door Ernestine van der Wall
In het debat over religie en moderniteit wordt van verschillende zijden geschermd met de historische periode van de Verlichting. De kennis over die periode is echter schraal. Opheldering over de relatie religie en Verlichting is dringend gewenst.
De Verlichting is een veelzijdig verschijnsel. Die veelzijdigheid begint de laatste tijd wat ondergesneeuwd te raken door de aandacht voor één bepaalde variant van de Verlichting, de zogenoemde Radicale Verlichting van de late zeventiende en vroege achttiende eeuw. Deze variant kan als antigodsdienstig worden getypeerd: zij ziet in de godsdienstkritiek de basis van alle kritiek – zoals later ook door iemand als Marx werd verkondigd. De Radicale Verlichting is door het recente fraaie werk van de Engels-Amerikaanse historicus Jonathan Israel weer volop in de schijnwerpers komen te staan, niet alleen in wetenschappelijke kring maar ook in het maatschappelijke debat. Gematigde varianten van de Verlichting lijken enigszins uit ons blikveld te verdwijnen. Dat is jammer omdat daarmee aan de diversiteit van de Verlichting tekort wordt gedaan.
Laat ik vooropstellen dat er niets mis mee is om de Radicale Verlichting volop voor het voetlicht te halen. Integendeel. De figuren die ideeën verkondigden in de trant van de Radicale Verlichting hebben baanbrekend werk verricht om vrijheden te veroveren waarvan wij nog altijd de aangename vruchten plukken. Vrijheid van meningsuiting, persvrijheid, godsdienstvrijheid: het is niet gering wat door radicale verlichten, vaak tegen de verdrukking in, is verworven. In de tweede plaats, om een eventueel misverstand te voorkomen, het pleidooi voor de veelzijdigheid van de Verlichting wordt niet ingegeven door enige persoonlijke voorkeur. Voorkeur voor de een of andere variant van de Verlichting doet namelijk volstrekt niet ter zake. Maar het zou te betreuren zijn als door de exclusieve aandacht voor de Radicale Verlichting de gematigde variant wat naar de achtergrond zou verdwijnen. Eenzijdigheid is niet alleen vanuit historisch perspectief onjuist, maar belemmert ook een zinvolle discussie over de Verlichting en haar relatie tot religie in het hedendaagse Europa.
In het proces van modernisering van religie komt namelijk juist aan de gematigde variant van de Verlichting een hoogst belangrijke rol toe. Vanuit het perspectief van georganiseerde godsdienst zijn radicale verlichters, om zo te zeggen, ‘buitenstaanders’. In het transformeren van een traditionalistische godsdienst tot een moderne, liberale godsdienst wordt het beslissende werk uiteindelijk gedaan door ‘binnenstaanders’, door figuren die hun godsdienst willen behouden maar dan wel in een verlichte vorm. In die poging tot het combineren van geloof en Verlichting ligt hun eigen benadering, die in het algemeen tot een gematigde vorm van Verlichting leidt.
Hoe fundamenteel deze interne, gematigde Verlichting is geweest blijkt ook uit de heftige polemiek die door medegelovigen daartegen is gevoerd. Wanneer de Verlichting eenmaal in het centrum van de theologische en kerkelijke macht haar intrek neemt, wordt alarmfase rood afgekondigd. Deze interne Verlichting is dan ook zeker zo belangrijk voor de liberalisering van godsdienst als de Radicale Verlichting, en heeft wellicht ook een bredere uitstraling gehad.
Praktische hervormingsbeweging
Radicaal of gematigd – hoe veelzijdig en complex ook – één typisch kenmerk van de Verlichting valt gemakkelijk aan te wijzen: de wens om niets klakkeloos op gezag van wie of wat ook aan te nemen. Anders gezegd, de moed te tonen om alles wat zich aan ons voordoet aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, elk gegeven voor de rechterstoel van de rede te dagen. Niets kan en mag van dat kritische onderzoek worden uitgezonderd, ook religie niet. Alleen daarom al kunnen we de Verlichting niet gelijkstellen aan godsdienstige tradities die op geloof en gezag gebaseerd zijn.
