door Huub Dijstelbloem
In het kader van de 'beginseldiscussie' in GroenLinks stelt Huub Dijstelbloem voor te rade te gaan bij de sociaal-politieke beweging van het pragmatisme. Die geeft volgens hem wenken voor een actueel politiek programma die noch vrijzinnigheid noch sociaal-collectivisme kunnen bieden.
Iedere politieke partij meet zich van tijd tot tijd andere kleuren aan. Het aantreden van een nieuw politiek leider of harde lessen uit het verleden door een verkiezingsnederlaag kunnen de partijvlag van een verse lik verf voorzien. De PvdA heeft onder Kok haar ideologische veren afgeschud om ze, nu de SP ze zorgvuldig blijkt te hebben opgeraapt, weer snel aan te willen plakken. De VVD wordt uiteengereten door de strijd tussen de liberale en de conservatieve vleugel en zal voorlopig nog druk met de kwast in de weer zijn. Het CDA heeft het grootschalige hervormingsprogramma van de verzorgingsstaat na een dreigende afstraffing door de kiezer en de breuk met de VVD een socialer gezicht gegeven. En GroenLinks, tsja, GroenLinks… Het lijkt de enige kameleon die nooit van kleur verschiet.
Schijn bedriegt. Als ik de ontstaansgeschiedenis van de partij buiten beschouwing laat en me concentreer op de periode Halsema en de nadagen van de periode Rosenmöller, dan is er wel degelijk een aantal stille revoluties of pogingen daartoe waar te nemen. Onder invloed van de weinig empathische houding van Halsema ten opzichte van religieuze instituties kan men licht vergeten dat Rosenmöller, voordat Fortuyn roet in het eten gooide, bezig was het christelijke erfdeel van de partij nieuw leven in te blazen en toenadering tot het CDA te zoeken. Er vond zelfs een gezamenlijke kerkgang naar de Sint Jan in Den Bosch plaats. Als die lijn was doorgezet, hadden we nu naar alle waarschijnlijkheid met een heel ander GroenLinks te maken gehad.
Onder Halsema zijn de bakens verzet. GroenLinks heeft een ‘staatsrechtelijke wending’ doorgemaakt. Dat komt tot uitdrukking in de keuze van de onderwerpen waar politieke aandacht voor wordt gevraagd zoals de stapeling van wetgeving rond veiligheid en de achterstelling van privacybescherming onder druk van de verruimde opsporingsbevoegdheden. Maar het komt ook tot uitdrukking in de politieke spreekstijl, het soort redeneringen dat wordt gebruikt en het beroep op formele staatsrechtelijke argumenten. Wat gebleven is, is het moraliserende en vaak verontwaardigde stemgeluid. Dit alles heeft natuurlijk ook een prijs. Met enige regelmaat ontvangt GroenLinks de kritiek dat het ‘groene profiel’ is ondergesneeuwd, dat de partij nog maar weinig appelleert aan de man of vrouw in de straat en dat de vertrouwde waarde ‘solidariteit’ is ingeruild voor ‘vrijheid’. GroenLinks zou een progressieve maar elitaire, zelfs liberale, intellectuele partij zijn geworden.
Een progressieve partij die zich over het liberalisme ontfermt om aan te tonen dat de waarden van vrijheid en individualisme niet strijdig zijn met het linkse gedachtegoed, verdient bewondering voor haar ideologische moed. De vraag is echter of ze zich daarbij van een versie van het liberalisme bedient die voldoende geoutilleerd is om politiek gezien recht te doen aan de complexe verwevenheden tussen individu en gemeenschap in de samenleving en de bestuurlijk gezien verre van eenduidige verhouding tussen overheid en maatschappij. Anders gezegd, is het sociaal-liberalisme waar GroenLinks zich op is gaan beroepen wel op de maat gesneden van hedendaagse sociale kwesties en bestuurlijke vraagstukken? Ik betwijfel of de ‘vrijzinnige’ kleur die GroenLinks zich recent heeft aangemeten daartoe wel een probaat middel is. In plaats daarvan raad ik de partij aan inspiratie te halen uit de filosofische en sociaal-politieke beweging van het pragmatisme.
