de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

De jaren zestig in de politieke strijd vandaag

door Noortje Thijssen

De terugblikken op 1968 die dit jaar overal verschijnen zijn zelden bedoeld om die periode in de geschiedenis recht te doen. Zij worden vooral gebruikt om positie te kiezen in het debat over de huidige politieke cultuur. Een analyse van argumenten en sentimenten in de discussie.

‘De jaren zestig’ is een ideologisch beladen begrip geworden. Politici en commentatoren gebruiken deze periode regelmatig in het huidige politieke en publieke debat. Het schermen met de jaren zestig gebeurt op verschillende manieren. Zo zetten politici en commentatoren deze periode in om zichzelf te positioneren of juist om de tegenstander in een hoek te zetten. Ook worden de jaren zestig vergeleken met de huidige tijd om het politiek-maatschappelijke klimaat van nu te duiden. Tenslotte worden de jaren zestig gebruikt om de huidige tijd te verklaren. Dan wordt er in de argumentatie vanuit gegaan dat de jaren zestig een directe invloed hebben op de situatie zoals die nu is. Daarmee suggereren politici en commentatoren dat er sprake is van een doorwerking van de revolutie van de jaren zestig in de huidige politieke ontwikkeling.

Het is niet vreemd dat er de afgelopen jaren wordt teruggegrepen op de jaren zestig. De turbulente periode sinds 2002 (‘het jaar van Pim Fortuyn’) die tot op heden voortduurt kent opvallende gelijkenissen met de roerige jaren zestig. In beide perioden kwam er onverwachts onrust in de samenleving en werd het politieke klimaat gespannen. De roep om vernieuwing klonk luider dan in de voorafgaande perioden. De gevestigde politieke elite werd door groepen uitdagers met succes aangevallen. De maatschappelijke verhoudingen veranderden en het bestaande politieke stelsel kwam onder druk te staan. Juist voor Nederland is een dergelijke onrustige en gepolariseerde situatie opvallend. In vergelijking met andere westerse democratieën staat Nederland immers bekend om haar sociale en politieke cultuur van harmonie en consensus.

Nieuwe conflicten

De politieke polarisatie sinds 2002 had vooral betrekking op sociaal-culturele thema’s. Vergeleken met de voorafgaande decennia is daarmee de inhoud van het politieke debat verschoven, aangezien de strijd toen vooral ging over sociaal-economische verdelingsvraagstukken. Kwesties die nu de boventoon voeren gaan over onderwerpen als immigratie, integratie, veiligheid, nationaliteit en identiteit of normen en waarden. Ook fundamentele grondrechten als het gelijkheidsbeginsel, de vrijheid van meningsuiting of de godsdienstvrijheid staan nu in het brandpunt van het politieke debat. Met de nieuwe dominante thema's is de structuur van het politieke speelveld veranderd. Naast de klassieke links-rechtsverdeling, die vooral gaat over sociaal-economische onderwerpen, is er een sociaal-culturele dimensie bijgekomen. De schaal van die dimensie loopt van conservatief (cultureel behoudende waarden) tot progressief (cultureel vooruitstrevende waarden). Politici en partijen, maar bijvoorbeeld ook commentatoren, columnisten en wetenschappers, positioneren zich sinds de eeuwwisseling bij de nieuwe conflicten op deze culturele as.

