de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

De strijd om het woord

door Kees van Kersbergen

Net als na Fortuyn gaat ook na de moord op Van Gogh de discussie over woordgebruik. Die discussie is minder onschuldig dan wel wordt gedacht. Achter het geruzie over ‘demoniseren’, ‘politieke correctheid’ en ‘de vrijheid van meningsuiting’ gaat een harde machtsstrijd schuil. Een strijd over wie het woord krijgt.

Voor het zelfbeeld van Nederland als nuchter, tolerant en open gidsland bestaat sinds 11 september 2001 geen rechtvaardiging meer. Dit is één van de stellingen van Hans Wansink in zijn proefschrift De erfenis van Fortuyn: de Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers, dat afgelopen herfst uitkwam. Deze opvatting over de kern van de Nederlandse identiteit viel vóór die datum waarschijnlijk ook al niet te billijken. Mythe of niet, Wansink, politiek commentator van de Volkskrant, heeft natuurlijk gelijk dat dit min of meer collectieve zelfbeeld wel ooit bestaan heeft en dat ‘9/11’, maar zeker ook de politieke moorden op Fortuyn en Van Gogh, het laatste restje hoop op een terugkeer naar dit aangename, zij het betrekkelijk zelfingenomen, imago voorgoed hebben doen vervliegen.
Maar hoe valt dit romantische beeld van ‘de liefste democratie op aarde’ (zoals Marc Chavannes tien jaar geleden Nederland nog noemde in zijn boek De stroperige staat) te rijmen met de hardnekkige aantijgingen dat de Nederlandse politieke cultuur in feite helemaal niet verdraagzaam, maar alleen repressief tolerant was? Fortuyn-aanhangers klaagden dat een in zichzelf gekeerde, gesloten klasse van arrogante regenten alle denkbeelden die niet strookten met de in de corporatistische pacificatiedemocratie gecreëerde consensus op grove wijze onderdrukte. Waren het zoete zelfbeeld – en het erbij behorende argeloze tijdsbeeld –dan slechts onderdeel van de ideologie van de gevestigden? Die daarmee hun eigen exclusieve macht legitimeerden?
Interessant is in dit verband een andere stelling van Wansink, namelijk dat het taboeïseren van onwelkome opvattingen en ontwikkelingen door de ‘linkse kerk’ (die overigens ook christen-democraten en een enkele liberaal omvatte) het functioneren van de Nederlandse democratie geschaad heeft. Door iedere kritiek op het ideaal van de multiculturele verzorgingsstaat bij voorbaat als moreel onaanvaardbaar te diskwalificeren (zoals fatsoenlijk links dat deed) of met geweld te bestrijden (zoals extremistisch en onfatsoenlijk links dat deed met de aanslagen op Janmaat en Kosto), konden deze opvattingen effectief geweerd worden uit het publieke debat en verbannen worden naar de onderbuiken in de kroeg. Zo zette de bevoogdende progressieve elite de nationale mythe van de nuchtere, tolerante openheid om in een verstikkend moralisme van (linksige) politieke correctheid.
Daarmee droeg links volgens Wansink bij aan de loochening van de grote sociale kwestie van de migratie (het multiculturele drama) en de depolitisering daarvan. De linkse politieke elite sprak haar kiezers betuttelend toe over de zegeningen van de multiculturele samenleving, waar ze zelf overigens niet in maar naast woonde. Gerard van Westerloo betoogt in zijn voor links ontluisterende Niet spreken met de bestuurder (2003) dat de Fortuyn-revolte zich niet richtte tegen de multiculturele samenleving, maar tegen de ontkenning van haar problemen.

