door Erica Meijers (red.)
In Geluk! bindt Femke Halsema de strijd aan met modern conservatisme en een politiek van wantrouwen. Haar boek is een warm pleidooi voor eerherstel van het individualisme en een felle kritiek op het consumentisme - ‘door de markt aangejaagd en door de overheid bevorderd’ (p.56) - waarvan de samenleving doortrokken raakt. In plaats van burgers tegemoet te treden als calculerende egoïsten moeten politici ‘verantwoordelijkheid nemen voor de definitie van het publieke belang’ (p.111) en fors investeren in zorg, onderwijs en arbeidsbemiddeling voor wie ondersteuning behoeft. Emancipatie en democratisering, dat is de opdracht.
Halsema droomt groot. Niets minder dan een ‘omwenteling in de politieke en maatschappelijke opvattingen over economie, mens en staat’ (p.68) heeft ze voor ogen. Nederland is ziek. Hyperconsumptie, haast en hufterigheid zijn de symptomen. En het recept? Klim uit de koopgoot, raadt ze de lezer aan. Laat je niet door stress regeren. Dien lomperiken en mopperaars van repliek zonder bot te wezen. Anders gaan leven dus, maar daarmee zijn we er nog niet. Ook op politiek niveau - sterker, juist daar - geldt: geluk moet je doen.
Verstandige politiek kan het ideaal van een gelukkige samenleving dichterbij brengen. In het slothoofdstuk, met de handenwrijfachtige titel ‘Zin in de toekomst’, doet Halsema een stapel voorstellen. Ze ambieert onder meer een belastingsysteem zonder ‘perverse prikkels’ (p.121), overheidssteun voor een niet-commercieel publiek domein op internet, ruimere regels voor allerhande zorg- en studieverlof, meer creativiteit in de ruimtelijke ordening van stad en land, afspraken over vrijwilligerswerk in de baas z’n tijd en nieuwe vormen van rechtspraak met een grotere rol voor slachtoffers.
Dit deel van het boek is opgetekend ‘in grove penseelstreken’, waarschuwt Halsema (p.118). Inderdaad zijn er wel vragen bij te stellen. Zo meldt ze zonder omhaal van woorden dat belastingbetalers bij een gelijkmatig verdeelde inkomensgroei tot grotere bijdragen aan de gemeenschap bereid zijn dan bij toenemende inkomensongelijkheid. Maar waarop is deze observatie gebaseerd? Is hier werkelijk sprake van een oorzakelijk verband?
Of neem haar these dat in het denken over economische groei het accent moet worden verlegd van arbeidsproductiviteit naar arbeidsparticipatie. Tegen de achtergrond van de bijna-heiligverklaring van die participatie door de SER, de commissie-Bakker en het zittende kabinet klinkt die aansporing overbodig. Net als het kabinet mikt Halsema op een - ook in vergelijking met de scores van andere landen - uiterst ambitieuze norm van tachtig procent arbeidsparticipatie. Om die te halen zal haar voorstel voor het aantrekkelijker maken van laaggeschoolde arbeid en deeltijdwerk via belastingverlaging zeker niet volstaan. Zullen de vrouwen en mannen die nu niet werken eenvoudig taken kunnen overnemen van overbelaste ploeteraars, zoals Halsema suggereert? En hoe verhoudt die scherpe participatienorm zich eigenlijk tot haar centrale uitgangspunt dat de taak van de overheid is ‘ervoor te zorgen dat de keuzevrijheid van mensen zo groot mogelijk is’? (p.122)
De vraag is: mag een politicus meer beloven dan hij of zij kan waarmaken? Nee, zeggen sommigen, dan ligt de teleurstelling om de hoek en zo groeit de afstand tot de burger. Toch wel, zal het antwoord van Femke Halsema zijn. Op het niveau van je idealen kun je niet ver genoeg reiken. Het is de manier bij uitstek om mensen bij de politiek te betrekken en samen te werken aan de realisatie, voor zover mogelijk, van wat het ook is waar je van droomt.