Het ‘zelf durven denken’ leidt tot allerlei plannen voor praktische hervormingen. Opvallend is de praktische mentaliteit van de Verlichting die zich uit in een reeks hervormingsplannen, bijvoorbeeld over de opvoeding, de inrichting van de liturgie – over het verzet dat zoiets oproept kunnen we lezen in Maarten ’t Hart’s roman Het psalmenoproer (2006) – of de rechtsspraak. De praktische hervormingsdrift die verlichten voortdrijft is een aspect van de Verlichting dat nogal eens onderbelicht blijft in het actuele debat. Deze mentaliteit logenstraft het beeld van de Verlichting als een academische club filosofen – enigszins op leeftijd – die, gekluisterd aan hun bureau, zich voornamelijk aan zuiver theoretische kwesties overgeven, een groep ‘kille’ rationalisten in een ivoren toren. Rationalistisch waren de verlichten zeker. Waarom dat als ‘kil’ te kwalificeren zou zijn, wordt nooit duidelijk gemaakt. Zou irrationalisme dan ‘warm’ zijn? Overigens viel het met de ‘kilheid’ van deze rationalisten wel mee, zeker wanneer we hun hartstochtelijke inzet voor belangrijke maatschappelijke en politieke kwesties in aanmerking nemen.
Godsdienstkritiek
Als het om de relatie tussen religie en Verlichting gaat, komt godsdienstkritiek als vanzelf in beeld. De Verlichting kan worden gekarakteriseerd als een oefening in godsdienstige zelfkritiek, een oefening die wordt ondernomen door zowel radicale als gematigde verlichters. Een belangrijk kwestie vormt telkens weer de vraag naar de grenzen van de godsdienstkritiek. Interessant is in dit verband de polemiek over de visualisering van godsdienstkritiek: wat mag wel gevisualiseerd, wat niet? Maar vanzelfsprekend draait altijd veel om de aloude vraag: wat mag wel gezegd of geschreven worden, wat niet?
Een vaste component in de verlichte godsdienstige zelfkritiek is de volstrekte afwijzing van alles wat naar religieus fanatisme zweemt, naar despotisme, terreur, tirannie, obscurantisme. De redenering is in feite heel simpel: godsdienstig geloof gaat over metafysische zaken. Niemand van ons kan er ooit zeker van zijn dat hij of zij de waarheid met betrekking tot het metafysische domein in pacht heeft. Die principiële onzekerheid over het bovennatuurlijke heeft één hoogst belangrijk gevolg, namelijk dat je een medemens die een andere overtuiging aanhangt dan jijzelf er nooit toe kan en mag dwingen om zijn of haar overtuiging in te ruilen voor die van jou. In het licht van zulke observaties heeft het iets potsierlijks om te spreken van ‘verlichtingsfundamentalisme’.
Opmerkelijk genoeg valt bij vele verlichters de twijfel op waaraan zij ten prooi zijn, hun scepsis over de toekomst, ondanks hun geloof in de vooruitgang. Vaak is er bij hen eerder sprake van hopen tegen beter weten in, want, zo beseffen zij, de mens wil eigenlijk niet vrij zijn, wil liever niet ‘zelf denken’. De mens wil in feite liever slaaf zijn: slaaf van gewoontes, tradities, van vorsten en geestelijken. Bevrijding van geestelijke slavernij, een van de hoogste idealen van de verlichten, blijft een moeizame zaak.
Andere culturen: Turkije
In de verlichte zelfkritiek speelt een grote nieuwsgierigheid naar andere culturen en godsdiensten een belangrijke rol. Nu heeft die interesse in andere culturen twee kanten. Enerzijds zijn de verlichten oprecht geïnteresseerd in het ‘vreemde’, het ‘andere’, het exotische, en kunnen zij daar buitengewoon enthousiast over worden. Aan de andere kant fungeren die andere culturen als een spiegel waarin zij de gebreken van hun eigen cultuur, vooral ook de religieuze merkwaardigheden van hun eigen wereld, gereflecteerd zien. Via China en Tahiti, al dan niet in geïdealiseerde vorm door hen aan de man gebracht, houden de verlichten hun eigen christelijke cultuur een kritische spiegel voor.
Grondige kennis van andere culturen achtten zij dringend noodzakelijk. Zo wenste de bekende laat achttiende-eeuwse arts en politiek tekenaar Pieter van Woensel het Europese publiek nader te informeren over Turkije, een land dat hij op een van zijn vele reizen had leren kennen. Van Woensel wil laten zien dat eigen ervaringen een veel betere bron vormen dan de informatie die het publiek via de bestaande literatuur voorgeschoteld krijgt, en die alleen maar dient om vooroordelen te bevestigen. Als je de berichten leest over Turkije, zo zegt hij, dan zou je ervoor terugschrikken om ooit een voet in dat land te zetten; een land, dat wordt gehouden voor de zetel van woestheid, wanorde, barbaarsheid, willekeurig gezag en slavernij. Maar, zo voegt hij er in één adem aan toe, als je eenmaal aan wal bent, dan merk je al snel dat de mensen hier elkaar niet opeten, net zo min als elders; dat iedereen rustig in zijn huis leeft; dat de mensen hier 's morgens opstaan zonder dat er allerlei berichten binnenkomen over inbraak, moord, diefstal, afzetterij of brandstichting die ’s nachts zouden hebben plaatsgevonden. “Waardoor heeft dit land dan al dat schelden verdiend?”, vraagt hij zich in gemoede af.