Politiek pragmatisme
Waar het GroenLinks aan ontbreekt is een samenhangend links-progressief perspectief dat de kernwaarden van de partij weet te vertalen in een diagnosticerend en hervormingsgericht politiek programma dat is toegesneden op de hedendaagse problemen in de samenleving. Inspiratie voor een dergelijk perspectief kan gehaald worden uit het pragmatisme zoals zich dat in de Verenigde Staten in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog ten tijde van de New Deal heeft ontwikkeld in wat misschien wel de meest ‘linkse’ periode van dat land is geweest. Die Atlantische sprong zal de doorsnee GroenLinkser de wenkbrauwen doen optrekken, maar is de moeite meer dan waard.
In Nederland zijn we genoegzaam bekend met de traditie van het communitarisme, het socialisme en het liberalisme en de politieke erfopvolging daarvan in respectievelijk het CDA, in PvdA/SP/GroenLinks en in de VVD (plus een vleugje D66 en wederom GroenLinks). We doorzien de bijbehorende maatschappelijke ordeningspatronen die grofweg het primaat respectievelijk bij ‘het maatschappelijke middenveld’, ‘de staat’ en ‘de markt’ leggen. Maar het pragmatisme met zijn progressieve en flexibele omgang met deze scheidslijnen heeft allesbehalve algemeen ingang gevonden. Hoewel het natuurlijk aan hoogmoed grenst om een zo omvangrijke denkrichting binnen het bestek van een kort artikel te presenteren, wil ik daar in het vervolg toch een poging toe doen.
Wie in Nederland ‘pragmatisme’ zegt denkt in de eerste plaats aan een niet op ideologische leest geschoeide benadering die zich niet op theoretische uitgangspunten beroept maar oog heeft voor de praktische uitwerking van ideeën en die zich door samenwerking over de partijgrenzen en de bestuurlijke schotten heen (polderen!) richt op concrete maatschappelijke problemen.
Hoewel die omschrijving niet geheel onjuist is, doet ze het oorspronkelijke pragmatisme toch tekort. De Nederlandse bestuurder die ernaar handelt verdient zonder twijfel de benaming ‘pragmaticus’. Dat maakt hem of haar echter nog niet tot een pragmatist. Het oorspronkelijke filosofische pragmatisme steekt iets ingenieuzer in elkaar. Het is de denkstroming die opkwam in de tweede helft van de negentiende eeuw in de Verenigde Staten en waaraan de namen verbonden zijn van Charles Sanders Peirce, William James, John Dewey en Herbert Mead. Het wordt wel de enige eigenstandige bijdrage van de VS aan de ontwikkeling van de filosofie genoemd. Dat is meestal niet bedoeld als een compliment.
Het pragmatisme zou enkele typische Amerikaanse karakteristieken vertonen. Het zou een sterk vooruitgangsgeloof uitademen, gericht zijn op de ondernemende rol van burgers en organisaties, een sterke nadruk op praktische toepasbaarheid kennen maar (paradoxaal genoeg) weer weinig oog hebben voor de praktische belemmeringen die daarbij kunnen bestaan. Ook deze typering, hoewel wederom niet geheel incorrect, doet het pragmatisme tekort.
Om uit te leggen waar het pragmatisme wel voor staat en wat de bijdrage daarvan zou kunnen zijn voor een hernieuwd progressief links programma, zal ik me vooral richten op de meest veelzijdige van de pragmatisten, John Dewey, die bovendien de eer toekomt een van de meest innovatieve politieke theorieën van de twintigste eeuw te hebben geschreven. Bij elkaar genomen levert het een programma op dat veel radicaler is dan de zachtaardige benaming doet vermoeden.
Democratie onder druk
Het werk van Dewey (1859-1952) genoot tot voor kort in Nederland vooral bekendheid bij pedagogen en lezers van de onlangs overleden Richard Rorty, die overigens het werk van Dewey tot het belangrijkste rekent dat de twintigste eeuw heeft voortgebracht.