Mare Faber
Wetenschappelijk medewerker van de Wiardi Beckman Stichting, eindredacteur van Socialisme & Democratie
De burger maakt het verschil
Femke Halsema wijst in ‘Geluk! Voorbij de hyperconsumptie, haast en hufterigheid’ hyperconsumptie aan als de centrale oorzaak voor een ratrace. Een ratrace die niet alleen leidt tot haast en hufterigheid maar ook tot een tweedeling van consumerenden en niet-consumerenden. De oorzaak van hyperconsumptie is volgens haar kuddegedrag en volgzaamheid van consumenten, gemanipuleerd door machtige producenten en commerciële massamedia die eigenheid en ontplooiing beloven. Dit kuddegedrag wijst er op dat individualisering niet de oorzaak is van hyperconsumptie, maar juist niet ver genoeg is ontwikkeld. Ze pleit voor herwaardering van het ‘burgerlijk deel van de hersenen’, dat is overwoekerd door het ‘consumentendeel’, en wijst er op dat een burger niet hetzelfde is als een consument. “Op burgers mag een zwaar appèl worden gedaan om zich te beheersen en goede omgangsvormen in acht te nemen.” Hiertoe moeten politiek en overheid de burger beschermen tegen de druk van hyperconsumptie en de weerbaarheid van burgers vergroten tegen commercie.
Veel van wat Halsema beschrijft is gestoeld op feiten en zeer herkenbaar. Een dominant, soms doorgeschoten, marktdiscours, kafkaëske schijnwerelden van ambtenaren en managers. Ze stelt dat de hedendaagse kwantificatie van voorspoed te nauw berekend wordt aan de hand van (de groei van) het bruto nationaal product, en bepleit dat ‘geluk’ en welzijn het centrale streven van de politiek moet zijn, in plaats van enkel groei en welvaart. Veel van de oplossingen die ze aandraagt zijn het overwegen waard. Maar toch blijft er een twijfel hangen tijdens het lezen van het boek.
De impliciete basisaanname van het boek lijkt te zijn dat de menselijke drang naar ontplooiing de enige oorzaak van (hyper)consumptie is. En dat hyperconsumptie de enige uiting is van de menselijke drang naar ontplooiing. Mijns inziens worden zo correlatie en causaliteit door elkaar gehaald, of in ieder geval niet duidelijk van elkaar gescheiden. Zo ontstaat de indruk dat er sprake is van een soort van monocausale onvermijdelijkheid, waarin de rol van het individu onbeduidend is. Er zijn natuurlijk veel meer oorzaken en gevolgen van hyperconsumptie. Denk aan (gebrek aan) geestelijke en culturele rijkdom, macro-economische omstandigheden waardoor krediet ruimhartig voorradig is, etc. Het evenwicht tussen deze factoren verschuift voortdurend en kan steeds heroverwogen worden. Hierin spelen juist individuen een cruciale rol.
Halsema betrekt het individuele niveau bewust niet in haar analyse. Want de problematiek die ze bespreekt is voor haar veel meer omvattend dan een privéprobleem dat een enkel individu kan oplossen. Het is een collectief, politiek probleem. Ook hiermee lijkt ze het individu en zijn rol in de maatschappij te reduceren tot de maatschappelijke processen waar het deel van uit maakt. Het is juist mijn overtuiging dat ieder collectief is opgebouwd uit individuen, en dat iedere maatschappelijke verandering door het gedrag en de gedachten van individuen worden ingezet. Halsema lijkt zelf consument en burger door elkaar te halen. Waar de invloed van de consument op hyperconsumptie in de maatschappij inderdaad nauwelijks voelbaar is, kan een burger door een oorspronkelijke mening en gerichte inzet wel degelijk invloed uitoefenen. En dat hoeft niet alleen volgens de middelen van de overheid.
Het is van een groot maatschappelijk belang dat ook politici dit soort boeken schrijven. Niet per se om direct tot bruikbare beleidsvoorstellen te komen, maar juist om betrokken mensen in de maatschappij stof tot nadenken aan te dragen. Over hoe de wereld in elkaar zit, wat men daarmee wil, wat er moet gebeuren en wat men hier zelf aan kan bijdragen. Niet als consument, maar als burger.
