door Marius Ernsting
Als bijdrage aan de beginseldiscussie in GroenLinks reageert Ernsting op het boekje De tijd vooruit dat Bart Snels en Noortje Thijssen van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks deze zomer publiceerden.
Een treffend beeld voor de manier waarop je in het maatschappelijk leven kan staan is dat van een rivier. Als je dezelfde richting op wil als de rivier, dan kun je gewoon de hoofdstroom kiezen, en je komt er vrijwel vanzelf. Als je de andere kant op wil, dan kun je beter een beetje aan de rand blijven en profiteren van de tegenstroom die daar vaak is. Dat beeld kwam onwillekeurig bij me op bij het lezen van de De tijd vooruit van Bart Snels en Noortje Thijssen, waarin een schets wordt gegeven van de trend van modernisering en de politieke positie van GroenLinks. Kort gezegd komt hun analyse erop neer dat modernisering al geruime tijd de politiek-maatschappelijke hoofdstroom is, en dat we momenteel te maken hebben met een tijdelijke antimoderne reactie. Wanneer de politiek-economische conjunctuur weer aantrekt (en dat doet hij al) dan zal dat de moderniseringspartijen in de kaart spelen.
Kortom, het zit nu even tegen, we zitten nu nog een beetje te modderen aan de rand van de rivier, maar het moment komt dat we dichter bij de hoofdstroom komen, dus: “als trendwatchers zijn we optimistisch over de toekomst voor GroenLinks”. Is het werkelijk zo gemakkelijk? Rosa Luxemburg zei ooit: de revolutie is geen tram waar je naar believen op kan stappen wanneer het zo uitkomt. Nu is dat niet wat Bart Snels en Noortje Thijssen bepleiten, maar een zekere mechanische redenering hanteren ze wel. Laten we even wat preciezer kijken naar hun betoog. Allereerst definiëren ze modernisering als een samenstel van elkaar beïnvloedende trends: individualisering, rationalisering, globalisering en migratie. Nu is de belangrijkste eigenschap van trends (in tegenstelling tot modes of hypes) dat ze hoe dan ook gebeuren. Vergrijzing is zo’n trend. In 2040 zal een kwart van de Nederlandse bevolking uit ouderen bestaan, of we nu de kinderbijslag verdubbelen of een geboortepremie invoeren of niet. Uiteraard kunnen er tijdelijke afwijkingen optreden (allochtonen hebben bijvoorbeeld in eerste instantie gemiddeld een hoger kindertal, dat vervolgens weer snel terugloopt) maar dat doet dus aan de lange termijn niets af. Dat is een belangrijke notie, want het betekent dat het voor een politieke partij niet zoveel zin heeft om voor of tegen trends te zijn, het gaat er veel meer om hoe je je daarin beweegt: enthousiast meedrijven, bijsturen en gas geven, of sputterend tegen de stroom in. Laat duidelijk zijn: ik doe niks af aan het viertal trends dat samen de content vormt van het brede begrip modernisering. Individualisering, rationalisering, globalisering en migratie: juist als samenspel van elkaar onderling beïnvloedende trends zet het de wereld onmiskenbaar in beweging naar de toekomst. Met wortels in de verlichtingsidealen van ontwikkeling en ontplooiing, met inzet van voorzieningen voor gezondheidszorg en onderwijs, met behulp van technologische vooruitgang en onder druk van wereldwijd geworden markten zijn het ontwikkelingen die doorgaan. Ze brengen de wereld qua informatie binnen handbereik, ze brengen meer culturele diversiteit, niet alleen groepsmatig maar vooral ook individueel.Wat in Nederland te duur wordt kan net zo goed in India worden geproduceerd; waar werk en inkomen is, daar gaan we naar toe.
Grenzen zijn er nog wel, maar niet aan het menselijk vermogen om te vertrekken naar plekken waar een menswaardiger bestaan meer mogelijk lijkt te zijn. Arbeidsmarkten op drift, wereldwijde bedrijfsovernames, functieverlies van afzonderlijke staten en nationaliteiten, vervoersbewegingen van ongekende omvang, ICT-toepassingen waarvan het eind nog lang niet in zicht is: het gebeurt elke minuut en het gaat door.
Maar het vermelden van deze onvermijdelijkheden is maar één ding, het doordenken van de consequenties ervan voor je eigen doen en laten als politieke partij is iets heel anders. En dat mis ik wel een beetje in de beschouwing van Bart Snels en Noortje Thijssen. Want als het zo is dat door die ontwikkelingen allerlei verworvenheden in de reeds gemoderniseerde landen onder druk komen te staan, dan kun je een paar dingen doen: proberen die verworvenheden als zodanig koste wat kost beschermen, de boel op zijn beloop laten met de verwachting dat uit de botsing met die oude verworvenheden vanzelf nieuwe evenwichten ontstaan, óf – en dat lijkt mij de aangewezen weg – die verworvenheden herijken op de werkelijke waarden die eraan ten grondslag liggen.
Om maar een gevoelig voorbeeld te noemen: het ontslagrecht is als zodanig geen waarde op zich, het is een uitwerking van het principe dat werknemers beschermd dienen te worden tegen uitbuiting en willekeur door werkgevers. Als andere regels of voorzieningen die bescherming ook of beter kunnen dienen dan is dat dus bediscussieerbaar.