Als stroming is het pragmatisme opgekomen in de tweede helft van de negentiende eeuw, een tijdvak waarin door de opkomst van de statistiek, de psychologie en de evolutietheorie de grote veranderlijkheid en de complexiteit van respectievelijk de samenleving, het individu en de natuur wordt onderkend. Het politieke pragmatisme stamt uit later tijd en ontwikkelt zich vooral in de periode 1920-1950, in de aanloop dus naar de Beurskrach en tijdens de New Deal van Roosevelt.
Het politieke pragmatisme kan waarschijnlijk het best getypeerd worden als ‘democratisch sociaal-liberaal’. Het verwerpt van het liberalisme het geloof in de laissez-faire economie en het ‘atomistische’ mensbeeld (het individu als een zelfstandig, rationeel en autonoom handelend wezen) maar omarmt tegelijkertijd het idee van persoonlijke groei en ontplooiing. In de crisisjaren voor de oorlog willen de pragmatisten de democratie en de zegeningen van het liberalisme redden van de bedreigingen van het kapitalisme, het fascisme en het communisme.
Zonder het op de spits te willen drijven is er een zekere historische parallel te trekken tussen het Nederland van nu en de VS van toen. De VS kenmerken zich aan het begin van de twintigste eeuw door een snelle verstedelijking, ongekende migratiegolven, de snelle aanleg van een spoorwegennet dat stad en land ontsluit en verbindt, de definitieve intrede van de consumentencultuur en de opkomst van nieuwe massamedia zoals de radio. Zonder een al te groot beroep op de verbeeldingskracht kunnen we hierin overeenkomsten zien met het huidige tijdsgewricht. De bevolkingsdichtheid in Nederland, de problemen rond migratie en globalisering, de invloed van commerciële televisie en het internet op het medialandschap en de opinievorming van burgers en de sociale fragmentatie van de samenleving zorgen voor een grote onoverzichtelijkheid. Het zijn deze problemen die de basisvoorwaarden van een overzichtelijke gemeenschap op de proef stellen in de overgang naar een complexe samenleving.
De vraag die Dewey zich stelt is of en hoe die moderne Great Society tot een Great Community kan worden omgevormd (Dewey 1927). Het unieke van Deweys benadering is dat hij zich niet beroept op de Amerikaanse evenknie van termen als ‘normen en waarden’, ‘sociale cohesie’ en ‘gemeenschapszin’. In plaats daarvan formuleert hij een nieuwe theorie over democratie. Democratie is in zijn ogen niet beperkt tot de formele wijze waarop de vorming, de uitoefening en de verantwoording van de macht zijn georganiseerd. Verkiezingen en de samenstelling van het parlement zijn maar een van de politieke instituties. Belangrijke waarden als emancipatie en ontplooiing zijn volgens hem niet alleen maatschappelijke maar vooral ook democratische waarden. Die worden echter niet in kieshokjes gereproduceerd maar in sociale interacties. Wanneer die waarden onder druk komen te staan, heeft de democratie een probleem.
Geen volk maar publiek
Het democratische karakter van de Great Society wordt volgens Dewey ernstig op de proef gesteld. Hij bevindt zich net als wij in een turbulente tijd. Hij ziet daarin echter juist een uitdaging voor de democratie. Willen politieke instituties niet verworden tot een dogma, dan dienen ze mee te bewegen. Politiek ontstaat namelijk pas in tijden van onzekerheid en ongemak. Het democratische project moet juist daarbinnen gestalte krijgen.
Hoe dat te doen? De kern van Deweys democratietheorie bestaat uit de vraag hoe een sociale gemeenschap een politieke gemeenschap kan worden: een verzameling soevereine burgers die adequaat haar problemen kan articuleren en zeggenschap heeft over de middelen om die problemen aan te pakken. Het probleem is echter dat we er niet meer klakkeloos van uit kunnen gaan dat de sociale gemeenschap in de politieke instituties vertegenwoordigd is of kan zijn. Wat we in Nederland als de vermeende ‘kloof’ tussen burger en politiek zijn gaan benoemen, ziet Dewey terug in een veel groter probleem: de samenleving zelf bestaat niet meer uit welomschreven gemeenschappen of groepen burgers die een duidelijke samenhang vertonen. De consequenties daarvan strekken verder dan wat in Nederland wel het probleem van ‘de ongekende samenleving’ is genoemd, dat vooral werd beschouwd als een bestuurlijke complicatie. Dewey ziet hierin een probleem van democratische proporties.
