en drinken
“Loungen, onderwijzen, eten en drinken, de sociale cohesie bevorderen, sponsors tevreden stellen, minderheden en jongeren aantrekken, debatteren, comtempleren, conserveren, het allernieuwste tonen, publiceren en dan ook nog de kwaliteit bewaken. Dat alles bovendien met ieder jaar een beetje minder geld. We hebben een heel onrustig klimaat. Dat uit zich er bijvoorbeeld in dat iedere nieuwe bewindspersoon altijd begint met de vraag te stellen: waarom zouden we eigenlijk cultuur moeten subsidiëren? Dat kent men in het buitenland niet. Daar wordt wel eens van richting veranderd in het beleid, maar het antwoord op de vraag: ‘Waarom zouden we het eigenlijk financieren?’, is vanzelfsprekend: het hoort bij de taken van de overheid om een nationale en internationale cultuur te ondersteunen. Bij ons is dat niet vanzelfsprekend.”
“De politiek geeft hier ook iedere keer een ander antwoord op die ‘zijnsvraag’: voor het bevorderen van de economie, voor de integratie van minderheden, voor de verheffing van het volk… En elk antwoord leidt dan telkens tot een nieuw setje eisen, waar iedereen in een nieuwe subsidieaanvraag dan weer naartoe schrijft. Dan gaat iedereen bijvoorbeeld ineens aan minderheden doen, ook instellingen waarvan je denkt: zijn die daar wel geschikt voor? Of iedereen moet bewijzen dat er genoeg aan educatie wordt gedaan. Daarna heeft dat ineens weer minder prioriteit en verdwijnt het weer. Als je veel van die subsidieaanvragen achter elkaar leest, dan heeft dat iets ontluisterends.”
Van den Brink, die naast zijn functie in Rotterdam ook lid is van de Amsterdamse Kunstraad en diverse andere gremia in het Nederlandse kunstwereldje, wijt de problemen vooral ook aan de Polderachtige wijze waarop het museumbeleid hier tot stand komt. “De suggestie bestaat dat we het via raden en commissies helemaal uitgebalanceerd hebben. Maar ondertussen wordt er natuurlijk wel degelijk gestuurd, alleen verhuld. Ik zou liever mensen met gezichten hebben die beslissingen nemen en op wie je boos kunt zijn. In dat hele middenveld in de kunsten gaat zoveel energie en talent verloren. Er gaat zoveel energie zitten in het schrijven van al die plannen, in het uitleggen en beoordelen daarvan en het in beroep gaan daartegen.”

Gymzalen
“Ik ben geneigd om te zeggen: maak stevige keuzes! Dat betekent dat er ook mensen teleurgesteld zijn. Kunst is niet democratisch, echt niet.” Als directeur van het Witte de With heeft Van den Brink momenteel te maken met een gemeenteraad waarin Sjef Siemons, lid van Leefbaar Rotterdam, voorzitter is van de Commissie Sport en Cultuur. Niet direct een partij voor verfijnde cultuurminnaars, zou je zeggen. Maar de situatie is Van den Brink het eerste halfjaar van zijn directeurschap goed bevallen. “Rotterdam heeft een heel overzichtelijk en prettig werkklimaat. Als je de wethouder wilt spreken krijg je hem te spreken en hetzelfde geldt voor de gevreesde Siemons; dat is niet iemand die zich verschuilt achter wollig taalgebruik. Een ander gemeenteraadslid van Leefbaar Rotterdam zei in de Commissie Sport en Cultuur: ‘Het is natuurlijk duidelijk dat een volwassen stad niet zonder volwassen cultuur kan, daarom bezuinigen wij niet op de kunst.’ Een interessant begin! Het is afwachten wat er over twee jaar gebeurt, want het Rotterdamse college heeft wel besloten om te bezuinigen op alle gesubsidieerde instellingen, inclusief de kunst, maar de PvdA in Amsterdam hoor ik zoiets niet zeggen. Daar krijg je geen greep op wat er gebeurt.”
Ook Volkskrant-criticus Pontzen pleit voor een meer kloeke besluitvorming, hoewel hij er weinig fiducie in heeft dat dit in de gemeentepolitiek mogelijk is. “Waar het om gaat is dat een museumleiding zo dictatoriaal mogelijk ergens voor staat: dit doen we, dit is onze visie! Mensen die weten waar ze het over hebben. Gemeentebestuurders in Nederland hebben doorgaans zo’n visie niet, maar ze bemoeien zich er wel mee! In Amsterdam is veertien jaar gepraat over hoeveel geld er naar het Stedelijk moet; hetzelfde geldt voor het Boijmans Van Beuningen en het Van Abbe: steeds een hoop gesoebat over geld. Het omgekeerde zie je bij het Bonnefanten Museum in Maastricht: niemand weet waarom dat kolossale nieuwe gebouw er staat, of wat men ermee moet. Een museumgebouw neerzetten zonder te weten hoe het gerund moet worden, dat is totaal de omgekeerde wereld. Dan heb je dus als gemeente geen idee. Mensen die in de gemeentepolitiek zitten, met alle respect, ze weten veel over gymnastiekzalen, maar een museum met internationale allure uitbaten, dat kunnen ze niet.”