‘Ik discrimineer niet’
Van Westerloo beschrijft dat hij een zaal vol sociaal-democraten toespreekt: “(De opstand) richt zich tegen ú! Tegen úw autisme, tegen de achteloosheid waarmee ú de sores van uw oude kiezers onder het tapijt heeft geveegd.” Xenofobie en vreemdelingenhaat waren niet de belangrijkste drijfveren van het Fortuynistisch kiezersvolk. Het was, aldus Westerloo, “de haat tegen de socialen die de klootzak de hand boven het hoofd houden.” De opstandige kiezers waren geen bruinhemden die de revolutie ontketenden. Het was “de afkeer van een in zichzelf opgesloten politieke cultuur die de privé-belevingswereld van de burger tot gevaarlijk want voor je het weet stigmatiserend en discriminerend terrein verklaard heeft”.
Een Amsterdams trambestuurder die Van Westerloo aan het woord laat, in een artikel dat al in 1984 werd geschreven voor Vrij Nederland, legt het probleem van de politieke correctheid op aangrijpende wijze bloot: “Ik wil mijn werk goed doen, zo fatsoenlijk mogelijk mensen van het stadion naar het station brengen en omgekeerd, als het kan zonder brokken. Ik ben iemand, ik rem nog voor duiven. En dan komt, als klap op de vuurpijl, Ed. van Thijn [in 1984 de burgemeester van Amsterdam; red.] vertellen dat elke ambtenaar die discrimineert ontslagen wordt. Dat kan ik niet zetten. Er is geen één trambestuurder die zegt: hé nikker, jij komt er niet in. Ik heb vervoersplicht, ik rij iedereen, ik discrimineer niet. Hij doet alsof wij dat wel doen.
“Ik kan het toch niet helpen dat het vaak Surinamers zijn die overal schijt aan hebben? (…) Ik kan dat niet meer hebben, dat trappen in onze richting en de zielige buitenlanders de hand boven het hoofd houden (…). Ik geloof niet dat zo’n man beseft wat hij aanricht met zulke woorden.” Van Westerloo meent dat deze ‘Van Thijn’-houding ten opzichte van de multiculturele samenleving vooral een karaktertrek was van een goed bedoelende, linkse bestuurlijke clan die ‘het beste met de wereld voorhad’.
Het zou dus gaan om een ietwat sullige neiging het leven met woorden mooier voor te stellen dan het is. Het ging echter om veel meer dan simpele ‘wattenpraat’, ‘omfloerspraterij’ en ‘toedekkerij’ (termen van Van Westerloo). Het was een doelbewuste strategie van de bestuurlijke en intellectuele elite die gericht was tegen de uitsluiting van allochtonen, maar die het paradoxale effect had dat een flink deel van de autochtone burgers zich buiten de maatschappelijke orde gezet voelde.

Briljant
De ‘consensus’ die door deze politiek van uitsluiting gecreëerd werd, verergerde de kloof tussen burgers en politiek (en bestuur). De vervreemding tussen de politieke klasse en een fors deel van de kiezers (afgaande op het LPF-potentieel in mei 2002 zo’n 15 à 20 procent) was dus mede een gevolg van het politiek correcte optreden van de politiek-bestuurlijke elite zelf. Het is hierdoor dat onder de oppervlakte van de zelfgenoegzame natie de ontevredenheid groeide die almaar geen uitlaatklep wist te vinden.
Volgens Hans Wansink bereikte de politieke vervreemding uiteindelijk haar climax in de paarse jaren van “gebrek aan oppositie, gebrek aan openheid, gebrekkige profilering van de partijen, het ontbreken van een relatie tussen de uitslag van de verkiezingen en de kabinetsformatie en de vrijblijvende opstelling van partijen vóór de verkiezingen (…)”. Het tweede paarse kabinet was in dit opzicht een dieptepunt van gebrek aan roeping en voeling. Dit kabinet “wist geen gevoel van urgentie op de bevolking over te brengen, liet het publieke domein als het ware aan zijn lot over en ging problemen met de integratie van arbeidsongeschikten en migranten uit de weg.” De maatschappelijke spanningen die al hoog opliepen en het ongenoegen dat al begon te broeien werden niet opgemerkt, laat staan politiek vertaald.
Pim Fortuyn kon van de vervreemding van de buitengesloten burgers gebruik maken. Zijn credo ‘ik zeg wat ik denk en ik doe wat ik zeg’ was niet zomaar populistische verbale retoriek, maar een briljant, politiek uiterst mobiliserend adagium, dat frontaal gericht was tegen de machtspolitieke taal van ‘links’, de politiek correcte dwangtaal die tot uitsluiting en politieke vervreemding van een deel van het volk had geleid.
Rechts is zich terdege bewust van het belang van de politieke taalstrijd. Het is een belangrijk thema in het boek Opstand der burgers: de Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek (2004) van S.W. Couwenberg, oud-hoogleraar staats- en bestuursrecht en landelijk vooral bekend vanwege zijn jarenlange kritiek op het functioneren van de gesloten regentenpolitiek in de Nederlandse pacificatie-democratie. Ook Couwenberg wijst de ‘linkse kerk’ aan als de grondoorzaak van het succes van de Fortuynistische populisten. Couwenberg, die – zo valt regelmatig tussen de regels door te lezen – zichzelf ook ziet als een slachtoffer van de ‘linkse repressie’, voert de PvdA op als hoofdschuldige van de onderdrukking van de vrije discussie over migratie, integratie en criminaliteit.