De cruciale gedachte van Dewey is geweest dat hij de teloorgang van sociale gemeenschappen niet als een verlies maar als de sleutel tot democratisering heeft bestempeld. Gangbare opvattingen over democratie gaan er ten onrechte van uit dat ‘het volk’ via politieke instituties vertegenwoordigd kan worden. Volgens Dewey moeten we het omdraaien. De demos van democratie is eigenlijk een demon, een geest die ons voortdurend voor de gek houdt, een illusie die we blijven koesteren maar die we in de samenleving niet meer terugvinden. In plaats daarvan bestaat de samenleving uit een meervoud, uit heel verscheiden demoi. Die dienen zich echter niet als vrije individuen aan, noch als vastomlijnde collectieven. Ze dienen zich aan als groepen mensen die verenigd worden door gezamenlijke problemen.
Om duidelijk te maken wat hij bedoelt introduceert Dewey een nieuwe term. Hij spreekt van publieken. Publieken zijn verzamelingen burgers van wisselende samenstelling die rond specifieke gedeelde problemen ontstaan. Niet ‘het volk’ maar deze publieken vormen de basis van de democratie. Publieken zijn als vreemden die door het lot met elkaar worden verenigd.
Met deze notie van ‘publieken’ breekt Dewey met twee dominante denkrichtingen over democratie. In de eerste benadering heeft altijd een sterke nadruk gelegen op democratie als een politiek systeem om de belangen en de rechten van individuele burgers te organiseren en te beschermen. Dit kunnen we de liberale variant van de democratie noemen waarin het begrip ‘vrijheid’ een belangrijke rol speelt. De tweede benadering beschouwt democratie veel meer als een collectief proces om in gezamenlijkheid te komen tot een formulering van algemene, individu-overstijgende, belangen. Dit zouden we de collectieve variant kunnen noemen waarin zowel Rousseau’s idee van de volonté générale als het republikeinse gedachtegoed met zijn nadruk op de publieke zaak sterk doorklinken.
Dewey neemt met geen van tweeën genoegen en formuleert een uitweg. Beide benaderingen onderkennen onvoldoende dat de scheidslijnen tussen wat publieke en wat private zaken zijn verlegd worden. Wat eerst als een individueel probleem geldt kan gaandeweg een politiek probleem worden (de beroemde leuze ‘het persoonlijke is politiek’ herinnert ons daar nog aan). Collectieve benaderingen op hun beurt miskennen de heterogeniteit van de hedendaagse samenleving die juist tal van onverwachte bindingen en ontbindingen laat zien. ‘Publieken’ daarentegen zijn geen vaststaande gemeenschappen maar verbindingen tussen burgers die als gevolg van nieuwe maatschappelijke kwesties ontstaan.
Wat betekent dit nu? De kwestie die Dewey op tafel legt is deze. Willen we de nieuwe publieken leren kennen, die als gevolg van ingrijpende problemen ontstaan, dan zullen we naar ze op zoek moeten gaan. We kunnen er niet van uitgaan dat ze zich zullen representeren in politieke instituties. In plaats daarvan zullen we ons oor te luisteren moeten leggen in de steden, in de ziekenhuizen, op de woningmarkt, in de instituties van de verzorgingsstaat en de publieke dienstverlening. Als politieke vertegenwoordiging alleen onvoldoende is, dan zal een vitale democratie uiteindelijk om een veel breder programma vragen dat tal van sociale instituties (scholen, ziekenhuizen, buurtorganisaties, opvang, welzijnswerk) opvat als publieke instituties waar sociale gemeenschappen zich in terug vinden.