Frank van Mil
Hoofd van het Kenniscentrum D66
Sociale verbanden voorop
Welzijn is belangrijker dan welvaart, geluk uiteindelijk wezenlijker dan geld en goed. Dat aloude besef omhelst Femke Halsema in haar vlotlezende essay ‘Geluk!’. Met een prijzenswaardig zelfkritische analyse rekent ze af met hyperconsumentisme, haast en hufterigheid. De analyse en oproep tot overheidshandelen roepen herkenning op: ook het huidige kabinet probeert met zijn beleid deze problematiek te bestrijden en zet in op duurzaamheid, samenhang en solidariteit. Er moet weer ruimte komen voor rust en relaties, voor milieu en gemanierdheid. Halsema haalt ook regelmatig Herman Wijffels aan in haar essay. Toch zal ze ook enige afstand willen houden, zo nodig forceren, tot het huidige kabinet: hoe zou ze dat doen? Nieuwsgierig zette ik me aan het lezen.
De auteur zet vooral in op het individu en zijn vrijheid. Maar was die vrijheid er niet juist de oorzaak van dat de huidige hufterigheid zich heeft kunnen nestelen in onze samenleving? Volgens de auteur is dat te kort door de bocht. Inderdaad zijn bezielende verbanden teloorgegaan, maar individualisering is minder ver voortgeschreden dan wordt gedacht. Probleem is dat de individuele burger nu juist door de markt en de staat is gekoloniseerd. We moeten dan ook eerder spreken van een massaconsumentisme dan van een moreel individualisme. Misschien worden we juist wel minder individu door al die hyperconsumptie. Halsema roept vervolgens de overheid op burgers actiever te beschermen tegen hyperconsumptie, juist om hun werkelijke keuzevrijheid te garanderen.
Halsema worstelt met de verhouding tussen verbanden en de vrije ontplooiing van het individu. Dat zien we bijvoorbeeld in het pleidooi voor flexibeler arbeidstijden. Toename van die flexibilisering klinkt modern en aantrekkelijk, maar maakt het niet inbreuk op onze mogelijkheden voor rust en relaties? Juist op gezamenlijke vrije dagen is er ruimte om relaties te onderhouden. Dat is geen overbodige luxe: uit het aangehaalde wetenschappelijk geluksonderzoek van Richard Layard blijkt dat familiebanden het belangrijkst zijn voor iemands geluk (Waarom zijn we niet gelukkig?, Atlas, 2005). Door werktijden flexibeler te maken ontneem je de samenleving van een stuk rust en bemoeilijk je de mogelijkheid relaties te onderhouden. Bovendien tref je een kwetsbare groep: de kleine middenstanders. Een 24/7-economie is leuk voor de consument, maar draagt niet bij aan een ontspannen arbeidsbestel. Het doet eerder denken aan de jachtige Amerikaanse toestanden waar Halsema zich zo tegen afzet. Een tasje kopen kan ook wel een dag later. En zo beschermt de overheid ons ook nog eens tegen de nodige hyperconsumptie.
Door de nadruk op het individu beschouwt Halsema de sociale verbanden als secundair. Dat is niet nodig. Het mooie van een christelijk-sociale visie is dat het verantwoordelijkheden primair bij de burgers legt. Iedereen is zelf verantwoordelijk voor zijn geluk, zoals Halsema ook schrijft. Tegelijk is er direct het realistische besef dat geen burger op zichzelf staat. Al meteen bij de geboorte bevindt iedereen zich in minstens één gemeenschap. En zo blijft dat: ieder mens blijft zijn hele leven functioneren in allerlei verbanden. Echter: zonder daar in op te gaan. Ieder afzonderlijk individu is immers waardevol op zich. Ieder moet in vrijheid zijn eigen verantwoordelijkheid kunnen waarmaken en de mogelijkheid hebben zich te kunnen ontplooien. Kwetsbare mensen verdienen het uiteraard beschermd en geholpen te worden door de overheid. Maar, zoals Halsema terecht zegt, de overheid kan mensen niet gelukkig maken, ze kan burgers hooguit ondersteunen in hun gerechtigde verlangens.
