de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Founding Fathers IV

Marius Ernsting: “politieke paradigma’s op de helling”

door Erica Meijers

Als bijdrage aan de discussie over de uitgangspunten van de partij die tot het congres op 22 november binnen GroenLinks wordt gevoerd, blikt De Helling met een aantal Founding Fathers van de partij terug op de ontwikkelingsgang van GroenLinks. Als vierde komt aan het woord: Marius Ernsting.

Marius Ernsting (1947) was van 1983 tot 1986 Tweede-Kamerlid voor de CPN. In de periode van de fusie met de andere kleinlinkse partijen was hij vice-voorzitter van het partijbestuur van de CPN. Hij maakte deel uit van het onderhandelingsteam van de CPN en kwam als tweede CPNkandidaat na Ina Brouwer op plaats 8 van de eerste lijst van GroenLinks, maar haalde tegen de verwachting in de Tweede Kamer niet.
Ernsting bleef nauw betrokken bij de partij. In 2006 bemiddelde hij tussen Sam Pormes en de GroenLinksfractie in de Eerste Kamer, nadat de verhoudingen ernstig waren verstoord door een royementsprocedure tegen Pormes die feiten over zijn verleden zou hebben verzwegen. Tot 2006 was Ernsting directeur van de vereniging Humanitas; hij is nu nog actief als adviseur van de goede doelenloterijen, als voorzitter van Opera Spanga en als voorzitter van de Vereniging Nederlandse Organisaties Vrijwilligerswerk (Vereniging NOV).

Wat waren jouw verwachtingen van GroenLinks?

“Natuurlijk had ook ik de hoop dat we een grote partij zouden worden, maar voor mij was het eigenlijk belangrijker dat er door de oprichting van GroenLinks nu een kans bestond om onze politieke paradigma's naast elkaar te leggen en tot iets te komen wat echt iets zou toevoegen.
Dat had natuurlijk alles te maken met de situatie van de CPN op dat moment. Na de verkiezingen van 1986 vielen de kleine linkse partijen van tien naar drie zetels terug en de CPN verdween net als de EVP geheel uit de Tweede Kamer. We hadden het wel zien aankomen, maar niet dat het zo dramatisch zou zijn. Na twee kabinetten Lubbers, waarin er nauwelijks ruimte was geweest voor oppositie, bestond er een enorme behoefte om de krachten te bundelen en Lubbers te verslaan.
Dan zie je altijd een trek naar de grote partijen. De kleine partijen konden zich bovendien te weinig onderscheiden van de PvdA, want ook die was gedwongen om scherp oppositie te voeren. En dus werden we weggevaagd. Voor de CPN was het erg treurig, want we hadden nog wel overal raadsleden en we moesten dus als partij wel verder. Ina Brouwer en ik hebben toen een rondgang gemaakt langs mensen binnen en buiten de partij. Aanvankelijk dachten we dat kleinlinkse samenwerking noodzakelijk was omdat de CPN alleen nog geen deuk in een pakje boter kon slaan, maar dat de CPN wel eerst op eigen kracht in de Tweede Kamer terug moest komen. Gaandeweg bleek dat daartoe geen kans meer was. Samenwerking weigeren zou betekenen: teruggrijpen op het oude gedachtegoed, terwijl samenwerking de kans bood om dat gedachtegoed opnieuw tegen het licht te houden. En volgens mij is dat in GroenLinks met succes gebeurd.”

Speelde de Perestrojka en de ontwikkelingen in het Oostblok een rol bij het instorten van de CPN?
“Ja, absoluut. De CPN lag al sinds de Russische inval in Tsjecho-Slowakije in 1968 in onmin met de zusterpartijen in het Oostblok en zeker na de coup in Polen in 1979. Het partijcongres heeft in 1981-1982 een nieuw beginselprogramma aangenomen waarmee de CPN werd getransformeerd van een communistische partij naar een radicaal sociaal-democratische partij. De dictatuur van het proletariaat en het eenpartijstelsel werden ingeruild voor een principiële keuze voor een meerpartijenstelsel en voor democratie. Eigenlijk was dat ook al een voorteken voor wat er stond te gebeuren. Want wat was na dat congres nog het fundamentele verschil tussen de CPN enerzijds en de PSP en PPR anderzijds?”

