de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Taner Akçam: "Ik wil wetenschapper zijn"

door Aysel Sabahoglu

Een interview met Taner Akçam, auteur van het onlangs verschenen De Armeense Genocide. Hij geldt als een van de weinige Turkse historici die hun nek durven uitsteken ten aanzien van de erkenning van de Armeense genocide door Turkije. Volgens de officiële Turkse lezing zijn er weliswaar honderdduizenden Armeniërs omgekomen in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog en de Turkse onafhankelijkheidsstrijd, maar is er geen sprake van een vooropgezet plan tot etnische zuivering en uitroeiing van de Armeniërs. Akçam beweert in zijn boek, dat is gebaseerd op Turkse bronnen, dat dit wel degelijk het geval was. Het interview laat zien hoezeer wetenschappers, gewild of ongewild, onderdeel zijn van de politieke context van hun tijd.

U zou 14 mei jl. in Amsterdam op uitnodiging van het Centrum voor Holocaust- en Genocide Studies een lezing geven naar aanleiding van het verschijnen van de Nederlandse vertaling van uw boek . Maar u kon niet komen. Wat is er aan de hand?
“Ik heb een Duits paspoort. Op dit moment verblijf ik in de Verenigde Staten op basis van een tijdelijke woon en werkvergunning. Ik ben gastdocent aan de Universiteit van Minnesota bij het Centre for Holocaust en Genocide Studies. Sinds het verschijnen van mijn boek is er een actie gestart -aangestuurd door Turkse diplomaten in de VS- om mijn persoon en integriteit in een kwaad daglicht te stellen. Turkse ultranationalisten hebben het vermoedelijk klaargespeeld mij verdacht te maken van ‘terroristische activiteiten’. Ik vermoed althans dat ik daaraan de huidige problemen met mijn visum te danken heb. Ik kan de VS niet verlaten, en doe ik dat wel, dan kom ik het land niet meer in. Omdat de Amerikaanse overheid mij geen inzicht in mijn dossier geeft en er ook geen sprake is van een concrete verdenking waartegen ik me zou kunnen verweren, kan ik op dit moment geen kant op en moet ik al mijn lezingen buiten de VS afzeggen. Ik word gehinderd in de VS, terwijl ik Turkije inmiddels wel vrij in en uit mag reizen.”

Waarom hebt u zich verdiept in de Armeense genocide?
“Ik studeerde in de jaren zeventig en zie mezelf als een vertegenwoordiger van de generatie van ’68. We wilden de revolutie van onze voorouders voortzetten, die ons bevrijd hadden van de Russische, Franse en Britse bezetters. We vonden dat Turkije gaandeweg weer in de macht was gekomen van imperialistische krachten. Daar verzetten we ons tegen. We wisten echter niets van de jaren 1914-1915 van de Turkse geschiedenis, maar voelden wel aan dat dat een duistere periode moest zijn geweest en dat we er maar vanaf moesten blijven. We wisten niets van het lot van de Armeniërs en hadden zelf ook vooroordelen over Joden en Armeniërs. We vonden Armeniërs destijds maar rijk en verwend, niet betrokken bij de samenleving waarin ze leefden.
Het was een schok toen ik in Hamburg op de Armeense genocide stuitte. Begin jaren 90 viel Joegoslavië uiteen. Etnische zuiveringen deden zich weer voor in Europa. Het internationale strafhof (‘ICC’) dat in 2002 is opgericht om genocideplegers en misdadigers tegen de menselijkheid te vervolgen, bestond toen nog niet. Ik zocht naar juridische precedenten in de geschiedenis en las over de Neurenberg-processen en onderzocht de universaliteit van de rechtsregels die daar zijn vastgesteld. Via de Neurenberg-processen stuitte ik op de processen in Istanbul tussen 1919-1922. De krijgsraad die de officieren die verantwoordelijk waren voor de deportatie en massamoorden wilde berechten, mislukte. Een aantal van deze officieren was namelijk op belangrijke posten terecht gekomen. De grenzen van de republiek werden in het Verdrag van Lausanne in 1923 vastgesteld. De republiek werd datzelfde jaar gesticht. Het leek in niemands belang meer om deze officieren te berechten. Ik heb onderzoek gedaan in de openbare archieven van de militaire rechtbank die van 1919 tot 1922 de oorlogsprocessen gevoerd heeft; ik heb Osmaanse kranten, tijdschriften en ook de rechtbankverslagen bestudeerd. Dit is de eerst publicatie waarin de Armeense gemeenschappen op het Osmaanse grondgebied gereconstrueerd worden met eerstehands informatie uit die Osmaanse archieven. Dit is ook de eerste publicatie waarin gesteld wordt dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de Osmaanse archieven en de Armeense bronnen en dat de Turkse bronnen het Armeense archiefmateriaal bevestigen.”

