door Marja Vuijsje
Als ik mijn broer aan de telefoon krijg opent hij het gesprek steevast op een toon die de meeste volwassenen reserveren voor kleine kinderen. Het is nu vijfenveertig jaar geleden dat hij naar Israël emigreerde, maar voor hem blijf ik altijd het zusje van zeven dat hij achterliet in Amsterdam. Dat we elkaar sinds 1962 nog wel eens hebben gezien doet niets af aan het even versteende als rooskleurige beeld dat hij van mij geschapen heeft. In het hoofd van mijn broer leef ik niet alleen voort als het meest bijzonder meisje op aarde; ik representeer ook nog eens een keer iets dat ‘vroeger thuis’ heet. Met dat beeld van mij heeft hij zijn Israëlische vrouw en dochter behoorlijk dwars gezeten. Gelukkig hebben ze afgeleerd te concurreren met de icoon die hij van mij heeft gemaakt.
Omgekeerd heeft ook mijn geheugen voornamelijk gezoete herinneringen opgeslagen aan de grote broer die ik eens had. Geen enkele man kan op tegen de aardige, geestige, invoelende en vertrouwde steunpilaar die ik voor me zie als ik aan hem denk. Vooral mijn broer zelf niet. Als we met elkaar praten moet ik altijd even wennen aan de cynische Israëliër die hij is geworden. Op zijn beurt weet hij niet goed raad met de vrouw die hij te spreken krijgt als hij zijn kleine zusje belt.
Onze gesprekken verlopen meestal houterig. Ze bestaan voornamelijk uit het wisselen van beleefdheden en het vermijden van hete hangijzers. De vervreemding die over mij neerdaalt als we hebben opgehangen maakt echter snel weer plaats voor prettige associaties. In gedachten zing ik de liedjes die we vroeger samen zongen, proef ik de taartjes die we samen aten en ruik ik de bloeiende jasmijn in het park waar we samen wandelden.
Dankzij de sprookjes die mijn broer en ik over elkaar koesteren is er iets in stand gebleven dat familieband wordt genoemd. En die laat zich niet verstoren door minder plezierige herinneringen of reëel bestaand ongemak.
Met een vriendin zit ik te praten over een onderwerp waarnaar zij onderzoek wil doen: Wat doet migratie met menselijke relaties?
Toen zij erover begon, vond ik de vraag niet erg sexy. Wie heeft er in deze tijd van spectaculaire publicaties over ‘de moslims onder ons’ nou belangstelling voor zoiets softs als de psychologische impact van landverhuizing. In gedachten zag ik een uitzending van Rondom Tien voor me; een meelevende Cees van Grimbergen, omringd door ‘ervaringsdeskundigen’ die vertellen ‘hoe het voelt’ en zo nu en dan een traantje plengen. Dat maakte het onderwerp er niet aantrekkelijker op.
Mijn vriendin laat zich echter niet uit het veld slaan. Zelf is ze gefascineerd geraakt door een Marokkaanse buurman die ruim vijftien jaar alleen woonde voordat zijn vrouw en kinderen zich bij hem voegden. Wat hebben die jaren met de leden van dat gezin gedaan? Welke fantasieën hebben ze over elkaar gekoesterd? Hoe ondergaan ze elkaars dagelijkse aanwezigheid na hun hereniging in de Amsterdamse Dapperbuurt? Maar ook: hoe zit het met de achterblijvers? Alleen al in Marokko worden hele dorpen bevolkt door mensen die hun broers, zussen, kinderen en kleinkinderen hebben zien vertrekken.
Nu talloze mannen en vrouwen ver weg wonen van de plek waar ze zijn gepokt en gemazeld is het interessant te kijken naar hun persoonlijke verhoudingen. Welke hypotheek legt het op familie- en liefdesrelaties als je het moet stellen zonder de relativerende werking van hun lijfelijke aanwezigheid? Met elkaar bellen, mailen en af en toe samen een vakantie doorbrengen is iets anders dan met elkaar leven. Mijn broer en ik zijn niet uniek in het creëren van sprookjes over verwanten van ‘vroeger thuis’. Maar wanneer gaat een overzichtelijke vorm van nostalgie over in een onvermogen duurzame relaties op te bouwen met de mensen om je heen? Misschien wel als de omgeving waarin je bent terechtgekomen minder vriendelijk is als je hebt gehoopt en de dromen die je daarover had aan diggelen zijn gegaan.
Goed idee, zo’n onderzoek.
De Helling 2007/2