Je hoopte op een vernieuwing van de politieke paradigma’s in GroenLinks. Had de CPN na deze ideologische wending daarbij nog een eigen inbreng?
“Wat generaliserend kun je zeggen dat de PSP de thematiek van oorlog en vrede inbracht, de PPR het milieu en de CPN de sociale strijd. De CPN had de meeste contacten met de vakbeweging, ze beschikte over sociaal radicalisme met bijbehorend activisme. Na 1989 waren veel CPN’ers ontzaglijk blij dat die verschillende posities in het maatschappelijk veld gebundeld konden worden.
We moeten ons heel goed realiseren dat de periode van de jaren tachtig een organisch proces is geweest van 'het gaat zo niet meer '. Na de Tweede Wereldoorlog begon de CPN met 10 zetels (!), in de loop van de jaren vijftig zakte de partij naar 2 of 3 en krabbelde dan weer omhoog tot aan het hoogtepunt in 1972 met 7 zetels voor de CPN, 7 voor de PPR en 2 voor de PSP: 16 zetels bij elkaar. In 1977 donderde het weer omlaag. Het dal werd steeds dieper en het opkrabbelen ging steeds langzamer. Het was eigenlijk gewoon gedaan en iedereen was zich daarvan bewust. De oude paradigma's waren bij de oprichting van GroenLinks al zo uitgewerkt, dat ze niet veel strijd meer veroorzaakten en dat is maar goed ook, want doorgaans leidt dat ertoe dat mensen afhaken in plaats van instromen. Maar er is wel degelijk sprake van ideologische vernieuwing.
Over het milieu hebben we nooit diepgaande meningsverschillen gehad. Nadat er in 1979 bijna een ongeluk plaatsvond in een kernreactor in Harrisburg in de Verenigde Staten was het ook voor de CPN duidelijk dat kernenergie niet veilig was. En de gedachte dat kernenergie wel kon als het maar onder socialistische verhoudingen werd geproduceerd werd natuurlijk definitief onderuit gehaald na de ramp in Tsjernobyl in 1986. Wel is de CPN altijd van mening geweest dat het milieu geen voorwendsel mag zijn om mensen die weinig hebben nog meer af te pakken.
De twee belangrijkste strijdpunten in GroenLinks hebben zich afgespeeld op de beide andere terreinen. Ten eerste rondom oorlog en vrede bij de NAVO bombardementen in Kosovo in 1999 en ten tweede op sociaal terrein met de discussie over de nota Vrijheid eerlijk delen vanaf 2005.”

Hoe lag de discussie over Kosovo bij oud-CPN’ers?

“Veel CPN'ers hadden het erg moeilijk met het bombardement. Voor Marcus Bakker was het reden zijn lidmaatschap van GroenLinks op te zeggen. Dat een partij die voor de vrede is een bombardement zou kunnen goedkeuren was onverteerbaar voor hem. Ik keek naar de gebeurtenissen in Kosovo met in mijn achterhoofd de moordpartijen in Rwanda in 1994 en vond het onaanvaardbaar dat er nog eens een dergelijke krachtpatserij van de ene bevolkingsgroep tegenover de andere plaatsvond. Ik kon me dus wel vinden in ingrijpen. Achteraf kijk ik er toch weer wat anders tegenaan, omdat zo weinig internationale interventies succesvol zijn geweest. Wat er nu met Rusland, Georgië en Ossetië gebeurt, dat is toch dramatisch. Het is alsof de geschiedenis zich gewoon weer herhaalt. Sinds de draai met betrekking tot Kosovo zijn we het normaal gaan vinden dat het ene land zich met een ander land bemoeit op grond van een notie van mensenrechten. Vredesoperaties worden een rechtvaardiging voor gewelddadig ingrijpen in een ander land. Dat is wel reden om onze standpunten opnieuw te overdenken.”

Hoe sta je in de discussie over het sociale beleid?
“Ik was erg blij met Vrijheid eerlijk delen omdat ik dat een moedige stap vond om tot een echt nieuw paradigma te komen. Wat mij betreft is het de eerste poging om op het gebied van sociaal beleid op een andere manier naar mensen te kijken en mensen anders te benaderen, niet alleen als stemmers maar ook als actoren in het maatschappelijke proces. Een poging om burgers in een veel actievere en verantwoordelijke rol te plaatsen zonder de verantwoordelijkheid als overheid weg te gooien. Ik begrijp de angst wel dat er teveel wordt uitgegaan van de sterke, zelfredzame mens, maar het mooie van Vrijheid eerlijk delen is nu juist dat mensen die het niet redden een hogere uitkering krijgen dan nu. Toen ik dat las dacht ik aan de woorden van Marga Klompé bij de invoering van de bijstandswet in 1963, dat mensen die echt niet in hun bestaan kunnen voorzien met opgeheven hoofd een beroep op de overheid moeten kunnen doen. Ik vind dat er een groot verschil is tussen het definiëren van zo'n bodempositie en het op elk moment opeisbare recht, dat er daarna is gegroeid met de komst van de WAO, de WW etc. De vraag is dus wat is de bodem en wat doe je om boven die bodem mensen te stimuleren om in beweging te zijn en zichzelf kansen te verschaffen. Die vragen moet je stellen.”

