door Erica Meijers
Op veel zaterdagmiddagen in de jaren zeventig hing in onze garage de zoete, weeë geur van rietsuiker. Mijn ouders laadden met anderen van de plaatselijke wereldwinkel de balen uit en wij kinderen moesten vervolgens de suiker wegen en in kilozakken scheppen.
Je handen werden er vreselijk plakkerig van en je vrije zaterdagmiddag was weg, maar je leverde wel een bijdrage aan een beter leven voor suikerboeren ver weg, die een eerlijke prijs kregen dankzij de internationale solidariteit. Armoede kon de wereld uit, dat besef drong sinds de jaren zestig bij steeds meer mensen in het Westen door. Toen ontwikkelingssamenwerking voor het eerst een eigen minister kreeg, was dat een overwinning voor links. Er was overigens niemand die dacht dat hulp de armoede zou uitbannen, zoals nu door de VVD als uitgangspunt van de kritiek op ontwikkelingssamenwerking wordt verondersteld. Links heeft altijd gepleit voor eerlijke handel en een ander buitenlands beleid als enige echte instrumenten van armoedebestrijding, maar ontwikkelingssamenwerking was wel degelijk belangrijk. Aan de ene kant als middel tot bewustwording hier en aan de andere kant als teken van solidariteit met de arme landen. Effectiviteit, waar ontwikkelingssamenwerking nu steeds vaker op wordt afgerekend, speelde wel een rol, maar slechts een kleine.
Dat wil niet zeggen dat er geen kritiek mag of kan worden uitgeoefend op het huidige stelsel van ontwikkelingssamenwerking, of op de ‘ontwikkelingsindustrie’ zoals een van de auteurs in deze Helling het netwerk van ontwikkelingswerkers, medefinancieringsorganisaties, ambtenaren en lobbyclubs noemt. In deze special wordt volop kritiek geoefend, soms op details van het beleid, soms op het stelsel als geheel en soms op de uitgangspunten van ontwikkelingssamenwerking überhaupt.
Op het omslag van deze Helling staan twee beelden: een uit Afrika – het continent waar de beeldbijdragen in dit nummer over gaan – en een uit een Vogelaarwijk in Nederland. Dit roept de vraag op: wat hebben deze werelden met elkaar te maken? Moet het ‘beschavingsideaal’ van politici als Ahmed Marcouch weer een wereldwijd ideaal worden? Of is de manier waarop we in Nederland met onze onderklasse omgaan net zo verdacht als de houding ten opzichte van de arme landen in een mondiaal perspectief? Essentieel is dat we niet teruggaan achter het inzicht van de jaren zestig dat armoede kan worden uitgebannen als de (politieke) wil er is. Daarom ben ik blij als mijn kinderen met een zelfgemaakt lied de straat opgaan om geld in te zamelen voor Unicef, al is dat uit het oogpunt van effectiviteit een zinloze daad.
Erica Meijers is hoofdredacteur van De Helling
De Helling 2009/1