Geert Jan Spijker
Medewerker Wetenschappelijk Instituut ChristenUnie
Moedige keuzes
Het is hoog tijd voor moedige politieke keuzes. Met deze oproep eindigt Femke Halsema haar analyse van wat er allemaal mis is in Nederland. De oneerlijke verdeling van welvaart, gebrekkige sociale mobiliteit, de schuldeneconomie, onze olieverslaving, energie-, water- en voedselschaarste, het feit dat velen zich de hele dag moeten haasten, hufterigheid, de problemen in de jeugdzorg en nog veel meer: je zou er ongelukkig van worden. Het 'Tokkiegedrag' van politici, die elkaar lafaard noemen – je kunt je afvragen of van jezelf beweren dat je moedige politiek beoefent niet op hetzelfde neerkomt, alleen wat welsprekender – is, net als al die andere problemen, terug te voeren op hyperconsumptie, zo luidt de conclusie van Halsema.
Het is een interessante beweging die Halsema maakt. Waar veel cultuurcritici en politici het te ver doorgeschoten individualisme als een van de grote boosdoeners aanwijzen, laat Halsema in haar analyse zien dat individualisme en hyperconsumentisme niet hetzelfde zijn. En dat veel van de problemen uit haar somber stemmende opsomming voor een belangrijk deel samenhangen met ons consumptiegedrag. Het doel van dit onderscheid wordt al snel duidelijk als Halsema de individualismecritici wegzet als conservatieven, die erop uit zijn de privacy te verminderen en repressie toe te laten nemen. Halsema wil dolgraag het liberale ideaal van de individualistische, vrije burger redden, een houding die haar in 2006 de titel 'Liberaal van het jaar' opleverde, volgens de jongeren van de VVD. Om het individualisme te sparen, moet Halsema terug naar de jaren zestig en zeventig, toen individualisme nog iets sociaals was. Met instemming citeert ze uit het 'Manifest voor de jaren zeventig': “Zonder praatgroep geen zelfbewustwording, zonder flikkergroep geen zelfbevrijding, zonder zelforganisatie geen zelfontplooiing.” Maar individualisme is geen onveranderlijke grootheid die voor eens en voor altijd in de jaren zestig is gedefinieerd. Dat individualisme in een tijd van sterke sociale banden die als onderdrukkend werden ervaren een emanciperende werking had, betekent niet dat het dat nog steeds heeft in een samenleving waar sociale verbanden juist als te zwak worden ervaren.
“Individualisering is niet te ver doorgeschoten”, aldus Halsema. Zo blijkt haar interessante beweging vooral een omtrekkende beweging. Een belletje had moeten gaan rinkelen toen zij schreef over de individualismecritici: “Een slechte uitgangspositie op de arbeidsmarkt, uitval in het onderwijs en afhankelijkheid van sociale bijstand zijn in de conservatieve benadering van ‘doorgeschoten individualisme’ een ‘keuze’ waarop mensen mogen worden afgerekend.” Dat juist de nadruk op individuele verantwoordelijkheid heeft geleid tot een terugtredende overheid, waardoor vooral de vrijheid van minder kansrijken wordt beperkt, stelt ook Halsema vast. Dit is echter geen tegenstrijdigheid van de individualismekritiek, maar juist een klassieke tegenstrijdigheid van het liberalisme, dat individualisme hoog in het vaandel heeft.
Veel, maar niet alle voorstellen van Halsema in het laatste deel van het boekje zullen steun vinden van de SP en zijn al langer terug te vinden in verkiezingsprogramma's en publicaties van zowel GroenLinks als de SP. Halsema's poging om het liberalisme te vrijwaren van schuld aan de problemen die het heeft veroorzaakt, staat in schril contrast met haar kritiek op marktwerking en op een steeds bezuinigende overheid. Door zich een 'links-liberale' koers aan te meten heeft GroenLinks de tegenstrijdigheden van het liberalisme geïmporteerd. Het boekje Geluk! laat zien hoe deze 'uitdaging' tot interessante ideeën kan leiden. Het is hoog tijd voor moedige ideologische keuzes, zou ik zeggen.
