door Wijnand Duyvendak
Groen heeft eindelijk de wind mee. Dat werpt de vraag op: hoe moet groene oppositie eruitzien ten tijde van Balkenende 4, in en buiten het parlement. Wat is de inzet en wat zijn de lastige dilemma's? En wie zijn bondgenoten? Wijnand Duyvendak geeft zijn visie.
De moesson in Azië is dit jaar volkomen van slag. De regen is ongekend hevig. Miljoenen mensen hebben moeten vluchten. Ze zijn hun huis kwijt en bijna altijd ook hun middelen van bestaan: hun vee, hun zaaigoed. Berooid blijven ze achter, als een vluchteling in eigen land. De deskundigen zijn het erover eens dat deze heftige moessonregens mede het resultaat zijn van de klimaatverandering. Ze passen bij het nieuwe klimaat dat ons wereldwijd voor de komende decennia voorspeld wordt en waardoor vooral de minst weerbaren in de ontwikkelingslanden hard getroffen zullen worden. Maar het steeds extremere weer zal ook het leven in Europa vaker ontwrichten en vormt op termijn ook een serieuze bedreiging voor onze regio: als de zeespiegel maar blijft doorstijgen of als onverhoopt door het smelten van de noordpoolkap de warme golfstroom aan Europa voorbij zal gaan.
Vooralsnog laat de klimaatcrisis zich het scherpst gelden in de derde wereld. In november vorig jaar was ik in Kenia, Nairobi. Daar werd veel over klimaatverandering gesproken – en niet alleen omdat daar op dat moment de VN-klimaatconferentie plaatsvond. Nairobi is eind 19e eeuw door de Engelse kolonisatoren gebouwd op relatief grote hoogte. Het is daar wat minder warm, waardoor de malariamug er niet kan overleven. De inwoners bleven zo gevrijwaard van de vaak dodelijke malariaziekte. Maar ook in Kenia wordt het warmer. Steeds vaker wordt de malariamug in de stad gesignaleerd. Een grote bedreiging voor de miljoenen inwoners. En heel cynisch. Want deze mensen hebben part noch deel gehad aan de opwarming van de aarde.
In het vorige nummer van de Helling formuleert de Duitse Grüne Peter Siller zeer relevante vragen voor het huidige ecologische debat: “Wie wordt in onze tijd eigenlijk getroffen door de ecologische ontwikkelingen? Waar wordt de vrijheid een niet ingeloste belofte als gevolg van de ecologische crisis? En wie kan aanspraak maken op welk deel van het steeds krapper wordende emissiebudget van de planeet?” De klimaatcrisis bedreigt nu regelrecht de inwoners van Nairobi, zoals zoveel anderen in de ontwikkelingslanden. De gevolgen van onze energiepolitieke keuzes wentelen we op hen af. Zoals we die – als we zo doorgaan – nog sterker zullen afwentelen op volgende generaties in ontwikkelingslanden, maar uiteindelijk ook in de rijke landen zelf. Wij beperken hun vrijheid, omdat wij meer milieuruimte nemen dan de aarde kan dragen. Daar is geen enkele rechtvaardiging voor. Ik ben het eens met Siller dat groene politiek in essentie draait om vrijheid en rechtvaardigheid.
Schaarste verdelen
Past het op een spandoek? “Ieder mens heeft recht op evenveel vervuiling”. Het zou de milieuleuze voor de komende decennia kunnen zijn. Je zou hem ook positief kunnen formuleren: “ieder mens heeft recht op evenveel milieuruimte”.
Het politieke gevecht om de klimaatvervuilingsrechten is nu al losgebarsten. China is de gebeten hond. India is een goede tweede. Deze nieuwe, snel groeiende economieën moeten hun uitstoot beperken, anders is een effectieve wereldwijde klimaataanpak uitgesloten, zo horen we keer op keer van de regeringsleiders in de VS en Europa.
