door Bob Goudzwaard
Bob Goudzwaard herkent in Femke Halsema een bondgenoot voor zijn dertig jaar oude voorstellen voor een andersoortige economie die niet uitsluitend is gebaseerd op groei.
Het nieuwe boek van Femke Halsema is een combinatie van politieke moed en onbevangen scherpzinnigheid. Ik vind het van politieke moed getuigen om zo duidelijk afstand te nemen van het vrijwel alom aanvaarde politieke principe dat we het dichtst bij de realisering van onze politieke doelstellingen uitkomen door toedoen van een altijd voortgaande, doelbewuste en maximale opvoering van ‘onze’ economische groei, terwijl de econoom Jan Tinbergen al in de jaren zeventig het begrip ‘optimale groei’ introduceerde. Natuurlijk dient in een tijd van financiële crisis de economie voor een ongeordende terugval in een conjuncturele recessie te worden behoed; zo’n op wantrouwen gebaseerde groeistilstand of groeivermindering zal geen weldenkend mens voor zijn rekening willen nemen. Maar een gezond economisch structuurbeleid kan op termijn wel degelijk een lager materieel consumptieniveau vergen, en voor die noodzaak komt Halsema in haar boek ook uit. Haar politieke moed komt nog sterker naar voren waar Halsema ook de bereidheid toont dit tegendraads geluid in politieke munt om te zetten: “wij kunnen onze samenleving en economie zo van koers verleggen dat we gelukkiger kunnen leven” (p. 58). Koersverlegging, daar gaat het inderdaad om. Maar dat vergt niet alleen de moed tegen de stroom in te gaan, maar ook een geduldig beargumenteerde uitleg aan allen die van goede wil zijn. En ook dat gebeurt in dit boekje, waarbij de onbevangen scherpzinnigheid van de schrijfster vanzelf om de hoek komt kijken. Ze kiest niet alleen haar voorbeelden raak. Ik vind het ook ronduit een vondst hoe ze het begrip ‘hyperconsumptie’ neerzet en er gebruik van maakt. Dat zijn die uitingen van consumptie die niet spontaan ontstaan maar vooral door reclame worden aangejaagd (p. 9), die drijven op het onvervulde verlangen naar meer bezit dat vervolgens ook niet tot echte bevrediging leidt (p. 7), en die vooral maatschappelijk aanslaan omdat ze een symbolische betekenis hebben, omdat ze een graadmeter vormen voor de status die je hebt bereikt en je daardoor helpen te ontkomen aan het door anderen voor sukkel te worden aangezien.
Oorlog
De winst, ook in politieke zin, van zo’n begrip als hyperconsumptie schuilt natuurlijk vooral in het afbakenende karakter ervan. Met consumptie in algemene zin is niets mis, zo zegt Halsema terecht, zonder dat is zelfs geen goed samenleven mogelijk. Maar het doorschieten ervan (zoals bloemkool kan doorschieten), en de sociale druk die daartoe leidt, die halen juist veel persoonlijk geluk bij mensen weg, en zeker niet alleen bij de rijksten. In de wereld van nu haalt het aantal overvoede mensen het aantal ondervoede mensen in. Hyperconsumptie doet ook schade aan de samenleving, en daarvan maken we tenslotte allemaal deel uit. Niet alleen de haast maar ook de hufterigheid neemt door de hyperconsumptie toe. Inkomensverschillen diepen zich aantoonbaar uit, nieuwe vormen van sociale schaarste ontstaan en overconsumptie legt ook een enorm extra beslag op de wereldvoedselvoorraden (met stijgende voedselprijzen als gevolg), als ook op het wereldmilieu en op de nog aanwezige fossiele voorraden grondstoffen en energie. Dat alles komt in het boekje welsprekend aan de orde. Wel viel het me op dat het veiligheidsaspect niet apart wordt genoemd, maar ook dat telt natuurlijk steeds zwaarder mee. Samenlevingen zoals de Amerikaanse, waarvan Halsema terecht zegt dat die consumptief al op een te grote voet leeft, kunnen zich zo sterk aan hun verdere materiële welvaartsgroei vastklampen, dat die tot “vital interests” (Bill Clinton) uitgroeien en derhalve moeten worden veiliggesteld door een intensieve bewaking van de toekomstige aanvoerlijnen van grondstoffen en energie. Er ligt dus ook een relatie tussen de mondiale, vooral westerse hyperconsumptie en de oorlog in Irak (om Greenspan te citeren: “Irak is of course about oil”) en de toenemende ratrace tussen de grote mogendheden om de nog gebleven energiebronnen in Afrika (ook in Dafur), die nu zelfs tot onder het slinkende Noordpoolijs voortzetten. Door ons collectief te verslingeren aan een onbeperkt voortgaande hyperconsumptie ondermijnen we derhalve op vele manieren ook het eigen toekomstig geluk. Daarom stelt de auteur mijns inziens terecht dat hyperconsumptie ook en wellicht zelfs primair een politiek probleem is. Er is een volstrekt verkeerde manier van meting van menselijk geluk gaande wanneer het BNP daarvoor de maatstaf is – de Verklaring van Tilburg, die Halsema tot mijn vreugde citeert, legt vooral de vinger op die drukke plek - maar een herziene meting moet ook tot een andere politiek leiden in fiscale en structurele zin. Als jong ARP-Kamerlid opperde ik aan het eind van de jaren zestig het idee reclame-uitgaven apart te belasten, en het werd door menigeen toentertijd ronduit absurd gevonden. Maar de tijd dringt. Zulke voorstellen zijn nu meer dan ooit nodig om bijvoorbeeld in Europees verband de koers van de economie te gaan verleggen.