Bij de plaatsbepaling in het veranderende politieke speelveld vormt de 'culturele revolutie' van de jaren zestig een ankerpunt voor politici en commentatoren. Maar uitleg over wat de jaren zestig precies zijn geweest of hebben betekend, wie de ontwikkelingen in gang hebben gezet, op welke terreinen dat heeft plaatsgevonden en wanneer de periode begon en eindigde wordt meestal achterwege gelaten. Blijkbaar zijn de jaren zestig voor velen een op zichzelf staand begrip geworden. In werkelijkheid zijn de beelden en sentimenten voor ieder zeer verschillend. Voor de een was het een culturele omslag, voor de ander was er ook sprake van een politieke aardverschuiving. En als het dan een culturele verandering betrof, was het dan in waarden, in levensstijl of gewoonweg onnadenkend anti-autoritarisme? Ging het slechts om een afrekening met het bestaande of wilden 'ze' ook daadwerkelijk vernieuwing? En wie zijn ‘ze’? Waren dat jonge hemelbestormers of was het puberend tuig? Of waren het hun ouderwetse en vasthoudende ouders die het verzet met hun conservatisme uitlokten? Anderen zien de aanstichter van de grote veranderingen in de zwakke of meebuigende elite zelf. Ook over de plaats waar het zich afspeelde heerst geen consensus. Sommigen zijn van mening dat heel Nederland 'last' of juist 'profijt' had van de jaren zestig. Voor anderen betroffen het veranderingen in het dagelijks leven bij de mensen thuis. Weer anderen zien slechts de straten en pleinen van Amsterdam als toneel.
Hoewel er geen consensus over de betekenis van de jaren zestig bestaat, is er wel een duidelijke tweedeling waar te nemen in de beoordeling van deze periode. Het ene kamp zet zich af tegen de jaren zestig, terwijl het andere kamp zich juist laat inspireren door deze periode. Het oordeel van beide kampen heeft betrekking op de vermeende erfenis die typische jaren zestig waarden als 'vrijheid en emancipatie', 'zeggenschap' en 'tolerantie en gedogen' hebben nagelaten. Ik spreek hier opzettelijk van de vermeende erfenis, aangezien hun houding niet zozeer gebaseerd is op wat er werkelijk is gebeurd, maar vooral op de dominante beeldvorming en sentimenten van deze periode. Het kamp dat sceptisch staat tegenover de invloed van de jaren zestig, is van mening dat deze waarden zich verder hebben ontwikkeld dan wenselijk is. Zij vinden dat de idealen van de jaren zestig nu te ver zijn doorgeschoten. Binnen het kamp dat een positief oordeel heeft over de jaren zestig, is er aan de ene kant een groep die vreest dat de verworvenheden van de jaren zestig verloren gaan en aan de andere kant een groep die vindt dat de jaren zestig nog lang niet zijn voltooid.

Doorgeschoten

In het boek ‘Vrijheid als ideaal’ stelt Femke Halsema dat de economische emancipatie nog lang niet af is. Volgens haar heeft de nadruk die vooral de sociaal-democraten legden op bevoogdende staatsarrangementen geleid tot een gebrek aan economische soevereiniteit van met name kwetsbare burgers. Door het geven van inkomenssteun is deze groep volgens haar alleen maar afhankelijk en inactief geworden. Dat botst met haar idealen van vrijheid en ontplooiing. De door haar voorgestelde hervormingsplannen die de emancipatie een stap verder zouden moeten brengen, staan haaks op de idealen van partijen als het CDA en de ChristenUnie die de jaren vijftig boven de jaren zestig lijken te prefereren. De emancipatie van bijvoorbeeld vrouwen is in hun ogen eerder te ver doorgeschoten. Zo liet André Rouvoet, kopstuk van de ChristenUnie, zich onlangs negatief uit over werkende moeders. Volgens hem was er een direct verband aanwezig tussen de groeiende problemen bij de jeugd en ouders die te weinig thuis zouden zijn. Maar de plannen van Halsema konden eveneens niet rekenen op steun van de toch ook linkse kameraden van de Socialistische Partij.
Naast de onvoltooide economische emancipatie, pleit Halsema voor een verdergaande culturele emancipatie. Het door links lang gekoesterde motto van ‘integratie met behoud van identiteit’ stond de autonomie en zelfstandigheid van migranten in de weg. Daarom pleit zij voor het nieuwe perspectief ‘integratie door emancipatie’ - dat past binnen het emancipatie-ideaal van de jaren zestig. Dit motto lijkt ook het uitgangspunt van de PvdA-minister Vogelaar voor Wonen, Wijken en Integratie. De inzet van haar integratiebeleid is erop gericht dat allochtonen zelfstandig meedoen aan de samenleving door onder andere scholing en werk te bevorderen. Nadat Vogelaar haar integratienota had gepresenteerd, karakteriseerde Barry Madlener van de Partij voor de Vrijheid haar idealen als “denkbeelden uit de jaren zestig” en waarschuwde hij vervolgens dat “het mengen van verschillende culturen (...) grote spanningen en gevaren op[levert] voor vrede in de maatschappij.” Dit voorbeeld toont aan hoe tegenstrijdig de jaren zestig worden geïnterpreteerd en hoe ideologisch deze zijn gekleurd.
Een ander hedendaags debat waarin de jaren zestig een prominente rol spelen, is de discussie over de gevolgen van de seksuele revolutie. Deze strijd is complexer dan de voorspelbare instrumentele tweedeling tussen de mensen die seks puur als een middel zien voor het nageslacht en de mensen die seks ook als een genotmiddel beschouwen. Onlangs opende de feministische 'Beperkt-houdbaar-beweging' het debat over de seksualisering van de samenleving. Opvallend is dat de aanjagers en sympathisanten van deze beweging helemaal niet terugverlangen naar de tijd vóór de jaren zestig of dat zij allemaal een christelijke achtergrond hebben. Het waren juist grotendeels vrouwen uit links-progressieve hoek – daar waar de seksuele revolutie werd ontketend - die de seksuele beleving in Nederland gecommercialiseerd en doorgeslagen vonden. Ook de hierop volgende 'Slow sex beweging', wederom van links-progressieve komaf, bekritiseerde de seksuele moraal waarin seks niks méér zou betekenen dan platte en seksistische porno. Offensief stelden zij dat 'de seksuele revolutie nog moet beginnen'.

