door Soheila Najand
Het is voor mij een retorische vraag of een kunstenaar zich mag bemoeien met de politiek: het kunstenaarschap staat of valt met de mogelijkheid je overal tegenaan te kunnen bemoeien. Dus ook de politiek. Daaronder versta ik geen partij, maar eerder begrippen als democratie, macht, solidariteit en bewustwording, begrippen die kunstenaars vrij moeten kunnen beoordelen en herdefiniëren. Een kunstenaar heeft geen grenzen en mag geen beperkingen opgelegd krijgen. Gebeurt dat toch, dan wordt hij monddood gemaakt en kun je niet meer over autonome kunst spreken.
In Nederland geldt echter nog steeds de norm dat een kunstenaar niet op politiek hoort te reageren. Kunst is hier vooral een afstandelijke aangelegenheid waar reflectie op politieke gebeurtenissen niet tussen past. Maar die beperking is vanuit een rationeel waardeoordeel over kunst opgelegd aan de kunstenaar. De kunstwereld is daardoor een te gesloten circuit geworden om zich nog op de samenleving te kunnen richten.
Maar kunst is juist het geweten van de maatschappij, waarin de kunstenaar als een soort antenne fungeert die allerlei vibraties en signalen uit de samenleving opvangt en vervolgens op zijn manier weer uitzendt. Politieke gebeurtenissen zijn constante trillingen die de samenleving beïnvloeden en voor ophef kunnen zorgen. Als iedereen het over politiek heeft, waarom zou een kunstenaar zich daar niet over mogen uitlaten? Als een kunstenaar ziet dat in onze maatschappij een bepaalde groep tot vijand wordt verklaard, wat vervolgens tot uitsluitingsmechanismen leidt, is het belangrijk dat hij op zo’n ontwikkeling kan reflecteren. Hij moet de toeschouwer wakker schudden, onrustig maken en de juiste vraag formuleren om de samenleving naar zichzelf te laten kijken. Als de kunstenaar daar niet toe in staat is, vind ik dat een gemis in zijn reflectievermogen. Een kunstenaar die in feite alleen voor zichzelf werkt en voor zichzelf geen maatschappelijke rol ziet kan wat mij betreft het beste zijn eigen hobbyistische werk thuis gaan doen en daar plezier aan beleven. Maar als een kunstenaar zich bewust is van zijn onmisbare rol voor de samenleving, dan zal hij zich durven te bemoeien met de politiek wanneer die niet naar behoren functioneert. En dat zie ik graag. Het maakt zelfs deel uit van de tweeledige taak die een kunstenaar volgens mij heeft: hij produceert kunstwerken waarmee hij zijn vakgebied verder inhoudelijk ontwikkelt, maar tegelijkertijd is hij daarmee een cultuurproducent, want zijn werk draagt bij aan de culturele ontwikkeling van de maatschappij. En omdat hij deze cultuur mede vorm geeft, mag hij reageren op alles wat daarin gebeurt. Sterker nog: hij móét hier volgens mij toe in staat zijn om überhaupt autonoom te kunnen zijn.
Tegelijkertijd mag de politiek, dat ándere geweten van de samenleving, de kunstenaar veel meer uitdagen zijn maatschappelijke rol uit te oefenen. Het is een politieke opdracht om met het stellen van de juiste vragen erop te wijzen dat kunst een noodzaak heeft voor de samenleving: om verhoudingen van mensen tot elkaar zichtbaar te maken, troost te bieden en ons een spiegel voor te houden. Het is niet de bedoeling dat de politiek zich bemoeit met de vakmatigheid en kwaliteit van de kunst, maar zij kan door haar bemoeienis wel degelijk de richting van een debat bepalen, zonder zich te hoeven beroepen op oppervlakkige slogans.
Helaas zijn er genoeg kunstenaars en kunstinstellingen in Nederland die last hebben van object- en kunstenaarsfetisjisme. Dit heeft te maken met een groep kunstenaars die vanuit hun verstandhouding met subsidiënten en kunstinstellingen voornamelijk bezig zijn hun ondernemerschap te onderhouden en daarbij het belang van hun maatschappelijke reflectie uit het oog zijn verloren. Het huidige Nederlandse subsidielandschap heeft de sociale noodzaak van kunst ernstig verzwakt. Kunstenaars leven in zo’n geïsoleerde wereld dat het geen uitdaging meer is om maatschappijkritisch werk te maken. Bovendien wordt hun werk voornamelijk beoordeeld door vakgenoten en kunsthistorici tijdens selecte onderonsjes. De jury’s waar ik zelf regelmatig deel van uitmaak bestaan louter uit dergelijke leden, terwijl ik graag filosofen, sociologen, sociaal psychologen en pedagogen in zo’n jury zou willen hebben. In een beschaafde en gezonde samenleving hoort een multidisciplinaire confrontatie en uitwisseling plaats te vinden, en mag reflectie niet voorbehouden zijn aan een kleine groep die het met elkaar eens is. Alleen dan vertrekt een discussie over kunst vanuit de noodzaak, blijft deze vitaal en kan deze de samenleving overlevingskracht bieden.
Soheila Najand is directeur Stichting Inter-Art
De Helling 2007/4