Volkswagen
Dat er in Nederland nauwelijks meer sprankelende exposities te zien zijn, ligt niet aan de kunstwerken die hier gemaakt worden. Die doen het in de internationale kunstwereld nog altijd prima, daarover zijn alle geïnterviewden het wel eens. Nee, het probleem wordt gezocht in het overheidsbeleid, het subsidiestelsel en het bureaucratische cultuurtje dat daaruit voortvloeit. Niet direct een ideale habitat voor artistiek bevlogen museumdirecteuren. Dat de voortdurende bezuinigingsdruk musea dwingt tot het aanboren van andere financieringsbronnen zou daarom wel eens een blessing in disguise kunnen zijn. Musea worden hierdoor immers minder afhankelijk van het verfoeide overheidsbeleid. Sponsoring wordt voor musea een steeds belangrijkere inkomstenbron. Gijs van Tuyl, vanaf begin volgend jaar de nieuwe directeur van het Stedelijk, heeft hier veel ervaring mee. Hij is sinds 1992 directeur van het Kunstmuseum Wolfsburg, in het Duitse Neder-Saksen. Dit museum wordt via een stichting volledig gefinancierd uit de erfenis van een aan Volkswagen gelieerde rijke weduwe, aangevuld met sponsorgeld van het autoconcern zelf, een bedrijf dat het stadje Wolfsburg volledig domineert. Deze constructie is Van Tuyl heel goed bevallen. "Er zijn nooit problemen geweest. De mensen waarmee ik te maken kreeg hadden een hele liberale houding, die ik de politici in Nederland ook toewens. Mensen met een wijde blik, die me hebben vertrouwd.
“Nee, we hebben hier nooit auto's tentoongesteld, zelfs geen afbeeldingen met auto's erop. Er zijn natuurlijk wel gevaren aan sponsoring.” Van Tuyl verwacht dat ook het Stedelijk steeds meer afhankelijk wordt van private middelen en waarschuwt voor het gevaar dat de overheid daardoor haar financiële verplichtingen niet langer zal nakomen. "Het Stedelijk wordt geprivatiseerd, er is een business club en een stichting die fondsen werft, de voorzitter komt uit het bedrijfsleven… Het gaat terug naar waar het vandaan komt: het privé-initiatief. De cirkel is rond."
Ook Rutger Pontzen wijst er op dat de overheid vaak pas na verloop van tijd haar intrede deed in museumland. “Heel vaak waren het in eerste instantie burgerinitiatieven: het Stedelijk, Boijmans Van Beuningen, Van Abbe, noem maar op. Na verloop van tijd zijn die overgenomen door de stad, omdat de kosten blijkbaar te hoog werden voor de burgers en de stad er baat bij had dat een eenmaal opgericht museum bleef bestaan. Vervolgens is een soort vanzelfsprekendheid ontstaan. Musea gingen achterover leunen. Voor een aparte tentoonstelling wilde men wel eens een sponsor zoeken, maar een structurele onderbouwing van de begroting middels externe financiering: sponsoren, donoren, banken en andere instellingen, dat is nooit zo noodzakelijk geweest. Musea hebben heel lang op één paard gewed en dat paard begint nu eisen te stellen en nukkig te doen. Je krijgt daardoor echt hele andere musea, het eigengereide en tegendraadse van een Sandberg, Fuchs of Haks zie je steeds minder. Het is op alle fronten een passieve houding: ‘we doen het maar zo’n beetje zoals het altijd gegaan is en dan komt het wel goed’. Dat is niet meer vol te houden. Ik vind niet dat je helemaal van de overheid afmoet, maar je moet wel de burgerij erbij halen, de rijke mensen.”