Dat is niet rechtvaardig. Een Amerikaan draagt nu zeven keer meer bij aan de klimaatuitstoot dan een Chinees, een Europeaan vier keer meer. En dan hebben we het over de uitstoot vandaag de dag. De klimaatverandering die we nu mee maken is het resultaat van CO2-uitstoot vanaf de industriële revolutie, die vrijwel geheel voor rekening komt van de VS en Europa. Landen als China en India hebben per inwoner recht op evenveel ‘milieuruimte’ als de rijke landen. Hun CO2-uitstoot moet dus de komende jaren nog kunnen groeien en dat verplicht tot een extra grote beperking van onze uitstoot. Tachtig procent minder CO2-uitstoot voor Nederland in 2050 is dan een realistisch doel. Azië loopt op termijn natuurlijk wel tegen een grens aan, maar die moet gelijk zijn aan de toekomstige grens voor het Westen. Daarom is het ook voor India en China van groot belang in te zetten op schone technieken. Wij moeten hen daar op alle mogelijke manieren, ook financieel, bij helpen.
Niet alleen internationaal, ook nationaal zal de schaarste eerlijk verdeeld moeten worden. Voorkomen dient te worden dat mensen met veel geld er op los kunnen vervuilen en mensen met lage inkomens het nakijken hebben. De kunst voor een linkse milieupolitiek is er ook in eigen land voor te zorgen dat bijvoorbeeld vliegen niet alleen voor de rijken wordt, maar dat iedereen dit op z’n tijd kan doen.
Ik ben optimistisch over de mogelijkheden om de opwarming van de aarde tot staan te brengen. Groene technologieën bieden ons een gouden kans. Overal in de wereld zijn heel inspirerende praktijken te vinden van belangrijke groene doorbraken, zoals ik met Femke Halsema beschreef in het boekje EKOnomie. Maar deze doorbraken komen, zoals we in het boekje ook laten zien, niet vanzelf tot stand. De politiek moet uitdagen door grenzen te stellen. Grenzen lokken innovatie uit. Dit kan door steeds strengere normstelling (voor automotoren, voor woningen), of door fiscale vergroening (fossiele energie veel duurder maken), maar ook door verboden (geen nieuwe kolencentrales die een veelvoud aan CO2 uitbraken). Grenzen stellen is grenzen verleggen.
Ik denk dat technologische innovatie ons in veel sectoren echt soelaas kan bieden, maar of het voldoende kansen biedt om aan de klimaatcrisis te ontsnappen is zeer de vraag. Dat komt doordat onze economie steeds groeit en daarmee de consumptie. Maar het komt ook doordat in sommige sectoren doorbraken nog erg ver weg zijn of heel lastig te realiseren zijn. De productie van vlees is nu bijvoorbeeld verantwoordelijk voor ongeveer 15% van de wereldwijde klimaatuitstoot. Eigenlijk leidt alle technologische innovatie hier onvermijdelijk tot enorme verslechtering van het dierenwelzijn. Dat is uiteraard zeer ongewenst.
Waar we voor de rijke landen grote reductiepercentages noodzakelijk achten, en waar technologie bij deze grote opgave niet alles vermag, zal de politiek er niet omheen kunnen om bij een aantal van de allerhardnekkigste problemen, zoals bijvoorbeeld op het gebied van vlees eten en auto- en vliegverkeer, grenzen te stellen die het gebruik zelf zullen moeten reguleren. Want uiteindelijk zijn, gegeven de gestelde grens, technologische innovatie en het reguleren van gebruik communicerende vaten. Hoe meer we de uitstoot kunnen beperken door innovatie des te minder we het gebruik hoeven te reguleren, én omgekeerd.
Groen moralisme
Het klimaatdebat is een bij uitstek moreel debat. Het gaat om de verdeling van milieuruimte tussen de eerste en de derde wereld en tussen huidige en toekomstige generaties. Wie krijgt hoeveel? Wat kan je maken ten opzichte van alle anderen? Het gaat bovendien over de rol van de politiek, de markt en het individu.
