door Greetje Witte-Rang
De econoom Harry de Lange combineerde zijn leven lang vrijzinnig geloof en linkse politiek. Een introductie van zijn inzichten op dit terrein.
De econoom Harry de Lange is voor de meeste linkse christenen een bekende. Overtuigd en betrokken PvdA-lid, zeer actief in en namens de Nederlandse Raad van Kerken in het maatschappelijk debat en spraakmakend in de discussie over een ‘Economie van het Genoeg’. De Lange’s sociale betrokkenheid was geworteld in zijn gesprekken met christenen uit de hele wereld. Dat bracht hem tot fundamentele vragen bij de Westerse consumptiemaatschappij. Politiek vertaalde hij dat onder meer in voorstellen voor een maximuminkomen, meer zeggenschap voor werknemers in het bedrijfsleven en het kanaliseren van loonruimte in fondsvorming voor milieu en armoedebestrijding.
Hoe legde De Lange het verband tussen geloof en linkse politiek?
Vrijzinnig
De Lange’s kerk, de Remonstrantse Broederschap, wordt gerekend tot de vrijzinnigheid. Wat hem daarin als van oorsprong buitenkerkelijke aantrok, was de open houding van vrijzinnigen en hun brede culturele belangstelling. Als remonstrant zocht De Lange geen dispuut over het persoonlijk geloof, maar wel sprak hij mensen aan op de consequenties van hun geloof voor het dagelijks leven. In een interview na het verongelukken van zijn dochter in 1984 zei hij moeite te hebben de hand van God te zien in het individuele bestaan. ‘God is voor mij een bevrijdende kracht op weg naar gerechtigheid en ware menselijkheid. Als ik bisschop Helder Camara in Brazilië de stem hoor vertolken van het arme volk dat met stomheid geslagen is, dan denk ik: dat moet iets met God te maken hebben’ (…) ‘Ik weet geen raad met aardbeving en vloed, ik weet geen raad met reuma of Parkinson of kanker. Dit in tegenstelling met oorlog en geweld en racisme. Daar zijn mčnsen voor verantwoordelijk.’ Deze denklijn is een constante bij De Lange. De mens is geroepen mee te werken aan bevrijding en is daar ook toe in staat. Hij zou met Levinas kunnen zeggen: ‘God kennen is weten wat je te doen staat’. In dat kader hanteerde De Lange regelmatig het begrip ‘verzuim’: wanneer we datgene waartoe we geroepen en in staat zijn nalaten.
Qua politieke kleur zijn remonstranten zeer divers, en dat leidde soms tot felle discussies van De Lange met mederemonstranten over zaken als de strijd tegen apartheid en bewapening.
Hij was geďnspireerd door het denken van de Wereldraad van Kerken, een verband van kerken uit de hele wereld, opgericht in 1948. Hier ontwikkelde men het concept van de 'verantwoordelijke maatschappij', dat geďntroduceerd werd met de woorden: “In een verantwoordelijke samenleving voelen vrije mensen zich verantwoordelijk voor gerechtigheid en openbare orde en weten degenen die politieke en economische macht bezitten zich voor het gebruik daarvan verantwoordelijk tegenover God en mensen.” Het concept van de 'verantwoordelijke maatschappij' was geen blauwdruk van een ideale
maatschappij, maar een criterium om een maatschappij mee te beoordelen. De vraag is steeds of in een bepaalde maatschappij de mens in staat gesteld wordt (vrij is) om antwoord te geven op zijn roeping, namelijk mee te werken aan een rechtvaardige wereld. De Lange hechtte erg aan het begrip 'verantwoordelijk maatschappij' en werd woest toen het CDA het begrip
'verantwoordelijkheid' ging claimen voor iets wat meer weg had van
'zelfredzaamheid' dan van zorg voor de naaste.