Diabolisch
Links maakte hierbij gebruik van het machtige politieke wapen van de taalmanipulatie, waardoor de linkse opinie een positieve en de rechtse mening een negatieve bijklank verkreeg. Ooit manipuleerden de confessionelen de politieke taal, maar sinds de jaren zestig en tot recentelijk heeft links dit gedaan door bepaalde onderwerpen en niet-linkse opvattingen taboe te verklaren. Links stelde de criteria van goed en fout vast. “Wie het waagde daarvan af te wijken in kwesties als migratie-, integratie en veiligheidsbeleid”, aldus Couwenberg, “werd onmiddellijk met stigmatiserende kwalificaties als extreemrechts, racistisch en zelfs fascistisch om de oren geslagen en buiten de (links-georiënteerde) orde geplaatst.”
Politieke excommunicatie was de favoriete straf van de moreel arrogante en politiek intolerante linkse fatsoensrakkers. In de jaren negentig was er sprake van ontluikend, zij het nog voorzichtig verzet tegen deze linkse taalmanipulatie en de daarbij behorende repressie van de vrije meningsuiting en begint het gebouw van de ‘linkse kerk’ scheuren te vertonen. De Fortuyn-revolte behelsde volgens Couwenberg een frontale aanval op “de terreur van politiek correct denken”. De linkse kerk probeerde Fortuyn te bestrijden met de beproefde wapenen van de taalmanipulatie, waarbij vooral gebruik gemaakt werd van wat de aanhangers van Pim als de diabolische trits van racisme, fascisme en nazisme zagen, zoals Dick Pels in zijn boek De geest van Pim (2003) constateert.
De Fortuynistische advocaten Spong en Hammerstein legden na de moord op Fortuyn in hun beruchte haatzaai-aangifte een direct verband tussen de taal waarmee Pims politieke tegenstanders de LPF-voorman bestreden. Zij maakten daarbij een onderscheid tussen ‘gewoon’ polariseren (dat deed hun Pim) en demoniseren. Bij demoniseren worden altijd expliciete associaties gemaakt met het gedachtegoed van het Derde Rijk. Zeer opvallend is dat ook Couwenberg in zijn studie, zij het implicieter, een oorzakelijk verband legt tussen de linkse taalmanipulatie en de moord. “De Fortuyn-revolte werd daarmee in een bijzonder kwaad daglicht gesteld en ondanks zijn aanvankelijk electoraal succes in de kiem gesmoord. Maar met het in de ban doen van Fortuyn en als gevolg daarvan de moord op hem is de linkse ban doorbroken evenals de geloofwaardigheid van die links gerichte taalmanipulatie en de daarmee samenhangende morele oordelen over wat al of niet extreemrechts of racistisch is”. Natuurlijk had Fortuyn een scherpe tong en ging hij zo nu en dan over de schreef, geeft ook Couwenberg toe, maar Fortuyn maakte zijn opponenten niet monddood.
Misschien, maar zijn aanhangers hebben er alles aan gedaan om na de moord de politieke tegenstanders de mond te snoeren door links voor de moord verantwoordelijk te stellen. De beruchte uitspraak van LPF-voorzitter Peter Langendam (‘de kogel kwam van links’) behoort zonder twijfel tot een van de naargeestigste maar ook uiterst effectieve staaltjes van politieke propaganda in de Nederlandse politiek. De uitlating was ‘geslaagd’ in die zin dat politici als Dijkstal, Melkert, Rosenmöller en Halsema effectief enige tijd het zwijgen werd opgelegd. Rosenmöller zegt hierover in zijn overigens nogal oppervlakkige en saaie memoires Een mooie hondenbaan (2003): “Ik word enorm beknot in mijn werkzaamheden als volksvertegenwoordiger. Vanwege de bedreigingen en de gevolgen die ze hebben, kan ik niet op een normale manier in contact komen met de mensen die ik geacht word te vertegenwoordigen. En mijn mening geven is ook niet verstandig omdat die weer aanleiding kan geven tot nieuwe dreigementen. ‘Zeggen wat je denkt’, het credo van Pim Fortuyn, wordt mij en anderen door enkele van zijn volgelingen onmogelijk gemaakt.”