Herijken van verworvenheden is confronterend, omdat we soms niet meer zo één twee drie weten waarom het ook weer ging. Ons verzekerings- en verzorgingsstelsel bevat eerlijk gezegd nogal eens bloempjes van Katarina.(1)
De pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar bijvoorbeeld was o.a. gebaseerd op een veel lagere stervensleeftijd dan nu het geval is (we worden gemiddeld tien jaar ouder dan enkele decennia geleden), én op het gegeven dat veel arbeid nog lichamelijk zwaar was. Het verhogen van de pensioengerechtigde leeftijd naar 67 tast dus het principe niet aan van het recht op een niet afhankelijke oude dag, waarin je de laatste levensjaren van een welverdiende rust kunt genieten.
Herijken van verworvenheden kan ook louterend zijn: waar gaat het echt om als we spreken van een humane en rechtvaardige samenleving? Wat zijn de echte pijlers van zo’n samenleving, en wat zijn zaken die misschien wel belangrijk zijn maar ook zonder al te veel schade veranderd kunnen worden? Het lijkt me buitengewoon spannend voor GroenLinks om zich als partij die vraag te stellen.
Wat mezelf betreft zou ik de stelling willen verdedigen dat het ons uiteindelijk moet gaan om een samenleving waarin mensen niet onderdrukt, niet uitgebuit, niet vernederd en niet willekeurig behandeld worden. In navolging van Margalit formuleer ik het expres negatief, omdat positieve waarden (rechtvaardigheid of gelijkwaardigheid) de neiging hebben hoogverheven en dus oneindig te zijn, terwijl negatief geformuleerde waarden een duidelijke ondergrens hebben.
Ook in de concretisering zul je negatief geformuleerde hoekstenen van onze sociale staat tegenkomen: geen kinderarbeid, geen discriminatie, geen honger of gebrek, maar ook positieve, zoals recht op pensioen (wat dus iets anders is dan recht op pensioen op je 65ste), recht op onderwijs en recht op verzekering tegen ziektekosten.
Als het zo is dat door de moderniseringstrends en de schaal waarop ze plaatsvinden de sociale verhoudingen opnieuw gedefinieerd moeten worden, is het formuleren van ijkpunten dus belangrijk. Ze geven aan waar je voor wilt staan en wat aan verandering en vernieuwing onderhevig kan en ook moet zijn. Dat is veel meer dan rustig kijken hoe de trends zich voltrekken om er op enig moment “de vruchten van te plukken”. Dat vereist een open mind voor wat er gebeurt, een grote vasthoudendheid als het om echte principes gaat en een grote mate van onthechting van al het andere. Bij dit soort processen wordt in ambtelijke taal nogal eens het woord herziening gebruikt. Herzien wil zeggen: opnieuw zien. Daar is visie en moed voor nodig. Want het tij kan best weer gunstig worden, de golven van verandering hoger, de rivier van nieuwe kennis en inzicht sneller, maar als je niet zorgt dat je voortdurend positie kiest en van daaruit handelt, dan gebeurt er niets. Je blijft aan de kant staan, en je zegt tegen elkaar: zie je wel, we hadden toch gelijk.
Dat positie kiezen is riskant, het gaat niet alleen om tactiek (op het goede moment naar de goede stroom roeien) het gaat ook om het zien van richting en perspectief ervan. Het moet antwoord geven op de vraag: brengt het ons dichter bij een samenleving (en die is dus door de genoemde trends echt veel groter geworden dan Nederland!) die voldoet aan de eerder genoemde waarden? Én vervolgens gaat het om het overtuigen van de mensen op wie we ons richten (soms dwars tegen primaire gevoelens van angst en onzekerheid in). We moeten duidelijk maken dat we de goede kant opgaan en dat we wat écht belangrijk is gewoon meenemen. Die moed en overtuiging heb je nodig om in de broodnodige discussie over de consequenties van de genoemde trends, én het eigen handelen daarin, de ruimte te nemen om te kunnen bewegen en goed positie te kiezen. Het gaat er niet alleen om vast te stellen dat we de tijd vooruit zijn en dat onze tijd dus komt, het gaat vooral om moed om daarin voorop te blijven lopen. En, gedachtig de vrouw van Lot, vooral niet teveel omkijken! (2)
Noten
1. Katarina, de vrouw van de Russische Tsaar zag op een wandeling een prachtig bloempje tussen de straatstenen en zette er een wachtpost bij om dat bloempje te beschermen. Die wachtpost stond er nog steeds toen het bloempje allang dood was. En op een gegeven moment wist niemand meer waarom die wachtpost daar stond.
2. Toen Lot en zijn gezin de streek van Sodom en Gomorra verlieten, omdat God dit verdorven gebied wilde straffen, werden zij gewaarschuwd niet om te kijken. Toen de vrouw van Lot dat toch deed veranderde zij in een zoutpilaar.
Marius Ernsting is ondermeer voorzitter van de Nederlandse Organisatie van Vrijwilligers
De Helling 2007/3