door Tom Mikkers en Henk Gossink
GroenLinks is een toevallige en niet noodzakelijke gemeenschap. Haar past geen zware ideologische identiteit, veel eerder een lichte en nuttige. Daarom is ‘vrijzinnig’ een begrip dat GroenLinks goed past.
Kerk en staat zijn in onze samenleving op papier gescheiden, maar in de taal die zij bezigen vindt wel degelijk een uitruil plaats. Dat geldt met name de visiebepaling. Zoals het in de politiek gebezigde woord ‘fundamentalisme’ haar oorsprong heeft in de plaatsbepaling van groepen in het religieuze landschap, zo wordt ook bij GroenLinks – wellicht onbewust – gediscussieerd over het gebruik van een term waarmee het Nederlandse christendom al ruime ervaring heeft opgedaan: ‘vrijzinnig’.
In de kerk gaat het gebruik van het woord vrijzinnig terug tot de tweede helft van de negentiende eeuw toen de zogenaamde moderne theologie opkwam. Aanhangers hiervan noemden zichzelf vrijzinnig. Zij legden in tegenstelling tot de rechtzinnigen – de orthodox christenen – een grote nadruk op een religieuze beleving waarin de betekenis van Christus werd gerelativeerd. Kerkgenootschappen die de vrijzinnigheid omarmden waren in die tijd de Remonstrantse Broederschap en de Doopsgezinde Sociëteit. Maar ook binnen de Hervormde Kerk werd aan het begin van de twintigste eeuw een Vereniging van Vrijzinnige Hervormden opgericht. Zo ontstond in de loop van de twintigste eeuw een vrijzinnige zuil die zoals de meeste zuilen haar bloei kende in de periode ’30-’60 van de vorige eeuw (met onder andere de V.P.R.O., opgericht in 1926, als publiek spreekgestoelte).
Het woord ‘vrijzinnig’ werd in alle gevallen als bijwoord gebruikt bij protestant of christelijk. Vrijzinnig christelijk stond dan tegenover rechtszinnig of orthodox christelijk. In de loop van de twintigste eeuw heeft dit bijwoord zich losgemaakt van haar christelijke wortels. Vrijzinnig hervormden noemden zichzelf in de omgang van alledag alleen vrijzinnig: remonstranten en doopsgezinden zeiden van zichzelf dat ze vrijzinnig waren en niet vrijzinnig protestant of vrijzinnig christelijk.
Het woord ‘vrijzinnig’ kwam daarmee los in de etalage van sommige kerken te staan. Daarbij ontstond een betekenisverschuiving. Vrijzinnig in de vrijzinnig christelijke kerken betekende een algemene, niet per se christelijke en vaak ook niet religieuze levenshouding waarin waarden als verdraagzaamheid en vrijheid de belangrijkste toverwoorden waren. En zo heet bijvoorbeeld de geloofsgemeenschap van vrijzinnige hervormden en remonstranten in Amsterdam nu enkel en alleen nog Vrijzinnig Centrum Vrijburg. Het woordje christelijk of protestant is niet meer in beeld.
Smoelverlies
Wie de kerkgeschiedenis als uitgangspunt neemt, moet de critici van het woord ‘vrijzinnig’ gelijk geven. Het bijwoord ‘vrijzinnig’ als plaatsbepaling binnen de eigen ideologie draagt het risico in zich dat hiermee afstand wordt gecreëerd van de eigen kernideeën. Hierdoor wordt ook nog eens aan de rechtzinnigen de ruimte gegeven om het centrum van de ideologische kernwaarden op te eisen. Zo ging het in ieder geval in de kerk: orthodoxe christenen noemen zichzelf vandaag de dag christen zonder het bijwoordje orthodox en vrijzinnig christenen noemen zichzelf alleen nog maar vrijzinnig en durven niet meer te zeggen dat zij christen zijn, omdat dat klinkt alsof zij orthodox zijn. Vertaald naar linkse politiek: de SP is echt links en GroenLinks biedt de ‘light-versie’.
Deze parallel vormt voor ons eerder een reden voor verdere bezinning op een vrijzinnige identiteit dan voor een afwijzing. Wie zijn maatschappelijk optreden wil legitimeren vanuit een ideologie kan dat alleen wanneer hij zichzelf in het centrum van de eigen ideologie plaatst. Wie zichzelf uit het centrum zet, leidt op den duur aan smoelverlies en zal dan steeds weer moeten uitleggen waar zijn of haar overtuiging op gefundeerd is. In de vrijzinnige kerken zie je dat die uitleg op ontkennende wijze gebeurt; men zegt dan: wij zijn in tegenstelling tot orthodoxe christenen niet behoudend, wij zijn niet dogmatisch, wij zijn niet gesloten. Dit geeft aan dat je een ‘tegenover’ nodig hebt om duidelijk te maken wie je bent. Die houding is alleen levensvatbaar door een vijandbeeld van de groep tegenover je in stand te houden. Dat is dan juist de groep die wat betreft haar wortels veel gemeen heeft met de eigen gemeenschap.
