de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

De Armeense genocide

door Ugur Ümit Üngör

Onlangs verscheen De Armeense Genocide van Taner Akçam. Hij geldt als een van de weinige Turkse historici die hun nek durven uitsteken ten aanzien van de erkenning van de Armeense genocide door Turkije. Volgens de officiële Turkse lezing zijn er weliswaar honderdduizenden Armeniërs omgekomen in de nadagen van de Eerste Wereldoorlog en de Turkse onafhankelijkheidsstrijd, maar is er geen sprake van een vooropgezet plan tot etnische zuivering en uitroeiing van de Armeniërs. Akçam beweert in zijn boek, dat is gebaseerd op Turkse bronnen, dat dit wel degelijk het geval was.

Als men een metafoor moest gebruiken voor de bestudering van het lot van de Ottomaanse Armeniërs in 1915, zou het lijken op de poging een kaars brandend te houden temidden van een regenstorm. Het is een moeizaam karwei, waar een scala aan politieke, juridische en morele fenomenen intervenieert in het zuiver intellectuele proces: de toetreding van Turkije tot de Europese Unie, Anglo-Amerikaanse geopolitieke belangen, herinneringsgerelateerde identiteitsconflicten tussen Armeniërs en Turken, betrekkingen tussen de staten in het Midden-Oosten, enzovoort. Hoewel de gebeurtenissen in tijd meer dan 90 jaar en in afstand vaak meer dan duizenden kilometers verwijderd zijn, is voor veel mensen de bestudering van ‘1915’ veel meer dan een steriele en gedistantieerde zaak voor academische ivoren torens. De rivaliteit tussen scherp antagonistische krachten strekt zich tegenwoordig uit ver voorbij de kring van politiek activisme en heeft de academische wereld diep gepenetreerd. Gezien de licht ontvlambare aard van het debat moeten onderzoekers die dit veld betreden louter voor hun moed al worden geprezen.
Vanwege de heersende populaire misvatting dat hij ‘de eerste Turk’ zou zijn die de genocide als zodanig ‘erkent’ en bestudeert, geniet Akçam internationale faam. Direct na de genocide hebben talloze Turken er al over gepubliceerd (Akçam citeert er een aantal), en hebben in een later stadium wetenschappers als Ismail Besikci er onomwonden over geschreven.
Dit ‘nieuwe’ boek is de vertaling van een eerder in het Turks verschenen uitgave (Ankara, 1999), dat zelf weer een vertaling en bewerking was van zijn in het Duits verschenen dissertatie Armenien und der Völkermord: die Istanbuler Prozesse und die türkische Nationalbewegung (Hamburg: Hamburger Edition, 1996).

Overtuigend
Akçams boek is een buitengewoon gedetailleerde studie, niet zozeer van de ontvouwing van het vervolgings- en vernietigingsproces op zich, dan wel van de toedracht tot de catastrofe en de nasleep ervan. Akçam beargumenteert op overtuigende, zij het niet altijd gestructureerde manier dat de tergend langzame erosie van het Ottomaanse Rijk op de Balkan een verdwijningsangst aanwakkerde bij de politieke elite, die zich meer en meer oriënteerde op het Turks nationalisme. De uitbraak van de Eerste Wereldoorlog gaf deze elite de mogelijkheid om een grondige homogenisering van de bevolking te organiseren, die met een hoog geweldsniveau werd afgedwongen. Voor de nasleep van de genocide baseert Akçam zich vooral op de Ottomaanse krijgsraad, die in 1919 in Istanbul werd georganiseerd maar door het opkomende nationalisme van Mustafa Kemal (Atatürk) steeds meer gemarginaliseerd werd en uiteindelijk in de vergetelheid raakte. Het meest overtuigende deel van Akçams boek is het hoofdstuk over het besluitvormingsproces in de periode tussen december 1914 en april 1915, waarin een ernstige radicalisering van vervolgingsmaatregelen optrad tegen de Armeense burgerbevolking. Stap voor stap legt Akçam de stukjes van de puzzel bij elkaar door gebruik van een combinatie van memoires, logica en geïnformeerde speculatie.

Zwakke punten
Akçams thesen zijn niet geheel nieuw, ze zijn deels gebaseerd op eerder geformuleerde ideeën van onder andere Vahakn Dadrian, expert van de Armeense genocide. Ook hanteert Akçam geen Ottomaans archiefmateriaal en laat hij de deportaties en vervolging van andere slachtoffergroepen buiten beschouwing, terwijl juist deze als controlegroep zou kunnen verhelderen hoe en waarom de behandeling van Armeniërs afwijkt van de behandeling van anderen.
De balans tussen beschrijving en analyse is niet altijd even overzichtelijk. Hierdoor bevat het boek wel een kolossale hoeveelheid empirische informatie, bijvoorbeeld honderden citaten van Ottomaanse ambtenaren die uitspraken hebben gedaan over de vervolgingen, maar mist het te vaak de analytische diepgang en sociologische verbeeldingskracht om die samen te bundelen tot een compact en begrijpelijk betoog over waarom het vervolgingsproces genocidaal werd en hoe het zich ontwikkelde door de maanden en jaren heen. Ook is Akçam gepreoccupeerd met het statische idee van ‘vóór de beslissing’ en ‘ná de beslissing’, terwijl genocidale processen zich veel meer schoksgewijs ontwikkelen in alsmaar radicaliserende ontwikkeling.
Er zijn inmiddels andere, betere boeken verschenen. Een beter analytisch boek is Donald Bloxham’s scherpe The Great Game of Genocide: Imperialism, Nationalism, and the Destruction of the Ottoman Armenians (Oxford: Oxford University Press, 2005), en een betere puur beschrijvende studie is Raymond Kévorkian’s indrukwekkende Le Génocide des Arméniens (Parijs: Odile Jacob, 2006). Kortom, als dit boek op zijn merites moet worden beoordeeld dan kan ik niet anders concluderen dan dat het boek door recent onderzoek grotendeels is achterhaald, ondanks latere herzieningen.

Taner Akçam, De Armeense Genocide: Een Reconstructie, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2007, vertaling Gerrit Jan Zwier & Djuke Houweling. 514 pp, ISBN 378 90 468 0225 0.

Ugur Ümit Üngör is staflid van het Centrum voor Holocaust- en Genocidestudies in Amsterdam. Hij schreef Vervolging, onteigening en vernietiging: de deportatie van Ottomaanse Armeniërs tijdens de Eerste Wereldoorlog, Aspekt, Soesterberg 2007.

De Helling 2007/2


Inhoud 2007/2