Vind je dat die inhoudelijke discussie in de partij voldoende is gevoerd of dat er toch vooral is gereageerd vanuit ideologische reflexen?
“Dat laatste. Ik vind het dramatisch dat sommigen in de partij de hakken in het zand zetten in plaats van na te denken over de manier waarop GroenLinks moet opkomen voor de zwakkeren. De vraag of we dat in het verleden altijd op een goede manier hebben gedaan hoort daar wel bij. Als je inziet dat dat toch niet helemaal goed geweest met 1 miljoen WAO'ers en bijna permanent zo'n 350.000 mensen in de bijstand dan vind ik dat er ook een verantwoordelijkheid bij de critici ligt om aan te geven hoe het dan op een andere manier tot een ontspannen en dynamisch betrekken van mensen moet komen. Het vertrekpunt moet hetzelfde zijn, namelijk dat het oude systeem niet meer werkt, net zo goed als het oude systeem van onze moederpartijen niet meer werkt. Dat soort moed heb je wel nodig. Als deze voorstellen van GroenLinks over sociaal beleid niet waren gedaan dat was het opnieuw een buitengewoon defensief verhaal geworden wat helemaal gedomineerd wordt door rechts.
Datzelfde dreigt ook te gebeuren op het gebied van ontwikkelingssamenwerking, milieu en internationale politiek. Ook daar zijn nieuwe paradigma's hard nodig. Links moet het defensief waar we toch al een tijd inzitten afschudden en nieuwe perspectieven en strategieën schetsen. Bijvoorbeeld wat betreft ontwikkelingsbeleid. Niet alleen economen van de wereldbank, maar ook mensen van de Afrikaanse landen zelf zeggen dat de huidige ontwikkelingshulp de situatie alleen maar verergert: het leidt tot corruptie en fraude en landen die voor 40% van hun budget afhankelijk zijn van hulp krijgen helemaal geen impulsen om naar vormen van zelfvoorziening te streven. Dat zijn vitale kritiekpunten waar ook een partij als GroenLinks met zijn traditie antwoorden op moet geven. Als we er niet in zouden slagen op een open en dynamische manier met politiek bezig te zijn, dan is het snel met ons gebeurd, denk ik. Een voorbeeld van hoe het kan vond ik het festival in de Haagse Hogeschool. GroenLinks wist daar een groep mensen van binnen en buiten de partij te mobiliseren die op allerlei manieren met thema’s en ontwikkelingen bezig zijn”

Dat festival was onderdeel van het toekomstproject van de partij. In november staan de uitkomsten ervan op de congresagenda. Ben je positief over het verloop van de discussies in dat project?

“Het debat wordt wel erg op metaniveau gevoerd. Ik heb het vermoeden dat dat is om te voorkomen dat de scherpte van het debat over Vrijheid eerlijk delen zou terugkomen, terwijl dat van mij best mag. Nu worden de pijnpunten teveel omzeild door steeds in algemene termen te spreken. Het document wat er nu ligt is wat mij betreft irreëel in zijn positivisme over de toekomst. We hoeven niet allemaal hypochonders te worden, maar er zijn toch veel problematische zaken ook in het functioneren van de politiek zelf die benoemd moeten worden. Simpelweg roepen dat de toekomst aan ons is helpt ons niet verder. Ik vind bovendien dat die toekomstdiscussie niet moet eindigen op het congres in november. Hooguit kun je als congres vragen om visieontwikkeling op een specifiek terrein. Eén van de paradigma’s die ook op de helling moeten is dat een congres voor zoveel jaren een standpunt vast timmert. Natuurlijk moeten de kiezers weten waar ze aan toe zijn, maar GroenLinks heeft genoeg geschiedenis om dat houvast te kunnen bieden door concreet politiek optreden. We moeten een echt globale analyse maken om vandaar uit eigen posities te formuleren. Maar we moeten geen alomvattend plan voor de toekomst ontwerpen. Daar ben ik helemaal van genezen.”

Op welk punt in zijn ontwikkeling is GroenLinks nu?
“Op het punt van een echte generatiewisseling. Als we erin slagen om talenten in de leeftijdsfase van 25 tot 40 naar ons toe te halen die de kar gaan trekken, dan ben ik redelijk optimistisch over de toekomst van de partij.”

Erica Meijers is hoofdredacteur van De Helling

De Helling 2008/3


Inhoud 2008/3