Geen confessionele politiek
De Lange lag regelmatig overhoop met het CDA. Behalve op concrete punten als het snijden in de sociale zekerheid, bekritiseerde hij het CDA op de partijvorming op confessionele basis. Natuurlijk mogen gelovige politici persoonlijk aangesproken worden op het verplichtende karakter van het evangelie, stelde hij, maar wanneer een partij zich ‘christelijk’ noemt, eist die het in feite voor zich op in naam van Christus te handelen. En dat kan niet – de ‘zondestructuur van de mens’ maakt dat onmogelijk – en leidt er alleen maar toe dat de zaak van Christus kwaad wordt gedaan. Beseft bijvoorbeeld de ARP wel, zei hij in 1970, hoezeer zij christenen geschaad heeft door het op zichzelf goede ARP-programma niet uit te voeren? Dat is wat er gebeurt wanneer je je partij de naam ‘christelijk’ geeft.
Maar De Lange stoorde zich ook aan de antikerkelijkheid van zijn eigen partij, een oude socialistische erfenis die met de oprichting van de PvdA niet was uitgeroeid, net als aan het ‘vakbondsmaterialisme’ - in een tijd waar het juist over een andere levensstijl zou moeten gaan. In 1977 richtte De Lange zich met andere gelovige PvdA-leden, onder wie de secretaris-generaal van de Hervormde Kerk, Albert van den Heuvel en de ‘rooie dominee’ Jan Buskes, met deze kritiek tot het partijbestuur. In de partij was – terecht – cynisch gereageerd op het ‘ethisch reveil’ van Van Agt, stelden ze, maar de PvdA zou met een eigen verhaal moeten komen op basis van de socialistische uitgangspunten. Om aan de partij te tonen dat ze zich als christenen verbonden voelden met de partij, zetten ze voor de verkiezingen op 25 mei 1977 een advertentie in de dagbladen met als kop ‘De PvdA is niet heilig’ waarin ze (200 kerkleden) verklaarden PvdA te gaan stemmen, want: “… wij kunnen er niet omheen dat we in een wereld leven met onrecht en verdrukking. Daarom kiezen wij de PvdA.” In het boekje met dezelfde titel verwijst Buskes naar een soortgelijk initiatief uit 1945, toen zeven hervormde predikanten onder wie Buskes zelf, de brochure Wat bezielt ze? uitgaven, waarin ze hun toetreding tot de SDAP uitlegden: “Wij wijzen 'christelijke politiek' af, doch willen wel waarlijk ook op politiek terrein God dienen, maar uitsluitend door te trachten op dat terrein het rechte te doen…”
Binnen de PvdA sloot De Lange zich niet aan bij de christelijke werkgemeenschappen: hij vond een aparte organisatie voor christenen in de politiek niet nodig. Wel was De Lange actief in het Centrum voor Levensbeschouwing en Politiek, later het Trefpunt van Socialisme en Levensbeschouwing, waarin PvdA’ers van verschillende levensbeschouwingen en religies samenkomen. Als voorzitter probeerde hij in zijn partij aandacht te wekken voor levensbeschouwelijke vragen en belangrijke uitspraken van de kerken. Hij sprak in dit kader bijvoorbeeld over de ‘hidden theology’ (vaak een bepaalde antropologie) van veel economische theorieën en verwachtte van alle organisaties dat ze ideeën hebben over de overdracht van waarden en normen. Grote moeite had hij dan ook met het ‘afschudden van de ideologische veren’ door Wim Kok en regelmatig plaatste hij kanttekeningen bij wat hij zag als te verregaande individualisering in het PvdA-denken dat de socialistische ‘toewending naar de ander’ schaadde.