Te lang voerde een specialistisch beleidsdiscours de boventoon in milieudiscussies. Het is een goede zaak dat door de nieuwe urgentie van het debat de meer principiële en morele vragen nu alle ruimte krijgen. Dit moet echter niet omslaan in groen moralisme, waarbij snel en makkelijk wordt geoordeeld over andermans individuele gedrag. Ik geloof er niets van dat individuele keuzes het klimaatprobleem kunnen oplossen. Dat zal nooit lukken zonder grote structurele veranderingen die de voorwaarden moeten scheppen voor groenere individuele keuzes. Een groen moralisme dat het hele klimaatprobleem tot een gedragsprobleem reduceert, past eigenlijk veel meer in een rechtse politieke traditie die de maatschappelijke context miskent door ieder succes en falen te herleiden tot louter persoonlijke keuzes.
Het morele debat moet primair op politiek niveau worden beslecht, want daar krijgen structurele veranderingen vorm. Waar trekken we als samenleving de grens? Welke milieuvriendelijke alternatieven maken we mogelijk? Hoeveel duurder wordt niet-duurzaam gedrag? Hoe stimuleren we innovatie?
Het is natuurlijk van betekenis als mensen zelf een zuinige CV-ketel, schone auto en spaarlamp aanschaffen. Maar te grote verwachtingen zijn hier misplaatst. De doorbraken die nodig zijn gaan de macht van de consument verre te boven. De markt en de consument kunnen de klimaatcrisis niet bezweren. Gaat het dan helemaal niet meer om ons individuele gedrag? Zeker wel. Maar de structurele context bepaalt wat je van mensen zelf kan verwachten. Waar de politiek niet zorgt voor goed openbaar vervoer op het platteland, is het toch volstrekt begrijpelijk dat mensen daar een auto aanschaffen? Waar vliegen vaak zoveel goedkoper is dan de trein nemen en een goed net van snelle treinen ontbreekt, is de snelle groei van het vliegverkeer een onvermijdelijk gevolg.
Politieke actie – die structureel hervormt en scherp ingrijpt in de markt – heeft daarom veel meer perspectief.
Uit zeer veel verschillend onderzoek blijkt dat mensen veel willen doen om het klimaatprobleem op te lossen, maar dan wel als ze zeker weten dat iedereen meedoet en er goede collectieve regelingen of afspraken komen. Dat is ook begrijpelijk. Want alleen dan is zeker dat je groene gedrag ook daadwerkelijk wat oplevert.
Week in week uit zie ik in de Kamer hoe het politiek bestuur worstelt met het stellen van de noodzakelijke grenzen. Sterk vervuilende kolencentrales: tegenhouden of toch maar toestaan? Files en slechte bereikbaarheid: meer nieuwe wegen of kilometerheffing en openbaar vervoer? Bio-industrie: door laten groeien of aanpakken? Uiteindelijk bepaalt de optelsom van de antwoorden op deze en andere politieke vragen of we de Nederlandse CO2-uitstoot onder de knie krijgen. Allemaal politieke besluiten.
Al worden de besluiten formeel in de Haagse arena genomen, feitelijk zijn ze bijna altijd een weerspiegeling van de maatschappelijke krachtverhoudingen op dat moment. Die worden in de eerste plaats bepaald door wie en hoe het debat in de publieke sfeer gevoerd is, ten tweede door de mate van zichtbare betrokkenheid van burgers en ten derde door de lobby’s van betrokkenen. Dit publieke gevecht met vreedzame middelen is de essentie van politiek. Het verloop hiervan bepaalt uiteindelijk het succes van onze strijd tegen de klimaatverandering. De massale betrokkenheid van wereldburgers bij dit publieke gevecht is van groot belang: burgers met een mondiale blik, die groene rechtvaardigheid voorop stellen en vertrouwen hebben in publieke besluitvorming. Ook hier ben ik optimistisch. Het laatste jaar hebben we op dit vlak een enorme versnelling gezien. De zorgen, maar ook de betrokkenheid en de wens tot oplossingen te komen zijn exponentieel toegenomen.
