de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Democratie in islamitisch perspectief

door Tariq Ramadan

De gedachte dat de islam van nature theocratisch is, dat zij onverenigbaar is met de democratie en geen scheiding der machten kent, wordt tegenwoordig veel gehoord. Tariq Ramadan reageert.

Wanneer we binnen een christelijke context willen spreken over politiek en religie, zullen we rekening moeten houden met de historische achtergronden van de verhouding tussen kerk en staat in het Westen. Verschillende modellen hebben in dit opzicht een rol gespeeld die zich beriepen op christelijke waarden. Dit geldt niet alleen voor Europa, maar ook voor de Verenigde Staten en Zuid-Amerika.
Datzelfde moet worden bedacht wanneer we de aard van de bestaande of de mogelijke betrekkingen tussen islamitische religieuze autoriteit en politieke macht willen begrijpen. Het woord ‘kerk’ moet hier vermeden worden, want een kerkelijke hiërarchie zoals de katholieke kerk die kent is binnen de islam niet aanwezig, noch in de soennitische noch in de sjiitische traditie. Een diepgaand historisch onderzoek is nodig om de ontwikkeling in het moslimdenken op zich beter te begrijpen en vooral de diversiteit van de benaderingen, zoals die zijn voorgesteld door de moslimgeleerden, te onderzoeken. Een dergelijk langdurig en uitputtend onderzoek is echter niet toegepast in dit artikel. Ik zal me daarom beperken tot het geven van een mogelijk kader voor een relatie tussen religieuze autoriteit en de staat binnen een democratie.

Secularisering
Twee verschijnselen, die – vaak onuitgesproken – het debat beheersen, vragen daarbij onmiddellijk de aandacht. Het eerste heeft te maken met een historisch misverstand, het tweede met de wetenschappelijke interpretatie van de islamitische bronnen zelf. Iemand die in het Westen woont zal niets begrijpen van de debatten over secularisering, scheiding tussen godsdienst en politiek in de islamitische landen als hij deze niet in de historische context van de laatste honderd jaar plaatst. Ten tijde van de kolonisatie kregen de landen met een overwegend islamitische bevolking voor het eerst te maken met secularisering. Bij de onafhankelijkheid kregen zij de scheiding tussen religie en politiek opgelegd. Het koloniale tijdperk geldt als een duistere periode van zelfontkenning en vervreemding waarin de kolonisator probeerde zijn regels en ideologie op te leggen. Islamitische verzetsstrijders en geleerden werden gevangengezet of gedood. De islam als religieuze autoriteit werd bestreden of voor eigen doelen misbruikt. De secularisering waarmee de koloniale onderneming gepaard ging, werd daarom door de meeste moslims bepaald niet ervaren als bevrijding, noch als een proces dat sociale rust met zich meebracht. Terwijl de scheiding tussen kerk en staat in Europa en Amerika tot godsdienstvrijheid en pluralisme leidde, wordt die in de geschiedenis van de hedendaagse islamitische samenlevingen juist met het tegenovergestelde geassocieerd: onderdrukking en vervreemding. Dat gebeurt in nog sterkere mate na de onafhankelijkheid van de verschillende landen. Alle regeringen die zich seculier noemen volgen het voorbeeld van Kemal Atatürk: neutraliteit in de publieke ruimte wordt opgelegd met behulp van wetten. Wie zich verzet wordt gevangengezet of geëxecuteerd. In feite hebben we hier te maken met dictaturen, van Nasser in Egypte tot Hafez al-Assad van de Syrische Baath-partij en Saddam Hussein in Irak. Er is dus geen enkele reden om bij secularisering en de scheiding tussen godsdienst en staat te denken aan meer vrijheid, aan respect voor religieuze pluriformiteit of aan democratie: de achtergronden zijn verschillend en de beelden staan haaks op elkaar.

Scheiding der machten
Het tweede verschijnsel betreft de simplificatie van islamitische uitgangspunten. De stelling is dan doorgaans dat de islam geen enkel verschil maakt tussen enerzijds het domein van de religie en anderzijds van de politiek. Deze hoogst discutabele visie heeft beetje bij beetje postgevat onder zowel oriëntalisten als onder moslims zelf. Zij ligt ten grondslag aan talloze misverstanden die absoluut besproken moeten worden. We kunnen hier onmogelijk op het geheel van oorzaken en gevolgen hiervan ingaan, maar het is in elk geval van belang te vermelden dat er in de rechtswetenschappen en de rechtspraak (fikh) vanaf het begin onderscheid is gemaakt tussen de werkwijze voor het terrein van de geloofsleer en de geloofspraktijk (waarvoor de teksten de enige referentie vormen) en de werkwijze als het gaat om maatschappelijke aangelegenheden, waarvoor de teksten alleen een algemene richting aangeven (het ethisch kader). Maar in de uitwerking van de regels voor het maatschappelijk verkeer wordt persoonlijk en collectief rationeel handelen, intellectuele creativiteit en de sociale, politieke, culturele en economische context in samenhang gecombineerd. In de islamitische rechtsorde wordt vanaf het begin onderscheid gemaakt tussen enerzijds het domein van de dogmatiek en anderzijds het terrein van het collectieve rationele handelen waarin door middel van debat en onderhandeling naar het beste sociale en politieke organisatiemodel voor dat moment wordt gezocht.
De geschiedenis van de moslimsamenlevingen getuigt van deze realiteit; er is sprake van een grote verscheidenheid aan benaderingen. De enige uitzondering wordt wellicht gevormd door stromingen die een letterlijke lezing van de islamitische teksten voorstaan zoals de salafisten, die overigens soms ten onrechte wahabieten worden genoemd. Hier worden de twee genoemde domeinen wel met elkaar verward, maar in de klassieke rechtscholen is dit niet het geval. Ten tijde van de Oemayyaden en de Abbassieden zaten de meeste oelama in raden die niet in de uitvoerende macht geïntegreerd waren. Sommigen stonden zeer kritische tegenover de politiek en vormden een duidelijke tegenmacht. Al werd regelmatig de godsdienst op het politieke vlak voor eigen doel ingezet, er was er altijd een open ruimte voor juridische, kritische reflectie. Daarbij zocht men voortdurend naar vernieuwing wat betreft begrip van de traditie, de toepassing van de religieuze leer en de samenhang van de verschillende waarden.

