door Menno Hurenkamp
U leest dit blad. Dus ofwel u heeft een actieverleden ofwel u bent goed bevriend met mensen met een actieverleden. Er is zelfs een kans dat u een actietoekomst heeft. Al is die kans wat kleiner, en daarmee ook die actietoekomst. Maar de kwestie is hier natuurlijk: wat u vindt daarvan, van ‘een actieverleden’? Uw antwoord hangt af van de vraag of u vindt dat ‘actie’ naar – pardon - poep ruikt. Doet u wel of niet raar met uw neus als u iets over ‘actie’ moet zeggen? Wat doet uw gezicht wanneer u spreekt over ontdek-je-hekje, springveertje-achter-de-deur, eigen-boomhut-eerst en andere sprookjesachtige praktijken van weleer die het land zomaar in de greep kunnen krijgen? Er zijn drie variaties met de neus.
Stel, uw jaren tachtig waren glorierijk: u was koning van de buurt en de bakfiets was uw koets. Alleen bent u er toen u tegen de veertig liep van overtuigd geraakt dat vroeger alles duidelijk beter was. Ja, inderdaad, zoals uw vader voor u en diens vader voor hem. Zodra u nu om uw mening gevraagd wordt roffelt u zich op de borst van trots en verzint u spontaan nog wat extra aanvallen op ‘het gezag’. Ópen die neus en genieten! We noemen dit het ‘Jo van der Spek’ model (JSM), naar de journalist die de oude kameraden voorhoudt dat actie juist hélémaal niet naar poep ruikt, en ze er daarom nog eens flink met de neus doorheen haalt. Dit onder het motto ‘solidariteit met elkaar is één ding, solidariteit met mezelf is weer heel iets anders’.
Dat devies is ook het schamele verband met de groep mensen die lijkt te denken dat ‘actie’ wél naar poep ruikt, of dat ‘actie’ althans iets is waar je moeilijke neusbewegingen bij moet maken. Stel dat u allerlei maatschappelijk nuttigs deed in de jaren tachtig, of zelf ‘acties’ voerde. Maar nu vindt u het meer voor de hand liggen de wet na te leven, bijvoorbeeld omdat u betaald wordt om die wetten te maken, of meer in het algemeen omdat uw leven een tamelijk fatsoenlijke draai heeft genomen. Doorgeknipte draadjes op vliegvelden passen daar minder goed bij. Het verleden, wat dat ook mag zijn, is iets ingewikkelds waarbij je af en toe even vies moet kijken. We noemen dit het ‘Femke Duyvendak’ model (FDM), naar de twee volksvertegenwoordigers die recent vaststelden dat alleen via het parlement de maatschappij veranderd kon. Het is een gul standpunt dat veel plek biedt, aan neusbewegingen en aan mensen. Ook de redactie van bijvoorbeeld de Volkskrant voelt zich er in thuis: vele neuzen gaan er nerveus op en neer bij de gedachte aan actie.
Dan is er een laatste mogelijkheid. U stelt: het kan zijn dat actie vies ruikt, maar is dat ook erg? Moet je er ook rare neusbewegingen bij maken? Om poep nu thuis op de bank te hebben liggen, nee bedankt, maar zonder gaat het ook niet echt, en u weet toevallig een handig systeem om er vanaf te komen. Dat is het ‘Maarten Cohen’ model (MCM), naar de Amsterdamse burgemeester en wethouder. De burgemeester, zelf zeker niet van de barricades, breekt graag een lans voor alles dat voorkomt dat zijn stad in een nette versie van een openluchtmuseum verandert. Hij wil daarom best een wethouder met actieverleden verdedigen. Ook dit is een ruimhartig standpunt, vooral verbaal krachtige mensen kunnen er makkelijk mee uit de voeten. Wat u ook over actie zegt, uw neus blijft stabiel.
Vraag u zelf eerst af welk model u wilt hanteren. JSM is lachen maar treurig. FDM is begrijpelijk maar wekt verdeeldheid op. MCM verenigt maar klinkt snel zelfvoldaan. Ga dan voor de spiegel staan. Oefen tot u uw neus bij het woord ‘actie’ spontaan de gewenste reactie vertoont: open, dicht of onbewogen. Verander zonodig van standpunt tot uw neus overtuigd aanvoelt. U kunt nu uw actieverleden bespreken.
Menno Hurenkamp (1971) is politicoloog aan de Universiteit van Amsterdam, columnist van de Groene Amsterdammer, ex-redacteur van De Helling (1998-2005), redacteur van het jaarboek van de Wiardi Beckman Stichting. Dit najaar verscheen de bundel ‘In search of progressive America’, (University of Pennsylvania Press, 2008) samengesteld met Michael Kazin en Frans Becker, en later dit jaar verschijnt het boek ‘Wat burgers bindt’, geschreven met Evelien Tonkens (NICIS, 2008). Hurenkamp heeft in termen van heldendaden een mager actieverleden, brak niet in (althans niet voor de goede zaak), stond zelden in de voorste linies, beschilderde wel af en toe een gebouw en mogelijk dat ook wel eens een ruitje sneuvelde, ‘maar dat kan ook met voetballen zijn gebeurd’. Hij woont de komende jaren in Moskou en zal op deze plek achteloze vergelijkingen trekken tussen het politieke gekibbel in Rusland en het gevecht om rechtvaardigheid dat in Nederland geleverd wordt.
De Helling 2008/3