Vrijzinnigheid eendimensionaal
De conclusie die we uit het pragmatisme van Dewey kunnen trekken is dat de instituties die we gewoonlijk niet onder het formele democratische systeem scharen wèl de werkplaatsen vormen waar democratisering tot stand wordt gebracht (in de zin van: publieken vormen, en deze zich laten organiseren). Die gevolgtrekking is niet zonder consequenties voor het gedachtegoed van GroenLinks. Het is namelijk de vraag of die democratische waarde van instituties wel voldoende bij GroenLinks in het vizier staat. Voor zover dat niet zo is, heeft dat minder te maken met een gebrek aan sociale betrokkenheid dan met het gebruik van een specifieke politiektheoretische bril.
De bril van GroenLinks kent twee verschillend geslepen glazen. Aan de ene kant vinden we nog de traditie van het sociaal-collectivisme uit het socialisme maar ook uit het communitarisme. Met een sterk beroep op de waarden van solidariteit en gemeenschapszin onder (en tussen) verschillende lagen van de bevolking moedigt deze stroming een politieke ideologie aan die de verdediging van individuele belangen van burgers nooit de collectieve bindingen in de samenleving wil zien ondermijnen. In plaats daarvan zou de partij in deze visie moeten inzetten op een programma van sociale acties dat erop gericht is de sociale cohesie verder te versterken en achtergestelde groepen in de samenleving helpen aansluiting te vinden.
Aan de andere kant zien we de invloed van de traditie van het liberalisme en sociaal-individualisme. Een belangrijk postadres hiervan is sinds een aantal jaren de Waterlandstichting, maar ook de politiek leider zelf valt in deze traditie te plaatsen. Die is terug te lezen in de door Halsema bepleitte nadruk op ‘vrijheid’ als centrale (liberale) waarde en de aandachtsverlegging van ‘beleidsuitgangspunten’ naar ‘beleidsuitkomsten’. Daarbij wordt minder naar collectieve arrangementen gezocht waar deze het gevaar lopen individuele verschillen en mogelijkheden onder de noemer van ‘gelijkheid’ onvoldoende recht te doen, maar is het accent gelegd op hervormingstrajecten die mensen in gelijke mate in staat moeten stellen zich te ontwikkelen. Halsema omschrijft deze benadering zelf als ‘pragmatisch’.
Deze tweede stroming is sinds een aantal jaren dominant in de fractie en bepaalt in belangrijke mate het gezicht van de partij. Ze kent echter ook een nadeel. Het manco van het huidige GroenLinks is in mijn ogen dat het zich in de inhoud en in de stijl is gaan bedienen van een liberale maar tegelijk ook zeer formele en procedurele benadering van politieke vraagstukken. Die benadering gaat er ten onrechte vanuit dat het liberalisme noodzakelijkerwijs individuele vrijheden als hoogste goed in het vaandel moet hebben staan; en dat het enige alternatief bestaat uit een benadering die de nadruk legt op de waarde van collectieve solidariteit, groepsbindingen en gemeenschapszin.
Theoretisch gezien maakt de nu gangbare sociaal-liberale benadering het moeilijk belangrijke hedendaagse thema’s te politiseren die juist te maken hebben met de steeds verschuivende grenzen tussen publiek en privaat. Wat een individueel en wat een collectief probleem is, wat de staat moet doen en wat ook via marktwerking, vrijwillige associatie of via andere coördinatiesystemen te bewerkstelligen is, is voortdurend onderwerp van discussie. Individuele vrijheid of vrijzinnigheid is een te eendimensionale categorie om daar recht aan te doen.
Praktisch bezien zullen belangrijke groepen in de samenleving zich maar moeilijk herkennen in deze vorm van sociaal-liberalisme, omdat het slechts in geringe mate appelleert aan de problemen waar zij in het dagelijkse leven tegenaan lopen. Haagser gezegd: grote groepen kiezers win je er niet mee. Als ouder en verzorger, als woningzoekende, als consument of als patiënt maken burgers steeds deel uit van een ander ‘publiek’ en op dat alledaags niveau, niet in een tekstboek of in een stemhokje, ontmoeten ze het democratische gehalte van onze instituties.