Diederik Olders
Medewerker Wetenschappelijk Bureau SP
De staat als geluksmachine
We gaan in Nederland gebukt onder de loden last van wat ik na lezing van het boek Geluk! van Femke Halsema de drie H’s van Halsema zou willen noemen: hyperconsumptie, haast en hufterigheid. In haar boek – waarvoor mijn felicitaties – schetst Halsema het alternatief van eerlijker economische verhoudingen en een solidaire en gelukkige samenleving. Het zal de lezer niet verbazen dat ik als liberaal – ondanks een aantal goede punten van Halsema, zoals de doorgeslagen efficiency bij (zorg)instellingen en de positieve beoordeling van individualisering – ernstige bezwaren heb bij dit alternatief. Ik zal mij gezien de beperkte ruimte concentreren op de centrale factor in het boek: geluk.
Mark Rutte bekritiseerde tijdens de Algemene Beschouwingen de wijze waarop het huidige kabinet de staat tot ‘geluksmachine’ bombardeert. Halsema lijkt in dezelfde valkuil te stappen. Wat is geluk eigenlijk? Is mijn geluk hetzelfde als dat van mijn buurman? Wie is er eigenlijk verantwoordelijk voor mijn geluk? In het boek wordt gesteld dat ‘we’ gelukkiger zijn als we ons kunnen ontwikkelen, de gezondheidszorg goed is, onze leefomgeving schoon en veilig is, als we tijd hebben om relaties aan te gaan en tot slot blijkt er ook een correlatie te zijn tussen materiële welvaart en geluk. Tot zover kan ik Halsema wel volgen.
Problematischer wordt het echter zodra we richting de oplossingen gaan. Dan blijkt opeens de staat de aangewezen institutie om de drie H’s te doorbreken en ons uiteindelijk gelukkiger te maken. De economie dient niet langer eenzijdig gericht te zijn op maximale groei, maar op het vergroten van het welzijn en het geluk van de bevolking. Mijn grootste bezwaar is dat Halsema doet voorkomen alsof wij in Nederland allemaal willoze slachtoffers zijn van de op groei gerichte economie. Wie dwingt ons tot consumeren? Zijn dat echt de anderen? Maken wij niet iedere keer weer zelf de keuze om te consumeren? Om die dure breedbeeld TV te kopen? (Overigens zijn het hier de linkse partijen die via de overheid het verkeerde signaal afgeven door aan minima zo’n TV cadeau te doen.)
Wie dwingt ons tot haastig leven? Is dat echt het door de economie gedicteerde klimaat? Kiezen wij er niet in de meeste gevallen zelf voor om ons te ontwikkelen en aldus ook stevig aan de eigen carrière te timmeren? Kiezen wij niet zelf voor allerlei nevenactiviteiten? Is de hufterigheid daadwerkelijk het gevolg van haast (we hebben geen tijd meer om tot tien te tellen) of van de markt en consumptiecultuur? Moeten we niet ook hier eens bij onszelf te rade gaan?
Het is wel heel makkelijk om alle verantwoordelijkheid bij het individu weg te halen en vervolgens naar de staat te kijken voor de oplossingen. Vadertje Staat lijkt een soort almachtige tovenaar die alles wel even regelt. Het wordt echter tijd dat wij gaan inzien dat de staat géén geluksmachine is. De staat kan en moet ervoor zorgen dat een aantal zaken goed geregeld is – zoals de gezondheidszorg, veiligheid en onderwijs – en op die manier randvoorwaarden stellen waarbinnen de burgers het eigen ‘geluk’ kunnen zoeken. Ik ben het direct met Halsema eens dat in deze zaken nog een hele verbeteringsslag te maken is, maar meer kan de staat niet. Individuen kunnen als rationele wezens zelf beter dan wie ook bepalen wat goed voor hen is en op welke wijze zij het gelukkigst zijn, daar hebben zij de staat niet voor nodig.
Fleur de Beaufort
Wetenschappelijk medewerkster bij de Prof.mr. B.M. Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau ten behoeve van het liberalisme en de VVD
Erica Meijers is hoofdredacteur van De Helling
De Helling 2008/4