de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Weg met de middelmaat

door Enrico Perotti

Begin deze maand is het academisch jaar weer geopend. Een goed moment om ook het debat over het hoger onderwijs te heropenen. Enrico Perotti doet zeven aanbevelingen.

Het Nederlandse onderwijs wordt grotendeels door de overheid gefinancierd en wil voor iedereen toegankelijk zijn, wat een nobele doelstelling is. Historisch gezien heeft dat de solidariteit en de sociale mobiliteit bevorderd. Helaas zijn mobiliteit en gelijke kansen in de huidige constellatie niet langer vanzelfsprekend. Het systeem faalt als middel voor sociale emancipatie, omdat het gemotiveerde studenten weinig keuzemogelijkheden biedt en een subcultuur van gemakzuchtig conformisme voortbrengt. Uiteindelijk kunnen alleen rijkeluiskinderen nog hopen om uit te blinken aan de universiteit. Ik denk dat we het onderwijsstelsel moeten hervormen zodat de toegankelijkheid gewaarborgd blijft, terwijl tegelijkertijd het getalenteerde individu zich zo veel mogelijk moet kunnen ontplooien. Een belangrijk en gunstig bijverschijnsel hierbij is de handhaving van het concurrentievermogen van het Nederlandse stelsel binnen een onderwijswereld die steeds internationaler wordt.

Er zijn genoeg redenen om te hervormen, vandaar de volgende lijst met aanbevelingen:
1.Stimuleer ambities. Bied jonge mensen iets waar ze naar kunnen streven. Het is beter om Nederlandse studenten aan te moedigen om via een academische studie een persoonlijke doelstelling te bereiken dan om hen de ambitie aan te reiken van een vaste baan in een grote organisatie. Op dit moment lijkt persoonlijke motivatie niet erg hoog te staan op de prioriteitenlijst van de jonge generaties.
2.Verbreed de horizon. Als er goede onderzoekers worden aangetrokken, ervaren Nederlandse studenten de diversiteit van de academische wereldtop en de beste internationale studenten. De omgang met gemotiveerde studenten zou een zegen zijn voor hun Nederlandse collega’s, die vaak worden belemmerd door de oriëntatie op middelmatige prestaties en verwachtingen. Hierdoor dalen hun kansen voor de toekomst en doen ze te weinig ervaring op. Het toptalent dat we in mijn universiteit aantrekken – zowel studenten als docenten – komt tegenwoordig van over de hele wereld, met een substantieel aandeel uit ontwikkelingslanden. Niet alleen krijgen studenten uit arme landen hierdoor betere kansen en kunnen zij positieve rolmodellen worden voor andere immigranten, ook is er sprake van een groot rechtstreeks voordeel voor Nederlandse studenten die met deze mensen ervaringen kunnen uitwisselen.
3.Streef zo veel mogelijk naar gelijke kansen voor iedereen. Studenten uit een welgesteld milieu kunnen de beste internationale onderwijsprogramma’s volgen. Als dergelijke programma’s ook in Nederland worden aangeboden, dan krijgt iedereen die gemotiveerd is zulke kansen, iets wat in het huidige systeem niet het geval is.
4.Kwalitatief hoogwaardig onderwijs is gunstig voor Nederland en moet worden bevorderd. Onderwijs dat gericht is op het bereiken van bepaalde competenties leidt tot middelmaat. Als er meer wordt gestreefd naar uitmuntendheid dan ontstaat er een gezonde concurrentie tussen de universiteiten. De recente fusie van alle technische universiteiten in één organisatie heeft opmerkelijk weinig stof doen opwaaien. Helaas hebben instellingen die onder vuur liggen eerder oog voor hun eigen belangen dan voor die van de samenleving.
5.In deze tijd vereist innovatie de ontwikkeling van menselijk talent, en niet zozeer financieel of fysiek kapitaal. Europa doet het over het algemeen slecht in de race om internationaal talent binnen te halen. De meeste mensen weten niet dat de uittocht van toponderzoekers uit de EU naar Amerika bepaald dramatisch is te noemen en voorlopig niet tot stilstand lijkt te komen. Bovendien is de aantrekkingskracht van de EU op talent van buitenaf gering. Amerika blijft het land waar de beste promovendi uit de derde wereld heen willen, ook omdat er sprake is van een groep kritische, hoogopgeleide immigranten. Zij vormen een belangrijk rolmodel voor verschillende etnische groepen in de Verenigde Staten. In Europa bestaan dit soort gemeenschappen niet (wellicht met uitzondering van Groot-Brittannië). Als Europa en Nederland er niet in slagen om dergelijke gemeenschappen in voldoende aantallen aan te trekken, dan zullen ze voor vertegenwoordigers van deze groepen nooit de eerste keus worden om zich te vestigen. Hierdoor wordt de mobiliteit van internationale onderzoekers en studenten belemmerd.
6.Institutionele vernieuwing. Als Nederland de ambitie heeft om goed onderzoek te doen, dan moet men zich niet richten op de ideeën van de laatste regering, die streeft naar wetenschappelijke expertise rond bepaalde onderwerpen. Ook al zit er een bepaalde logica achter sommige bedrijvensubsidies, een top-downbenadering waarbij de innovatiedoelen en het toponderzoek van tevoren worden bepaald heeft nog nooit ergens tot succes geleid. Dat komt voornamelijk omdat er bij een planmatige aanpak van onderzoek voorbij wordt gegaan aan de essentie: het stimuleren en samenbrengen van creatieve mensen. Onderzoeksprogramma’s die breder van opzet zijn, kosten minder en richten zich niet op specifieke bedrijven of instellingen. In Amerika vestigen onderzoekers zich op organische wijze rond de ‘centers of excellence’ in hun vakgebied. Hierdoor wordt automatisch onderzoek gefinancierd aan de instellingen die het meeste talent weten te verzamelen, in tegenstelling tot de situatie waarbij het geld wordt toegewezen aan gevestigde groepen en instellingen. Het VENI VIDI VICI-programma in NWO, dat dreigt te worden afgeschaft, is een goed model, juist omdat het veelbelovende onderzoekers beloont en stimuleert in plaats dat bestaande instellingen worden gefinancierd.
7.De milieuproblematiek. Last but not least moet de wetenschappelijke vooruitgang een bijdrage leveren aan de hedendaagse milieuproblematiek. Milieutechnologie is een vakgebied waar Nederland potentieel erg goed in is. Maar wederom vereist technische innovatie een cultuur waarin individuele wetenschappers kunnen uitblinken en intensief onderzoek doen, in plaats dat gevestigde bedrijven subsidies of belastingvoordelen krijgen.

Internationale concurrentie-indicatoren geven aan dat Nederland wellicht aan de vooravond staat van een langzame maar gestage economische neergang. Dit probleem speelt in veel Europese landen, die goed op weg zijn om de doelstellingen van het Verdrag van Lissabon niet te halen. Niet alleen lijkt Europa er niet in te slagen om tegen 2010 de meest innovatieve economie van de wereld te zijn, ook elke andere datum in deze eeuw lijkt onhaalbaar. Wat dit betreft zijn er ook geen belangrijke stappen of hervormingen in zicht. Het is tijd om in Europa en in Nederland serieus aan de slag te gaan. We weten allemaal dat we slimmer moeten worden om de problemen in de wereld aan te pakken.

Enrico Perotti is hoogleraar aan de aan de Universiteit van Amsterdam gelieerde Amsterdam Business School

De Helling 2007/3


Inhoud 2007/3