Ik pleit er niet voor het liberale programma in te ruilen voor de meer collectivistische stroming. Ook die traditie is met een beroep op de politieke theorie van het pragmatisme te bekritiseren. Juist omdat we er niet langer vanuit kunnen gaan dat we weten welke ‘groepen’ zich in de samenlevingen bevinden en hoe het overheidsbeleid deze zou kunnen bereiken, doet een progressief programma er beter aan zich van de notie van ‘publieken’ te bedienen. Sociaal gezien geeft die benadering er rekenschap van dat burgers meervoudige identiteiten kunnen ontwikkelen ten aanzien van verschillende maatschappelijke problemen waar ze tegenaan lopen. Bestuurlijk gezien erkent het dat het democratische gehalte van een politiek systeem niet alleen in politieke instituties of in de overheid zichtbaar moet zijn maar haar uitstraling zal moeten vinden in de hele publieke sector waar maatschappelijke problemen tot uitdrukking komen.
Wat GroenLinks mist, zo heb ik gesteld, is een samenhangend perspectief dat de kernwaarden van de partij kan vertalen in een diagnosticerend en hervormingsgericht politiek programma dat is toegesneden op actuele kwesties. Op grond van het voorafgaande kunnen daartoe in ieder geval de volgende wenken worden gegeven.
1.Zie democratie niet beperkt tot de formele politieke instituties van de vertegenwoordigende democratie, maar beschouw alle publieke instituties als democratische organisaties.
2.Geef er rekenschap van dat democratie niet altijd te maken heeft met formele regelingen om inspraak en zeggenschap te organiseren maar juist betrekking heeft op de identificatie en de organisatie van publieken: nieuwe groepen burgers die door onverwachte problemen getroffen worden.
3.Reflecteer ernstig op de vraag of ‘vrijheid’ of ‘vrijzinnigheid’ wel het juiste begrip is om democratie in deze zin te kenschetsen en om het belang van de zoektocht naar de nieuwe publieken in de samenleving te benadrukken.
4.Reflecteer evenzeer op de vraag of deze publieken nog wel adequaat worden aangeduid met klassieke noties als ‘groep’, ‘gemeenschap’ en ‘collectief’.
5.Bevraag de waarde van de individualistische benadering in het liberalisme en tracht inspiratie uit het pragmatisme te halen waar het de belangrijke liberale waarden van ontplooiing, mondigheid en emancipatie in een progressief programma weet te verenigen zonder deze in tegenspraak te zien tot de vorming van publieken of de waarde van publieke instituties.
6.Besteed veel meer aandacht aan de bestuurlijke vormgeving van de publieke sector en de maatschappelijke dienstverlening (scholen, ziekenhuizen, woningbouwcorporaties). Neem deze ‘democratisch’ de maat. Bedenk of de invoer van een nieuwe wet voor de Maatschappelijke Onderneming (een typische CDA-hybride) wel het inherent democratische belang van de publieke sector en de maatschappelijke dienstverlening onderkent.
Literatuur
J. Dewey, The Public and its Problems, Chicago: The Swallow Press, 1927.
H. Dijstelbloem, De democratie anders. Politieke vernieuwing volgens Dewey en Latour , Proefschrift Universiteit van Amsterdam, 2007.
H.R. Van Gunsteren en E. van Ruyven, Bestuur in de Ongekende Samenleving, Den Haag: Sdu Uitgevers, 1995.
J. Habermas, Die Neue Unübersichtlichkeit, Frankfurt am Main: Suhrkamp, 1985.
F. Halsema, B. Snels e.a., Vrijheid als ideaal, Amsterdam: Boom, 2005.
A. Schlesinger, The Age of Roosevelt, Vol. I, II & III, Boston & New York: Houghton Mifflin Company, 2002.
R.B. Westbrook, John Dewey and American Democracy, Ithaca and London: Cornell University Press, 1991.
Bewijzen van goede dienstverlening, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, Amsterdam: AUP, 2004.
Huub Dijstelbloem is medewerker van het Rathenau Instituut
De Helling 2007/4