Champagne
Hoe desastreus het subsidiestelsel en de bijbehorende bureaucratische cultuur ook uitwerken, alle geïnterviewden haasten zich te benadrukken dat de overheid zich beslist níet moet terugtrekken uit de museumsector. Ook Mark Jones, directeur van het ‘V&A’ (Victoria and Albert Museum) in London, het grootste museum voor decoratieve kunsten ter wereld. Jarenlang had het V&A een duf imago door warrige en ouderwets gepresenteerde tentoonstellingen. Maar sinds de huidige directeur in 2000 zijn intrede deed, gaat het stukken beter met het V&A. Onder meer dankzij spraakmakende exposities als Exotic Encounters, het afgelopen najaar, over de brug tussen de islamitische en de westerse cultuur. Jones had graag gezien dat de Britse overheid het initiatief had genomen voor deze expositie. “In Frankrijk vroeg Chirac op een gegeven moment: ‘Waarom heeft het Louvre geen islamitische afdeling?’ Nou heeft het een islamitische afdeling, de Franse regering zorgde voor het geld! Ik vind het nogal teleurstellend dat de Britse regering niet op dezelfde manier erkend heeft hoe belangrijk het is dat verschillende culturen uit verschillende delen van de wereld gerespecteerd en gerepresenteerd worden in een nationale instituut als het onze.”
In het Verenigd Koninkrijk is de rol van private investeerders altijd al belangrijker geweest dan in Nederland en Jones ziet met lede ogen aan hoe die rol nog steeds toeneemt: “Rijken kunnen best smaak hebben en filantropisch zijn, maar natuurlijk zullen zij de instituties creëren die ze graag zien. Het V&A moet de komende jaren rond de 200 miljoen pond investeren om goed te kunnen functioneren en ongeveer 70 tot 80 miljoen voor een uitbreiding van het gebouw. Zo’n 85 procent van dit bedrag moet uit de private sector komen. Wie betaalt heeft invloed. Als de geldschieters een groot feest in het museum willen geven, met veel champagne, dan zullen ze dat natuurlijk krijgen. Wanneer een programma afhankelijk is van het geld van grote ondernemingen, dan zul je dat op lange termijn aan het programma kunnen merken. Maar wij in het V&A zullen sponsoren zeker geen directe invloed laten hebben op de inhoud van de exposities. Dat zou enorm slecht zijn voor onze reputatie, wat weer van invloed zou zijn op de mate waarin anderen bereid zullen zijn geld te geven. Dus zelfs vanuit een puur financieel oogpunt zou dat niet zinvol zijn.