Moslimmoeder
Na de moord op Van Gogh is het toch al nerveuze debat verhevigd, waarbij nu niet meer alleen de voorheen uitgesloten groepen en hun intellectuele vertegenwoordigers, maar veel meer mensen dan ooit de politieke liquidaties zijn gaan uitleggen als regelrechte aanslagen op het recht op vrije meningsuiting. In de ogen van de Fortuynisten hebben zich bij de ‘linkse kerk’ (en haar vertegenwoordiger Volkert van der G.) nu de fanatieke moslim-extremisten (en hun Mohammed B.) aangesloten, die gezamenlijk de al aftakelende politieke correctheid met geweld proberen te herstellen. De moord op Van Gogh is voor de critici van de ‘linkse kerk’ en de multiculturele samenleving een gouden kans om nog een stap verder te gaan met hun taalstrijd om de macht.
De ‘linkse kerk’ en de politiek-bestuurlijke elite reageren intussen op twee manieren. Aan de ene kant zijn er weldenkende mensen die menen dat het debat over vrije meningsuiting een rationeel debat is (of kan zijn) over normen en waarden. Zij denken dat we een maatstaf kunnen overeenkomen waaraan we kunnen afmeten wat in het openbaar wel en niet gezegd mag worden. Het recht op vrije meningsuiting wordt begrensd door de fatsoensnormen die we heel goed onderling kunnen afspreken. We houden daarbij rekening met wat kwetsend is voor kwetsbare groepen. In hun ogen had Theo van Gogh in zijn columns en in zijn film Submission de grenzen van het betamelijke overschreden. Aan de andere kant zijn er mensen die menen dat we er onderling niet uit kunnen komen, maar dat het staatsrecht en het strafrecht de grenzen van de vrije meningsuiting trekken. Zij hebben groot vertrouwen in rechters en andere juristen die voor ons en in onze naam deze heikele kwestie kunnen beslechten.
Beide opvattingen zijn op zijn zachtst gezegd nogal naïef, omdat ze een machtsvrije discussie veronderstellen. Achter het debat over de vrije meningsuiting gaat echter een keiharde machtsstrijd schuil, waarin niet alleen gevochten wordt over wat er gezegd mag worden, maar uiteindelijk vooral ook over wie er überhaupt aan het woord mag komen. “Kan iemand Hirsi Ali niet eens de mond snoeren”, beet een jonge moslimmoeder premier Balkenende toe, toen hij na de brand in een islamitische school in Uden op bezoek was. De premier gaf blijk van zijn machtsnaïviteit toen hij stamelend antwoordde: “We hebben hier in dit land vrije meningsuiting”. Twee antwoorden had hij kunnen geven. Het wat defaitistische: “De moord op Van Gogh heeft Hirsi Ali al tot zwijgen gebracht”. Of het strijdbare antwoord: “Nee!”

- Hans Wansink: De erfenis van Fortuyn: de Nederlandse democratie na de opstand van de kiezers, Meulenhoff, 2004
- Marx Chavannes: De stroperige staat: kanttekeningen bij de liefste democratie op aarde, Contact, 1994
- Gerard van Westerloo: Niet spreken met de bestuurder, Bezige Bij, 2003
- S.W. Couwenberg: Opstand der burgers: de Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek, Civis Mundi jaarboek 2004
- Dick Pels: De geest van Pim: het gedachtegoed van een politieke dandy, Anthos (2003)
- Paul Rosenmöller: Een mooie hondenbaan, Balans (2003)

Kees van Kersbergen is hoogleraar Politicologie aan de Vrije Universiteit in Amsterdam

De Helling 2004/4


Inhoud 2004/4