Onvoltooid

Naast de kritiek op de onvoltooide of doorgeslagen vrijheid en emancipatie, ligt een tweede belangrijk ideaal van de jaren zestig onder vuur: zeggenschap. Voor sommigen is ook dit streven nog lang niet voltooid. In het kamp dat positief staat tegenover de jaren zestig doen politieke partijen als GroenLinks en D66 daarom voorstellen ter bevordering van de politieke participatie waarbij burgers meer macht krijgen ten opzichte van de politiek. Dergelijke voorstellen gaan uit van een groot vertrouwen in burgers. Er is ook een ander, cynischer geluid te horen over de onvoltooide zeggenschap. Zij zijn teleurgesteld in de generatie van de jaren zestig. Volgens hen hebben de toenmalige vernieuwers hun zeggenschapsideaal aan de kant geschoven uit opportunistische overwegingen. Fortuyn sprak bijvoorbeeld over het gesloten bolwerk van ‘Ons Soort Mensen’ die hun macht niet zouden willen afstaan aan buitenstaanders. Dan is er een derde groep die van mening is dat de zeggenschap is doorgeschoten. In hun ogen hebben burgers tegenwoordig veel te veel te zeggen en gedragen zij zich als verwende en ontevreden consumenten in plaats van bevlogen en betrokken burgers. Dat uit zich in hufterigheid en een cultuur waarin het de grote monden zijn die domineren.