Hip
“Je gaat geen tentoonstelling over bier organiseren omdat een biermerk sponsor is. Dat kan misschien elders wel gebeuren, maar zeker niet hier!”, verzekert Jones. Ook Gijs van Tuyl waarschuwt, ondanks zijn uitstekende ervaringen in Duitsland, voor de gevaren van sponsoring. "Je moet goed uitkijken wat je doet. Het museum is er voor de kunst. Het is een hele specifieke manifestatie van de openbare ruimte, die nooit overstraald mag worden door reclameborden. Het mag niet ondergaan in een soep van commercialiteit. Het andere moet er getoond worden, en het kritische."
Hans Maarten van den Brink staat uitermate kritisch tegenover de toenemende rol van de private sector in de museumwereld: “Sponsoring is alleen maar voor een bepaald type instellingen weggelegd. Ik ben er nu ook meer bezig hoor, en ik denk wel dat dat gaat lukken, maar alleen een specifiek soort voorstelling of manifestatie komt voor sponsoring in aanmerking; voor een instelling als het Witte de With is dat heel marginaal. Een ander type kunst is aangewezen op mecenaat. Dat hebben we nauwelijks in Nederland.” De bedenkingen van Van den Brink zijn vooral ook van meer principiële aard.
“Het hele idee van ‘ga het maar in de markt halen’, daar zit ook iets moreels achter, zo van: dat is goed voor je, dan kom je in contact met het bedrijfsleven, met de echte wereld. Ik ben niet zo overtuigd van de intrinsieke morele en intellectuele capaciteiten van het bedrijfsleven.”
De exposities van de Nederlandse musea mogen weinig allure hebben, er is geen enkele reden tot wanhoop. Het museum, dat als instituut nog geen twee eeuwen bestaat, heeft nog een mooie toekomst voor zich, daar zijn alle geïnterviewden het over eens. Mark Jones: “Onze economie wordt steeds afhankelijker van haar reputatie op het gebied van het creatieve, het ontwerpen. De verwerkende industrie bepaalt een steeds minder groot deel van het nationaal inkomen, die banen verdwijnen naar het buitenland. Couturiers, productontwerpers, architecten, artiesten worden steeds belangrijker, en dat soort creatieve mensen ziet musea als een inspiratiebron.” Hans Maarten van den Brink: “Ik denk dat er altijd behoefte zal zijn aan plekken waar je dingen in een lijst zet, waar je de deur even dicht kunt doen en zegt: ‘kijk nu eens naar dit beeld, wat vertelt dat je?’ Je moet een verschijnsel of een object af en toe isoleren om het goed te kunnen bekijken. Die functie vervullen de centra voor hedendaagse kunst. Musea hebben daarnaast een conserverende functie. Het is niet hip, maar je moet dingen verzamelen, analyseren, tonen. Een museum moet tegenwoordig van alles, maar je moet realistisch zijn: soms is het gewoon een plek waar schilderijen worden bewaard en getoond.”

Rafaël
In een breder perspectief ziet Mark Jones twee trends waar musea garen bij spinnen. “Het is in ons voordeel dat de samenleving steeds visueler is ingesteld. Veel meer dan een halve eeuw geleden zijn mensen gewend geraakt aan het idee dat je niet alleen via teksten kunt leren, maar ook via beelden; kijk maar naar de reclame. De boodschap van musea is daarom tegenwoordig relatief gemakkelijk over te brengen: dat je kan leren van andere culturen of het verleden door naar dingen te kijken en daarover na te denken. Een andere voor musea gunstige ontwikkeling is dat de grenzen tussen feiten en fictie steeds meer vervagen. Er worden steeds vaker docudrama’s gemaakt, in de krant staat een heleboel dat is verzonnen, zeker in de societyrubrieken. Daarom is er een enorme honger naar authenticiteit. Musea hebben de reputatie dat ze dat kunnen bieden.”
Jones ontwaart echter ook een derde maatschappelijke trend en die is minder positief voor musea: “De hoeveelheid vrije tijd van mensen wordt steeds kleiner. Ik weet niet precies hoe het bij u is, maar in het Verenigd Koninkrijk maken mensen ongelofelijk lange werkdagen en neemt de hoeveelheid tijd die voor andere bezigheden overblijft navenant af. Bovendien zijn er steeds meer alternatieven om die schaarse vrije tijd te besteden. Als je alleen al kijkt naar de hoeveelheid restaurants. En shoppen is een steeds verfijndere aangelegenheid geworden. Gelukkig is voor dat laatste het V&A een verrassend alternatief: je kan van de ene winkel naar de andere gaan om de producten van Armani, Drior, Westwood of wie dan ook te bewonderen, maar je kan ook naar het V&A gaan om dat te doen, en ook nog de schilderijen van Rafaël bekijken. Het zijn alternatieven die dichtbij elkaar liggen. Ik vind het erg bemoedigend dat in deze hoogst competitieve wereld de hoeveelheid tijd die aan museumbezoek wordt besteed in het Verenigd Koninkrijk niet echt is afgenomen.”

Sylvester Hoogmoed is freelancejournalist

De Helling 2004/4


Inhoud 2004/4