In goed-verlichte trant wijst Van Woensel op het belang van persoonlijk opgedane kennis: “Wat is ’t profijtelijk de dingen uit eigen ogen te zien! Uit eige ooge te zien!”, herhaalt hij, “Want hoe veel kijken door een bril, zonder er een op de neus te hebben, zonder ’t te weeten! En was die bril maar in ’s hemels naam dikwerf niet zo kleurend of valsch gesleepen!”
Over ‘kleurende en vals geslepen brillen’ gesproken: het merkwaardige geval doet zich voor dat kritiek van hedendaagse cultuurrelativisten op de Verlichting alleen mogelijk is dankzij de Verlichting. Het is de Verlichting die, mede als gevolg van de confrontatie met andere culturen, de nodige zelfkritiek ontwikkelt. Het zijn haar aanhangers in Europa en Noord-Amerika die zich in een tot dan toe haast ongekende mate openstelden voor andere culturen en die het goede daarin wilden waarderen, zelfs als hun beeld van die culturen niet van enig droomdenken gespeend was. De cultuurrelativistische houding ten aanzien van de Verlichting bergt, kortom, een curieuze paradox in zich.
De Verlichting: universeel?
Het universalistische gedachtegoed dat de Verlichting uitdraagt wordt in sommige kringen sceptisch ontvangen. Anders dan in de achttiende eeuw, toen men onderstreepte wat alle mensen gemeen hadden, is het nu niet ongebruikelijk om juist de verschillen tussen culturen te accentueren. Twijfel aan de Verlichting en haar eventuele universele geldigheid wordt gevoed door het idee dat de Verlichting een fenomeen is dat zowel historisch als geografisch is bepaald. Anderen zijn daarentegen de mening toegedaan dat deze historische en geografische contexten een aanspraak op universele geldigheid niet a priori in de weg hoeven staan. Zijn in heden en verleden idealen van de westerse Verlichting niet omhelsd door mensen in niet-westerse culturen? Hebben niet tal van niet-westerse staten in 1948 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ondertekend (ook landen die zich er in de praktijk niet aan houden)? Handelt een organisatie als Amnesty International, die opkomt voor mensenrechten waar ook ter wereld, niet in aansluiting op een verlicht universalisme?
De postmoderne critici kunnen de hand schudden met rechtzinnige gelovigen en (neo-)conservatieven die eveneens anti-verlichte sentimenten koesteren, zij het op andere gronden. De Verlichting – door hen steeds moeiteloos in een adem genoemd met de Franse Revolutie – zou de leegloop van de kerken hebben veroorzaakt; het geloof in een transcendente God hebben ondermijnd en daardoor de moraal op de helling gezet; een individualisme hebben gepredikt waaraan onze samenleving ten gronde gaat.
Dat de leegloop van de kerken behalve ideële ook sociale en andere factoren als oorzaak zou kunnen hebben; dat verreweg de meeste verlichten in een transcendente God geloofden; dat het gewraakte individualisme, indien al tot het verleden te herleiden, met evenveel recht geworteld zou kunnen zijn in een vroomheidsbeweging als het piëtisme, komt in een dergelijke kritiek op de Verlichting te weinig aan de orde. Ook blijft de boeiende vraag onderbelicht in hoeverre het christendom zelf de voedingsbodem is geweest van de Verlichting, en in hoeverre kerk en geestelijkheid zelf daartoe de aanzet hebben gegeven. De conservatieve kritiek doet in deze vorm eerder denken aan het sprookje van een boze verlichte wolf die het brave christelijke Roodkapje opslokt.
Polemiek tegen de Verlichting is niets nieuws, die is er vanaf het allereerste moment geweest. Het proces van ‘verlichten’ gaat niet zonder slag of stoot. Wanneer in onze tijd christenen aan moslims voorhouden dat ook zij een Verlichting zouden moeten doormaken, dan gaan diezelfde christenen er nogal eens aan voorbij dat de Verlichting tot een intensieve strijd in hun eigen gelederen heeft geleid. Dat hoeft vanzelfsprekend een aansporing tot Verlichting niet in de weg te staan, maar dat ‘verlichten’ weerstand oproept, hoeft in het licht van de geschiedenis van de anti-Verlichting niet te verbazen. Bovendien: in het westerse christendom gaat de strijd ook nog altijd door. Met andere woorden, Verlichting is bepaald niet vanzelfsprekend. En kan soms fragieler zijn dan wij wellicht aannemen.
