door Marius Ernsting
Het grootste deel van 1968 was ik 20. Twee jaar eerder was ik als rustig ontkerstende tuinderszoon uit de Beemster vertrokken naar dat magische Amsterdam om er nooit meer weg te gaan.
Ik studeerde aan de Vrije Universiteit (VU) politicologie en was al snel actief geworden. Eerst in de faculteitsvereniging, toen in de studentenvakbeweging en de studentenraad. In dat jaar haalden we aan de VU voor het eerst de absolute meerderheid in die raad. 1 mei 1968 was mijn finest hour: namens de studentenbeweging sprak ik, trillend van de zenuwen, in de Oude Rai een paar duizend linkse mensen toe. Ik sprak over de buitenlandse politiek van de Verenigde Staten, onder leiding van president Johnson diep verwikkeld in de Vietnamoorlog: “De VS steunt momenteel tien keer zoveel fascistische regimes als het in de Tweede Wereldoorlog bestreden heeft”. Een stormachtig applaus was mijn deel, een sensatie die je lang bij blijft. Dat ik was gevraagd om namens de studentenbeweging te spreken omdat ik een beetje proletarisch accent had was iets dat je wel makkelijk vergeet…
Het jaar 1968 wordt, zeker in de terugblikken veertig jaar later, vooral geassocieerd met de studentenrevoltes in Parijs en Berkeley. De “sturm und drang” van een nieuwe generatie, idealistisch en gedreven, verlangend naar vernieuwing en vooruitgang. Veertig jaar na dato wordt dat nogal eens gevolgd door lastige vraag: “en wat hebben jullie er nou eigenlijk van terecht gebracht?” Maar daarover straks.
Het is opmerkelijk hoe het collectieve geheugen (dat geldt trouwens ook voor het individuele geheugen) een vertekend beeld kan geven. Immers, 1968 was een jaar waarin veel meer aan de hand was, en het is nog maar de vraag of Parijs in die kluwen van gebeurtenissen eigenlijk wel het belangrijkst was. Als er één ding in dat jaar domineerde, dan was het geweld.
Het jaar begint al meteen fors: in Vietnam met het Tet-offensief, dat de Amerikanen er hardhandig mee confronteerde dat ze die oorlog niet zo makkelijk zouden winnen. Vervolgens komt, teken van hoop, in Tsjecho-Slowakije Dubçek aan de macht, die een Praagse Lente in de Koude Oorlog leek aan te kondigen. En dan, in april, twee moordaanslagen: Martin Luther King wordt vermoord door een blanke scherpschutter, waarna hevige onlusten in Amerikaanse steden uitbreken met enkele tientallen doden. In Berlijn wordt studentenleider Rudi Dutschke neergeschoten door een rechts warhoofd. Hij overleeft het, maar wordt nooit meer de oude en overlijdt jaren later in betrekkelijke vergetelheid. “Springer hat mittgeschossen” klinkt het duizendvoudig tijdens de demonstraties die erop volgen. “De kogel kwam van links” enkele decennia later is dus niet eens zo origineel.
In mei zijn het de studenten van Parijs en Berkeley die, geïnspireerd door Herbert Marcuse, zich de voorhoede van de revolutie wanen. “Alles moet geëist worden, niets gerealiseerd”, staat op de Parijse muren gekalkt. Een vooruitziende blik? Heel kort daarna een nieuwe klap: de moord op Robert Kennedy, een gebeurtenis die voor veel mensen de opgeflakkerde hoop op betere tijden smoort (ze staan langs de rails, in onafzienbare rijen in tranen, wanneer de trein met het stoffelijk overschot door het land rijdt). En het wordt nog erger als in augustus de prille Praagse Lente door de legers van het Warschaupact onder de voet wordt gelopen.
In Afrika, in het zuiden van Nigeria woedt ondertussen de oorlog om Biafra, waar door de honger 6.000 mensen per dag sterven. In oktober wordt een studentendemonstratie in Mexico-stad in bloed gesmoord: tussen de 300 en 500 doden: symbool voor de grimmige kant van weerstand tegen verandering. Aan het eind van het jaar wordt in Nederland de actiegroep Man Vrouw Maatschappij opgericht, maar wordt ook Richard Nixon gekozen tot president van de Verenigde Staten. En om de verwarring compleet te maken: uitgerekend hij is het die vier jaar later een vredesakkoord sluit met Noord-Vietnam…
Om terug te komen op die vraag wat we ervan terecht hebben gebracht: het voorgaande caleidoscopische beeld maakt duidelijk dat 1968 een jaar was waarin alles kon gebeuren. Wij, de babyboomgeneratie die in 1968 zijn volwassenheid voelde ontwaken, proefden inderdaad de sensatie dat je maar een beetje hoefde te bewegen en te blazen, en de autoriteiten donderden om. “Street fighting man” zongen de Rolling Stones. Maar die roes was een kort leven beschoren: de terugslag was, zonder dat we ons dat toen realiseerden, dichtbij en de opvolgers van de omgevallen autoriteiten liepen zich al warm. Nog sterker, de echte tegenkrachten, dat grootkapitaal waar we het veel en hevig over hadden, hield zich gewoon een beetje koest, calculerend dat een omwenteling niet alleen maar schadelijk is voor omzet of winst.
Er manifesteerde zich een nieuwe voorhoede, en dat zou zeker doorwerken: een jonge generatie, zelfbewust en mondig, met een eigen cultuur, en met een snel groeiende koopkracht. Wij waren goed beschouwd de voorbode van grote veranderingen: meer jongeren in het hoger onderwijs, meer vrouwen op de arbeidsmarkt, meer individuele keuzemogelijkheden voor iedereen, meer en verder reizen, meer uitgaan, meer economische groei, meer geld en meer markt. Als iets ons verweten kan worden dan is het de grenzeloze naïviteit die ons deed geloven dat onze beweging over de hele linie ook meer mens zou opleveren…
In 1969 volgden nog een jaar na dato de bezetting van het Maagdenhuis en een hele serie andere gebouwen en we hadden ook nog Woodstock. Maar het pleit werd gaandeweg beslecht.
En waar was ik? Zeker, ik was in Berlijn met de Paasdagen, gewoon om te kamperen en de stad te leren kennen, en de demonstraties na de aanslag op Dutschke hebben daar zeker bij geholpen. Ik sprak op 1 mei tot arbeiders en studenten, die het zeker beter zouden krijgen en dus minder opstandig werden. En ik was ook in Frankrijk, drie maanden na mei weliswaar, op vakantie toen de berichten over Tsjecho-Slowakije verschenen. Niks heroïsch, wel ontnuchterend.
Marius Ernsting is redacteur van De Helling
De Helling 2008/3