Begripsverwarring
Graag wil ik ook nog iets zeggen over het thema van de individualisering in de samenleving, waarover Femke Halsema en Jan Peter Balkenende ook in de Kamer al met elkaar gebakkeleid hebben. Het gangbare, door Halsema als conservatief betitelde betoog houdt in dat voortgaande individualisering gelijk staat met een afbraak van sociale verbanden en relaties, en derhalve ook aanleiding geeft tot een groeiend egoïsme en zelfs tot toenemende criminaliteit. Daartegenover stelt Halsema dat individualisering ook een legitiem politiek doel kan zijn en wel vooral wanneer het in de woorden van Herman Wijffels wordt verstaan als een groei van het menselijk zelfbewustzijn, waaruit ook meer zorg en aandacht voor de ander kan voortkomen. Halsema voegt er aan toe: “door hyperconsumptie verminderen juist onze keuzevrijheid en onze individualiteit!” (p. 41). En elders: “onterecht ontbreekt in zulke analyses (als van Balkenende) het aandeel van de markt en de consumptiecultuur” (p. 27).
Ik denk dat Halsema hier een belangrijk element te pakken heeft. Er bestaat wel degelijk een verband tussen individualisme en materialisme, maar het tweede vloeit zeker niet direct uit het eerste voort. Eerder is het omgekeerde het geval. Wel denk ik dat rond de gekozen termen (individu, individualisering) begripsverwarring kan ontstaan en ook al volop is ontstaan. Het kernbegrip ‘individu’ is nu eenmaal een kale rationele term uit de Verlichtingstijd die heel letterlijk naar het atomaire, niet verder deelbare, bestaan van mensen verwijst. Maar waar Halsema en ook Wijffels op uit zijn, is mijns inziens wat anders. Het gaat hen als ik hen beiden goed begrijp om het respect voor een cultuur van zelfverwerkelijking waarin, om een term van Charles Taylor te gebruiken, mensen kunnen toekomen aan hun authenticiteit, aan hun persoonlijke eigenheid, die ook open staat naar anderen. Menselijke authenticiteit en hyperconsumptie staan daarom op gespannen voet met elkaar. En het zou inderdaad winst zijn wanneer ook Balkenende dat als MP zou kunnen en willen beamen. Want verantwoordelijkheid nemen – toch al een lievelingsterm van hem – veronderstelt nu eenmaal menselijke authenticiteit. Evenals authenticiteit trouwens ook impliceert – maar daarover horen we van hem minder – dat je de politiek medemensen ook metterdaad hóudt aan hun eigen verantwoordelijkheid, zowel voor de ander als voor de nu zo bedreigde natuur. Want leven bij brood alleen hoort nu eenmaal niet bij authentieke mensen.
Bob Goudzwaard is een van de ondertekenaars van de Verklaring van Tilburg van januari 2008. Hierover meer elders in deze Helling.
Literatuur
B. Goudzwaard en H.M. de Lange, Genoeg van te veel, genoeg van te weinig, Baarn 1976.
Charles Taylor, De Malaise van de Moderniteit, Kampen 1994. (zie vooral p. 53 e.v.)
Bob Goudzwaard is econoom en emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit Amsterdam
De Helling 2008/4