Democratie
Met de komst van de moderniteit kwam natuurlijk de kwestie van de democratie aan de orde in de overwegend islamitische landen. Was hier wel of niet sprake van een tegenstelling? Kon zich in een moslimland een democratie vestigen? Wat zou dit betekenen voor de relatie tussen de politieke macht en de religieuze autoriteit? Bepaalde islamitische stromingen – fundamentalisten of rein politieke oppositie – beweerden dat democratie een Westers concept was en dat moslims trouw moesten blijven aan ‘islamitische modellen’. Tegenwoordig zijn het onder andere de leden van Hizb ut Tahrir (Partij van de Bevrijding) en groepen rond de extremistische retoriek van Al-Qaeda en zijn ideoloog Ayman al-Zawahiri, die de visie promoten van universele islamitische macht, terugkeer naar een wereldwijd kalifaat en volledig samengaan van politieke macht en religie. Verreweg de meeste islamitische geleerden en denkers hangen deze benauwde visie echter niet aan. Zij voeren het debat niet op het niveau van politieke organisatiemodellen, maar op dat van de principes die eraan ten grondslag liggen. Zo keert de leer van de islam zich niet tegen de rechtsstaat, de burgerlijke gelijkheid, algemene verkiezingen, verantwoordingsplicht van de gekozenen (accountability) en de scheiding van machten. Islamitische geleerden zullen deze vijf fundamentele democratische principes juist zoveel mogelijk bevorderen, mits zij goed begrepen worden en in de juiste context worden geplaatst. Feitelijk keert de islamitische leer zich in niets tegen de grondslagen van de democratie. In tegenstelling tot de dictatoriale uitwassen van de Arabische moslimlanden laten vele voorbeelden (zoals Senegal, Turkije, Indonesië en tot op zekere hoogte Iran) zien dat de democratische praktijk niet per definitie vreemd is aan een moslimsamenleving..
Wat in het debat weer centraal moet komen staan is het onvervreemdbaar en onbetwistbaar karakter van de vijf bovengenoemde principes. Moslimsamenlevingen moeten zich net als alle moslimburgers overal waar ze wonen inzetten om die te respecteren. Deze samenlevingen moeten – naar het voorbeeld van de Europese en Amerikaanse democratieën – ieder voor zich een eigen politiek organisatiemodel vinden dat aansluit bij hun geschiedenis, hun cultuur en collectieve psychologie. Op die manier zullen de principes gemeenschappelijk zijn, en in wezen universeel, maar zullen de modellen verschillen en aansluiten bij de eigen geschiedenis en context.

Crisis
Van fundamenteel belang blijft ook de duidelijke scheiding tussen enerzijds het domein van de religieuze leer waar gelovigen zich in het kader van hun zelf gekozen, persoonlijke geloof aan onderwerpen en anderzijds het domein van maatschappelijke aangelegenheden waarover burgers in de context van hun burgerlijke rechten en verantwoordelijkheden onderhandelen. Het is van wezenlijk belang dat de publieke ruimte – binnen en met respect voor het constitutionele bestel van een bepaalde samenleving – wordt gevrijwaard van elke religieuze bemoeienis met een theocratisch karakter. In de lange traditie van het recht is een dergelijke beperkte interpretatie van de islamitische leer afwezig. Geen islamitische rechtsgeleerde heeft hiertoe ooit opgeroepen. De moderne tijd verlangt van de overwegend islamitische landen dat zij modellen vinden die de religieuze pluriformiteit erkennen, net als de individuele vrijheid van geweten en de vrijheid om een godsdienst of geen godsdienst aan te hangen. Dit moeten modellen zijn waarin de rechten van de burger (moslim of geen moslim) worden beschermd en waarin kritische deelname aan en zelfs verzet tegen de politiek wordt bevorderd.
Niets van dit alles is in strijd met de grondbeginselen van de islam. En het past in het hedendaagse islamitische denken om zich duidelijk uit te spreken over de eigen grondbeginselen en met hernieuwde energie en creativiteit sociale en politieke modellen uit te werken die daaraan voldoen en die tegelijkertijd tegemoetkomen aan de uitdagingen van onze tijd. Het gaat er niet om Westerse modellen te importeren (noch moet het Westen die modellen willen opleggen zoals op verschrikkelijke en desastreuze wijze in Irak gebeurt), maar om een nieuw en echt proces van democratisering aan te gaan waarin de onvervreemdbare grondbeginselen worden erkend, de machten worden gescheiden en de burgers gerespecteerd. De laatste jaren heeft het islamitisch denken zich als gevolg van de diepe crisis die zij doormaakt, ingrijpend ontwikkeld. Er is reden voor optimisme, en we mogen hopen dat de kritische geluiden die hier en daar zowel in de islamitische wereld als onder Westerse moslims te horen zijn, sterker worden en leiden tot werkelijk democratische perspectieven, die trouw zijn aan de moslimethiek en ook in overeenstemming met onze tijd.

Uit het Frans vertaald door Mieke Maassen

Tariq Ramadan is filosoof en theoloog, gasthoogleraar Burgerschap en Identiteit aan de Erasmus Universiteit Rotterdam

De Helling 2008/1


Inhoud 2008/1