Wat willen de Armeniërs van de huidige republiek Turkije?
“Het officiële standpunt van de Armeense overheid is dat zij enkel erkenning en excuses willen. Turkije heeft internationale verdragen getekend en onderschrijft daarmee de mensenrechten. Bij de stichting van de republiek Armenië heeft de Armeense overheid aangegeven geen aanspraken te willen maken op gedwongen achtergelaten en door de Turkse overheid geconfisqueerde Armeense bezittingen en tegoeden. Er zijn weliswaar Armeniërs die de oostelijke provincies van Turkije claimen als oorspronkelijk grondgebied van de Armeniërs, maar het gaat de meeste Armeniërs er om dat het leed wat hen is aangedaan wordt erkend. Dat wil niet zeggen dat individuele claims van Armeniërs uitgesloten zijn. Maar neofascisten in Turkije houden elke vorm van dialoog tegen met het idee dat Armenië en de in diaspora levende Armeniërs het land zouden willen destabiliseren en op die manier grond en goed zouden willen verwerven. Armeniërs zouden volgens hen compensatie en daarmee het failliet van de Turkse overheid nastreven. Overigens wil ik wel gezegd hebben dat de discussie over compensatie misschien ook een discussie voor de toekomst is. Het gaat het merendeel van de Armeniërs nu vooral om het morele aspect.”

De genocide is gepleegd in 1915. Sommigen vinden het onbegrijpelijk dat jonge Turkse Nederlanders nog aangesproken worden op deze kwestie, zoals onlangs gebeurde in Nederland in november 2006 tijdens de parlementsverkiezingen. Hoe ziet u dat?
“De republiek heeft haar geschiedenis herschreven, maar de Turken moeten de ware toedracht onder ogen zien. We moeten van het taboe af. Koerden en Turken zouden in Turkije in publieke debatten openlijk moeten kunnen spreken, zonder angst voor vervolging. De geschiedenisboeken moeten ook de verhalen van de gewone mensen bevatten, niet langer alleen de officiële staatsleer. Ik stel zelf een nationale therapie voor. Wil Turkije toetreden tot de Europese Unie, dan moet het een democratie worden. Ik put hoop uit het feit dat tweede generatie Turkse jongeren hier wel les krijgen over de Tweede Wereldoorlog en de holocaust. Maar de Armeense genocide behoort ook tot de Europese koloniale geschiedenis. Het is tijd dat ook die kant van de geschiedenis aandacht krijgt. De Franse en Britse mogendheden speelden vaak dubbelspel. Zij beschermden weliswaar de Armeniërs in het Osmaanse Rijk, maar als dat zo uitkwam lieten zij hen net zo hard vallen. Zo verwierven zij macht en invloed over de ruggen van de Armeniërs. In 1914 werden de Armeniërs aan hun lot overgelaten. Het westen keek een andere kant op. Men was te druk met het voeren van de eigen oorlog.”