Politiek
Dit brengt ons ook bij GroenLinks, juist omdat wij een politieke beweging zijn. Ik zou willen dat wij mede die vereniging van wereldburgers worden die er alles aan doet om de klimaatcrisis te bezweren. In de volksvertegenwoordigingen, maar net zozeer daarbuiten. GroenLinks moet de komende jaren meebouwen aan een wereldwijde beweging van burgers die de klimaatcrisis wil overwinnen. In de straat, op het werk, in de raden, internationaal. Dit moet één van de grote prioriteiten van de partij zijn. Niet omwille van electorale redenen, maar gewoon omdat het broodnodig is. Deze klimaatcoalitie zal vanzelfsprekend een brede coalitie zijn, een veelkoppig monster. GroenLinks zal zelf veel initiatief moeten nemen, maar een goede samenwerking met milieuorganisaties is natuurlijk onmisbaar. Die samenwerking is soms gecompliceerd, omdat deze organisaties nogal eens het liefst gepaste afstand houden tot het partijpolitieke GroenLinks. Achter de schermen is de informatie- en argumentatie-uitwisseling intensief, maar zichtbaar wordt dat maar weinig. Samenwerken met bewonersgroepen (in verzet tegen de A6-A9, de bebouwing van de Hoeksche Waard, Schiphol, etc.) loopt gelukkig vaak makkelijker. Met de brede klimaatcoalitie CoolClimate, waarin milieu- en natuurorganisaties, BN’ers en politici samenwerken, hebben we hopelijk een paar stappen vooruit gezet. Ik begrijp wel dat het voor milieuorganisaties niet altijd handig is sterk met één partij verbonden te worden. Maar politieke veranderingen komen veel eerder tot stand wanneer maatschappelijke organisaties en politieke partijen samen optrekken. En is GroenLinks niet mede ontstaan als politieke vertaling van de milieuacties uit de jaren zeventig en tachtig?
Het is tot slot goed om na te denken over hoe we ons in raden en parlementen het meest effectief voor een schoner klimaat kunnen inzetten. Dat is immers nog altijd ons belangrijkste werkterrein.
In de Tweede Kamer willen we dat doen langs drie lijnen:
1. Alternatief: GroenLinks moet heel precies laten zien hoe we de reductie van CO2-uitstoot en groei van het aandeel duurzame energie kunnen bereiken. We hebben daarin al een mooie traditie opgebouwd bij de doorrekening van het verkiezingsprogramma en in de jaarlijkse Tegenbegrotingen. Dit jaar komt de kamerfractie rond Prinsjesdag met een heuse Klimaatbegroting. Een dergelijk onderbouwd alternatief is onmisbaar in het maatschappelijk debat.
2. Grenzen stellen: Concreet met voorstellen komen voor heffingen of scherpere normen om vervuilende groei af te remmen en innovatieve, schonere groei te stimuleren. Heffingen bijvoorbeeld op vleesgebruik, vuile auto’s en vliegen, en het bemoeilijken van de bouw van kolencentrales.
3. Oppositievoeren: In principe is onze oppositie constructief en zullen we proberen de groene meerderheid (PvdA, CU, SP, D66, PvdD en GL) in de Kamer voor onze voorstellen te mobiliseren. Op sommige terreinen staan we relatief alleen in de Kamer. Bij de bouw van nieuwe snelwegen, nieuwe kolencentrales of de groei van Schiphol laten we een helder oppositioneel geluid horen. Juist omdat dit terreinen betreft waar structurele hervormingen uiterst noodzakelijk zijn. Met als uiteindelijk doel ook hier echt resultaat te boeken.
De commissie Van Ojik beveelt aan om in de partij een fundamenteel debat te voeren over de groene politiek. Dat is een nuttige aanbeveling. Ik hoop dat de urgentie van de klimaatcrisis dit debat de noodzakelijke scherpte geeft. Want met een ‘business as usual’-houding zou Groenlinks volstrekt tekortschieten. Maar laat dit debat geen rem zijn op onze activiteiten – dat kunnen we ons niet veroorloven – maar deze juist versterken.
Literatuur
Wijnand Duyvendak en Femke Halsema, EKOnomie – inspiratie voor groene innovatie, 2006 (te vinden op www.groenlinks.nl).
Wijnand Duyvendak is Tweedekamerlid voor GroenLinks
De Helling 2007/3