Godsdienstkritiek en afvalligheid
Verlichte godsdienstkritiek kan een gelovige ertoe brengen afscheid te nemen van zijn of haar geloof. In antiverlichte kringen is het dan ook altijd een veel gehanteerd argument geweest tegen het oefenen van godsdienstkritiek, zoals we zojuist zagen, want zulke kritiek zou maar ondermijnend voor het geloof werken. En inderdaad blijkt dat in bepaalde gevallen zo te zijn. Maar zou dat een reden moeten zijn om scherpe grenzen aan godsdienstkritiek te stellen? In het algemeen is de vraag naar de grenzen van de godsdienstkritiek van fundamentele betekenis. Er gaan in onze samenleving stemmen op om die grenzen nauwer te trekken dan zij nu zijn. Maar zouden we de tijd terugwensen dat vrijdenkers en anderen achter de tralies verdwenen alleen omdat zij zich in kritische zin uitten over godsdienstige zaken?
En verder wat afvalligheid betreft, is het op z’n minst opmerkelijk dat diezelfde Nederlandse intellectuelen die nog niet zo lang geleden de klaagzangen van afgezwaaide gereformeerden hartelijk verwelkomden en hun afvalligheid als een terechte stap begroetten, nu nog wel eens een andere toon aanslaan wanneer het om zulke verschijnselen in andere godsdiensten gaat, zoals de islam. Over de islam gesproken: dat de verhouding van religie en Verlichting via de band van de islam in onze tijd een actuele kwestie is geworden, behoeft nauwelijks betoog. Maar daarmee is niet alles gezegd. Want ook in het westerse christendom zijn er voldoende verschijnselen en ontwikkelingen die die actualiteit veroorzaken. Daarbij gaan de gedachten als vanzelf uit naar de Verenigde Staten, maar ook het ‘nieuwe Europa’ leidt tot een reeks vragen rond het thema religie en Verlichting.
Een nieuwe tijd van Verlichting?
Tot slot: opvallend is dat het thema ‘Verlichting’ in staat is emoties los te maken die andere geestesstromingen of historische perioden niet of nauwelijks schijnen op te roepen. Wie debatteert anno 2008 over de middeleeuwen, de Reformatie, of de victoriaanse tijd in termen van ‘redding of ondergang’ zoals dat over de Verlichting gebeurt? Kennelijk is hier dus meer aan de hand dan een simpel historisch fenomeen. In het huidige debat heerst wel eens de neiging om in enigszins abstracte, clichématige termen over ‘de’ Verlichting te spreken. Termen die met de historische werkelijkheid weinig meer te maken lijken te hebben: eerder krijgen we de indruk dat men debatteert over een zelf opgeroepen spookverschijnsel. Er wordt weliswaar een beroep gedaan op het historische fenomeen Verlichting zoals zich dat sinds de zeventiende eeuw in de westerse cultuur heeft gemanifesteerd, maar opvallend genoeg is de kennis van dat verleden tamelijk schraal. En wat aan kennis aanwezig is, is vaak geïnspireerd door het beeld dat de vijanden van de Verlichting geschetst hebben. Dat zo’n beeld enigszins verwrongen is, ook wel karikaturale trekken vertoont, hoeft nauwelijks betoog.
Gaan we een nieuwe tijd van Verlichting tegemoet, zoals de laatste tijd wel wordt beweerd? Is het voorbij met de golven van irrationaliteit die over ons slaan? Heeft emotie-tv haar langste tijd gehad? Het is op dit moment nog volstrekt onduidelijk. Maar wat vaststaat is dat kennis van de Verlichting, als historisch en eigentijds fenomeen, van direct belang is voor de maatschappelijke, culturele en politieke discussie in het Europa van vandaag. Daarbij komt het erop aan de veelzijdigheid van de Verlichting niet uit het oog verliezen. Het is van belang om het besef van gematigde manifestaties van de Verlichting levend te houden, en dat is meer dan alleen een academische kwestie. Hoe dan ook, zonder gedegen historische kennis van de Verlichting kan iedereen met ‘De Verlichting’ aan de haal gaan. Voorlichting over de veelzijdige Verlichting – dat is op zich zelf een mooi verlicht ideaal.
Zie voorts Ernestine van der Wall en Leo Wessels (red.), Een veelzijdige verstandhouding. Religie en Verlichting in Nederland 1650-1850, Uitgeverij Vantilt, Nijmegen 2007.
Ernestine van der Wall is hoogleraar Geschiedenis van het christendom aan de Universiteit Leiden.
De Helling 2008/1