De jaren zestig worden ook aangehaald in het publieke en politieke debat als het gaat om de kenmerkende Nederlandse cultuur van tolereren en gedogen. In het buitenland staat Nederland bekend om haar tolerante houding ten opzichte van homoseksualiteit en om het gedoogbeleid ten opzichte van drugs. Deze eigenschappen van de Nederlandse cultuur worden door velen wel gezien als een positief gevolg van de jaren zestig, maar de afgelopen jaren lijkt deze trots te zijn afgenomen en is de roep om te stoppen met het gedogen en tolereren luider geworden. Tolerantie wordt dan geassocieerd met politieke correctheid, taboes of het ontkennen van problemen. Dat verwijt is bijvoorbeeld vaak gemaakt naar multiculturalisten die niet wilden erkennen dat de multiculturele samenleving naast een culturele verrijking, ook negatieve kanten met zich meebracht. Met de komst van de islam in Nederland zouden juist de verworven vrijheden en gelijkheidswaarden van de jaren zestig, als de gelijkheid van vrouwen en de acceptatie van homo's, niet meer altijd even vanzelfsprekend zijn. Evenals bij tolerantie, wordt de gedoogcultuur in verband gebracht met het niet mogen aanspreken op andermans gedrag en het niet willen oplossen van maatschappelijke problemen. Zo sprak Leon de Winter in het najaar van 2002 over een typische wegkijkcultuur. Dat bracht hij in verband met de dood op René Steegmans, die om het leven kwam door zinloos geweld nadat hij twee jongens aansprak op hun asociale gedrag. In zijn ogen had gebrek aan repressie in de publieke ruimte namelijk geleid tot de neiging tot wegkijken en daar was Steegmans uiteindelijk slachtoffer van geworden. De gedoogcultuur was volgens De Winter een gevolg van de jaren zestig: “Ten grondslag aan dat verlies van de openbare ruimte ligt de culturele revolutie van de jaren zestig, die weinig samenlevingen zo diep heeft veranderd als de Nederlandse” zo schreef hij venijnig in de Volkskrant.

Achteloosheid

Bij het ideologische begrip van de jaren zestig, bestaat geen simpele verdeling tussen links en rechts of progressief of conservatief – dat laten meerdere van bovenstaande voorbeelden zien. Dat kan de plaatsbepaling op het politieke speelveld lastig maken. Zo komt het voor dat eenzelfde persoon de jaren zestig op verschillende terreinen zowel positief als negatief kan beoordelen. Een treffend voorbeeld hiervan is Pim Fortuyn. Aan de ene kant verdedigde hij jaren zestig waarden als de emancipatie van vrouwen en hield hij er een vrijgevochten seksuele moraal op na. Aan de andere kant verweet hij de babyboomers (de jaren zestig-generatie, zijn eigen generatie dus) dat zij een Nederlandse cultuur van achteloosheid hadden veroorzaakt waarin volgens hem een sterke identiteit ontbrak en waarin de gezamenlijke normen en waarden werden verslonsd.
De ambivalentie over de erfenis van de jaren zestig is ook binnen partijen te bespeuren. Dat is vooral te zien bij de PvdA, die sinds het grote electorale verlies van de afgelopen jaren worstelt met de koers die zij wil varen. Bij de sociaal-democraten zijn het met name de relatief jonge politici die aansluiting vinden bij het sceptische kamp. Volgens politici als Jeroen Dijsselbloem en Hans Spekman zijn het nu de meest kwetsbaren die problemen ondervinden van de progressieve jaren zestig waarden. Dat idee komt overeen met de stelling van de Engelse psychiater Theodore Dalrymple. Hij verwijt de generatie van de jaren zestig cultuur- en waardenrelativisme en een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel. Volgens hem konden de intellectuelen de daarmee gepaard gaande vrijheid wel aan, maar heeft het een afhankelijke onderklasse in stand gehouden en heeft dat uiteindelijk kunnen leiden tot ontwikkelingen als tienerzwangerschappen en de verloedering van wijken. Zelfs de toch als progressief bekend staande minister Plasterk lijkt een dergelijke visie te delen toen hij tijdens een emancipatiedebat betoogde dat er “in de jaren zestig (...) sprake [was] van een hoge mate van vrijheid voor mensen om hun seksualiteit op hun eigen manier te beleven. Die vrijheid gaat nu op een aantal punten verkeren in onvrijheid voor mensen, vooral bij jongeren en kwetsbare groepen onder hen.” Vooralsnog is niet duidelijk welk kamp binnen de PvdA de richtingenstrijd gaat winnen. Maar met de behoudende concurrenten als het CDA aan de rechterkant en de SP aan de linkerkant, lijkt de PvdA ertoe te neigen langzaam de rug te keren naar haar eigen vrijheidsstrijders van de jaren zestig.

Noortje Thijssen werkt aan een proefschrift over de manier waarop de jaren zestig worden gebruikt in het politieke discours.

Noortje Thijssen is medewerker van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks en redacteur van de Helling

De Helling 2008/3


Inhoud 2008/3