Toevallig
Hiermee komen we op de kernvraag van onze zoektocht: welke functie kun je toekennen aan een ideologie? Het begrip vrijzinnig blijkt vooral te schuren waar ideologie een zware functie wordt toegedicht. Namelijk die van disciplinering (van ‘foute’ uitkomsten van politieke debatten binnen een partij), verschil (van politieke geestverwanten) en van noodzakelijkheid (van standpunten). Het gaat dan niet om zo maar wat ideeën over deze verwarrende maatschappij, nee, deze ideeën zijn noodzakelijk vanuit de wijze waarop men die maatschappij beziet. Deze zware functie vormt echter een ontkenning van de toevalligheid van de GroenLinkse gemeenschap. Dit gezelschap is helemaal niet noodzakelijk, zij is op zijn best nuttig om overlappende idealen dichterbij te brengen. De samenstelling van het gezelschap van (voormalig) radicalen, pacifisten, evangelisten en communisten maakt de geloofwaardigheid van een zware ideologie er niet beter op.
Een ideologie kan wel nuttig zijn om de verwarring over deze maatschappij hanteerbaar te maken. De parallel met geloof verschuift daarmee. Wie stelt dat hij iets gelooft, geeft direct toe dat hij het niet zeker weet. Het ideologische verband is dan losser. Duyvendak en Hurenkamp spreken van een weak tie (zie Kiezen voor de Kudde, lichte gemeenschappen en de nieuwe meerderheid, 2004). In dat licht is vrijzinnig een uitstekende kandidaat. Vrijzinnigheid heeft namelijk betrekking op een wijze waarop men zijn eigen ideologie beziet. Het verschansen in ‘het fort van de leer’ leidt tot dogmatisme, eigen gelijk-geleuter en drammerigheid, en daarom kan een vrijzinnige wijze van omgaan met je eigen ideologie wel eens de enige manier zijn om op een niet-gewelddadige manier de wereld tegemoet te treden. Hier kunnen zowel de linkse als de christelijke kerk leren van de eigen geschiedenis.
Beide kennen pijnlijke perioden in hun geschiedenis en actuele genante voorbeelden, waarbij het opdringen van de eigen ideologie aan de samenleving soms letterlijk slachtoffers heeft gemaakt. Wie vanuit een politieke leer of geloofsleer de wereld wil verbeteren kan dat volgens ons alleen maar wanneer hij of zij deze gebruikt als toetssteen. Juist dit element van toetsen van de werkelijkheid aan de eigen ideologie en niet omgekeerd is de enige manier waarop ideologieën en geloofsleren, gegeven hun eigen gewelddadige verleden, nog bestaansrecht hebben. Het betekent dat we onszelf moeten leren wantrouwen als ons weer eens het gevoel bekruipt dat onze visie op de één of andere wijze van morele superioriteit getuigt. Dat leren ons de vele barsten en beschadigingen in zowel de wereldgeschiedenis van de kerk als van de linkse beweging.
Links-vrijzinnig
Een vrijzinnige benadering plaatst GroenLinks ons inziens in het centrum van de linkse beweging. De partij richt zich immers niet zozeer op het onderscheiden van SP en PvdA, maar op het binnensluiten van die mensen die meer zien in de uitkomsten van onze idealen. Het bevrijdt potentiële bondgenoten van het benauwende ‘ben-ik-wel-links-genoeg’ gevoel dat de zware pleidooien voor radicaliteit, solidariteit met een stevig sausje Adorno uit de vorige Helling (3-2004) te weeg bracht. Gooi de strong ties overboord. Die zwaarte zou wel eens de grootste blokkade voor een doorbraak van GroenLinks (ŕ la de Grünen in Duitsland) kunnen zijn.
De radicale keuze voor vrijheid bevrijdt GroenLinks ook van de moeizame verhouding tussen diversiteitsdenken en gelijkheidsidealen. Waarbij mag worden opgemerkt dat vrijheid zonder gelijkheid zich weinig onderscheidt van het begrip privilege.
Voor het taalkundige probleem (namelijk de overname van het begrip ‘links’ door het bijwoord ‘vrijzinnig’) is een taalkundige oplossing wellicht het best denkbare. Wat het eerst komt, krijgt de eerste plaats. GroenLinks is links op een vrijzinnige manier, eerst links, dan vrijzinnig dus: je hebt het dan over links-vrijzinnigen. Je neemt daarmee geen afstand van je eigen ideologie door als eerste te stellen dat je links bent. Vervolgens zeg je wat de wijze is waarop je links wilt zijn, namelijk op een vrijzinnige manier. Het verder uitdenken van de accenten van een vrijzinnige aanpak behoeft dan ideologisch niet langer problematisch te zijn. Wie links-vrijzinnig is, benadert de doordenking van het woord vrijzinnig immers vanuit haar eigen wortels. Nog eenmaal terug naar het vertoog in die andere kerk over de claim van rechtzinnigen op het ware geloof: Wie stevig is geworteld, kan best tegen een vrijzinnig windje. Zware eiken zullen misschien geveld worden maar het riet, bestendig als het is, buigt mee.
Tom Mikkers is remonstrants predikant en voorzitter van het convent van remonstrantse predikanten; Henk Gossink is bestuurskundige en werkzaam als programmaleider bij Publiek Domein.
De Helling 2004/4