Linkse kritiek
Als kerk- en PvdA-lid kreeg De Lange vele jaren alleen kritiek van rechts. Dat veranderde in de – revolutionaire – jaren zeventig. De Lange weigerde zonder meer mee te gaan in revolutiedenken, zeker in het Westen. Onze samenleving is veranderbaar, stelde hij, als maar voldoende mensen zich daarvoor inzetten. Vandaar dat De Lange als een ware volksopvoeder door het land trok. Maar hij kreeg het verwijt te weinig oog te hebben voor de machtsfactor in de maatschappij en teveel vertrouwen in de veranderingswil en –mogelijkheden van de heersende groepen. Sindsdien reageerde hij als gestoken op ieder bij wie hij marxistische invloeden veronderstelde. Hard sprak hij zich in dat kader uit tegen de beweging Christenen voor het Socialisme, in het bijzonder tegen de katholieken onder hen, bij wie hij een grote gevoeligheid voor totalitair denken veronderstelde. Ook op zijn activiteiten en publicaties op het terrein van de ‘Economie van het Genoeg’, die hij veelal samen de econoom en christenradicaal Bob Goudzwaard in de jaren tachtig het licht deed zien, kwam van links de kritiek dat hun analyse niet fundamenteel zou zijn en dat de auteurs te zeer vertrouwden op de inzet van het individu. Veel van deze kritiek ergerde De Lange: hij ervoer die als ‘vanuit de zijlijn’: als iedereen maar gewoon mee zou doen, zou er veel te bereiken zijn.
Analfabetisme
We zien een merkwaardige golfbeweging: De Lange werd met zijn voorstellen eerst ‘links’ en vervolgens ‘rechts’ genoemd, en zou waarschijnlijk nu als ‘links’ gelden. Feit is echter dat De Lange buitengewoon stabiel was in zijn opvattingen. De conclusie moet zijn dat zowel links als rechts, inclusief het spraakmakend deel van het CDA, in wezen problemen heeft met het omgaan met vragen die voortkomen uit levensbeschouwelijke bezinning. Soms noemt men dat met een fraai woord ‘vrijzinnig’ of ‘liberaal’. Dit denken kent vaak (zowel links als rechts) een grote gevoeligheid voor het marktdenken, waarschijnlijk omdat men – ten onrechte - het idee heeft dat dit ‘neutraal’ is.
In de jaren ’70 leidde De Lange een werkgroep van de Raad van Kerken die gesprekken aanging met enkele multinationals over hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (betrokkenheid bij apartheid, bewapening e.d.). De bedrijven reageerden onwennig. Bij Philips werd zelfs opgemerkt: ‘is ethiek niet een uitvloeisel van een godsdienstige overtuiging, en vraag je dan niet aan de ondernemingsleiding godsdienstige beginselen tot uitgangspunt van haar handelen te nemen? Hoe moet ik dat mijn mensen meedelen?’ Het is dit morele (en religieuze) analfabetisme dat nog steeds verschillende politieke partijen parten speelt.
Greetje Witte-Rang promoveerde op 14 maart 2008 op de studie Geen recht de moed te verliezen. Leven en werken van dr. H.M. de Lange (1919-2001), Boekencentrum, Zoetermeer 2008.
Biografie
Harry de Lange (1919-2001) studeerde economie in Rotterdam en werkte na de oorlog bij het Centraal Plan Bureau als secretaris van Tinbergen. Vanaf 1964 was hij verbonden aan het Interuniversitaire Instituut voor Normen en Waarden, en van 1981-1984 was hij hoogleraar toegepaste sociale ethiek aan de theologische faculteit van de Universiteit van Utrecht.
In Nederland maakte hij 40 jaar deel uit van de commissie van de Raad van Kerken die zich met sociale vragen bezighield. Ook was hij actief in de Wereldraad van Kerken.
De Lange was vanaf de oprichting in 1948 lid van de PvdA. Zijn belangrijkste aandachtspunten waren de ontwikkelingsthematiek (hij schreef in 1966 het boekje Rijke en arme landen dat grote aftrek vond en was voorzitter van de Novib), sociale zekerheid en milieu. Samen met de econoom Bob Goudzwaard scheef hij in 1986 Genoeg van teveel, Genoeg van Te weinig over de Economie van het Genoeg.
Greetje Witte-Rang is protestants theoloog
De Helling 2008/1