U wordt in Turkije verdacht gemaakt. U zou een landverrader zijn. Acht u een normaal debat over de Armeense genocide wel mogelijk in Turkije, gezien alle verdachtmakingen richting de intellectuelen die de Armeense genocide ‘erkennen’? Zelfs Nobelprijswinnaar Orhan Pamuk moest het land ontvluchten omdat de Turkse overheid zijn veiligheid niet kon garanderen.
Geïrriteerd: “Ik heb geen politieke ambitie of een dubbele agenda. Ik wil wel dat de Turken hun eigen geschiedenis leren kennen. Ik dien de Armeense lobby niet en ben ook geen ‘Turkse’ historicus, maar een wetenschapper die zijn werk zo goed en zo objectief mogelijk wil doen en het liefst met rust gelaten wordt. Het gaat mij om vrijheid van meningsuiting en om dialoog. Ik heb als jonge student in de jaren zeventig gestreden voor een democratischer Turkije. Domme nationalisten en racisten brengen mijzelf en andere wetenschappers en intellectuelen in diskrediet. Ik ben tegen wetgeving die de vrijheid van meningsuiting beknot. Ik ben ook uitgesproken tegen de Franse genocidewet die de ontkenning van de genocide strafbaar stelt. Ook de onlangs vermoorde Hrant Dink – een Turks-Armeense journalist – was een tegenstander van de Franse genocidewet.”

Wat zijn uw plannen voor de nabije toekomst? Wat gaat u verder onderzoeken?
“Ondanks alle polarisatie is er toch ook vooruitgang geboekt in Turkije. Er kan nu meer dan tien jaar geleden. Het woord genocide valt nu regelmatig in de media, dat was vroeger ondenkbaar. Ik wil me nu concentreren op de periode tussen 1908 - het jaar van de Jong Turkse Revolutie tegen Sultan Abdul Hamit - en 1913 en ook de positie en vervolging van andere minderheden in het Osmaanse Rijk bestuderen. Ik kan Turkije gewoon in en uit en heb vrij toegang tot de publieke archieven. Ik wil vooral wetenschapper zijn. Mijn missie is het bespreekbaar maken van de volkerenmoord die geen genocide mag heten.

Taner Akçam
Akçam studeerde politieke economie aan de Middle East Technical University in Ankara. In zijn studietijd werd hij één van de leiders van de marxistische beweging Dev Yol. In 1976 werd hij gearresteerd vanwege zijn politiek activisme en tot tien jaar gevangenis veroordeeld. Na een jaar vluchtte hij via een tunnel. Akçam belandde in 1978 in Duitsland. Hij werd actief voor de Grünen in Hamburg en kreeg in 1988 een aanstelling bij het Hamburger Institut für Sozialforschung waar hij de geschiedenis van het geweld en de folteringen in het Ottomaanse Rijk en in het vroege Turkije ging bestuderen. Samen met anderen stond Akçam aan de wieg van de conferentie over de Armeense genocide in 2005 in Istanbul. Hij werd vanwege zijn ‘erkenning’ van de genocide vervolgd op grond van artikel 301 van het Turkse wetboek van strafrecht dat belediging van ‘het Turkendom’ strafbaar stelt, maar werd ook weer vrijgesproken.
De Nederlandse documentairemaakster Dorothée Forma portretteerde Akçam in 1997 in haar film ‘Een muur van stilte’. Op uitnodiging van de Humanistische Omroep sprak Akçam in december 2006 een gemengd Turks, Nederlands en Armeens publiek toe in Amsterdam. Zijn lezing stuitte op veel weerstand, maar vond ondanks alle rumoer in de zaal doorgang. Taner Akçam schrijft regelmatig voor het Turks-Armeense weekblad Agos. Hij was bevriend met Hrant Dink, de in januari vermoorde Turks-Armeense hoofdredacteur van Agos.

Aysel Sabahoglu is stafmedewerker van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks

De Helling 2007/2


Inhoud 2007/2