door Bart Snels en Noortje Thijssen
Vorig jaar won het Van Abbemuseum in Eindhoven de Stimuleringsprijs voor Culturele Diversiteit. Een half miljoen euro werd uitgereikt door de Mondriaan Stichting. Volgens Charles Esche, de directeur van het museum, heeft kunst een bijdrage te leveren aan maatschappelijke vraagstukken. Met zijn project Be[com]ing Dutch geeft hij een visie op de Nederlandse identiteit in een tijd van globalisering.
“Kunst kan iets toevoegen aan het definiëren van een Nederlandse identiteit. De vraag is niet wie we moeten zijn, maar wie we willen zijn. Dus er is een keuze. Dat moeten we onderzoeken. Via een film kun je bijvoorbeeld een groep buitenlanders volgen die in Nederland komt om te werken en Nederlander probeert te worden. Dat proces is ook leerzaam voor iemand die ergens anders vandaan komt, bijvoorbeeld uit Maastricht. Kunst heeft iets te vertellen. Het kan mensen veranderen.
Identiteitscrisis
Nederland verkeert in een identiteitscrisis. Ik kende Nederland van de clichés. De droom van de jaren '60 met de coffeeshops, de kraakpanden, het land dat vrijheid en tolerantie uitstraalde. Nederland was één van de échte Europese landen, in tegenstelling tot bijvoorbeeld de Scandinavische landen. Ik kende het land niet goed. Van de politiek had ik weinig kennis, maar ik was wel bekend met de Nederlandse kunstwereld. Ik heb aan de Rijksakademie in Amsterdam gewerkt. Ik heb samengewerkt met Nederlandse kunstenaars in Schotland, Zweden en Turkije. Sinds de moord op Fortuyn is er een einde gekomen aan de droom van de jaren '60. Door deze gebeurtenis besefte ik voor het eerst dat Nederland was veranderd. Ik had nooit gedacht dat iemand met rechts-extremistische ideeën zo populair kon worden in een land dat bekend staat om haar tolerantie. In Denemarken en België heb je neo-fascistische partijen, in Nederland had ik dat niet verwacht.
Nu verkeert het land in een staat van onzekerheid. En de media en politici vergroten die nog. Zij controleren de gevoelens in de samenleving in zo´n grote mate, dat het soms op een samenzwering lijkt. Een teken van de onzekerheid is bijvoorbeeld dat de veiligheid nu beter is dan in het verleden, maar dat Nederlanders zich onveiliger voelen. De feiten en de gevoelens staan haaks op elkaar. Waarom is dat zo? Ik wil Nederland begrijpen. De tradities, de verzuiling, de tolerantie. Ik wil doorgronden hoe het land omgaat met globalisering en individualisering.
Als ik Nederlanders spreek, zeggen zij dat ze geen specifieke eigenschappen hebben, geen identiteit. Dat is onzinnig. Het poldermodel is bijvoorbeeld typisch Nederlands. Voor buitenlanders is dat zo iets raars, zo exotisch. Ook vergaderen Nederlanders op een speciale manier: iedereen wil zijn eigen verhaal vertellen in plaats van voort te bouwen op het verhaal van anderen. Zij houden vast aan hun mening. Het lijkt erop dat Nederlanders weinig vertrouwen hebben in elkaar.
Een ander voorbeeld van de onzekerheid is de wijze waarop Nederland omgaat met het koloniale verleden. Indonesiërs zeggen dat ze in 1945 onafhankelijk zijn geworden, Nederlanders noemen 1949. Vreemd genoeg wordt hierover geen discussie gevoerd. In landen als België en Engeland wordt voortdurend gedebatteerd over de relatie tot de voormalige kolonies. Maar de Nederlandse verhouding tot hun koloniale verleden is onderontwikkeld. Nederlanders zeggen altijd: wij zijn maar een klein land, maar historisch gezien is dat niet juist. Denemarken en Schotland zijn kleine landen. Nederland hoort in het rijtje van tien landen dat tot een wereldrijk heeft behoort. In Groot-Brittannië is dat besef er wel, sterker nog, de Britten beschouwen hun land nog altijd als een grote natie. Zij vergelijken zich met de Verenigde Staten en Rusland. Hun probleem is dat ze zich té groot voelen. In Nederland is dat precies andersom.
De Nederlandse onzekerheid hangt samen met het vermeende gebrek aan identiteit. Als mensen zouden weten wat het is om Nederlander te zijn, konden ze makkelijker praten met Turkse mensen of met mensen die twee paspoorten hebben. Rechtse politici als Verdonk en Wilders verbinden het gebrek aan een gezamenlijke identiteit aan een paspoort. Dat is onzinnig, want het is maar een stuk papier. Het gaat om wat vanuit jezelf komt. Ik ben zeer teleurgesteld in Marijnissen door zijn uitspraken over meerdere paspoorten. Intolerante gevoelens passen niet in een geglobaliseerde wereld.
De globalisering betekent echter niet dat een nationale identiteit er niet meer toe doet. De belangrijkste politieke besluiten worden op nationaal niveau genomen. De democratie speelt zich op dat niveau af. Omdat het Europees Parlement weinig macht heeft, heb je als burger maar weinig invloed op de beslissingen op Europees niveau. De belangrijkste verkiezingen zijn die voor de Tweede Kamer. Beslissingen die op lokaal niveau worden genomen, zijn afhankelijk van de nationale politiek. De natiestaat blijft het belangrijkst. Daarom is het noodzakelijk te praten over de nationale identiteit.
Wat mij betreft moet zo´n gezamenlijke identiteit wel op een progressieve manier worden ingevuld. Het gaat om gastvrijheid, openheid en mogelijkheden. Het debat moet op links worden gevoerd en niet aan rechts worden overgelaten. Maar progressieve politici willen helemaal niks weten van een gezamenlijke identiteit. Zij houden hun handen ervan af door het debat enkel te betrekken op het individu. Maar hebben individuen dan niets gemeen? Delen zij geen doelen, belangen en passies? Als de politiek alleen wil praten over 'ik', dan valt er niets te praten, want iedereen kan voor zichzelf uitmaken wie hij of zij is. Links moet het streven naar een gemeenschappelijke identiteit niet opgeven. Hier moeten we met rechts op dezelfde battleground vechten. Wij moeten op zoek naar een nieuw 'wij'. Naar een identiteit die niet vaststaat, maar één die zich altijd blijft ontwikkelen. Huidige pleitbezorgers van een nationale identiteit gaan ervan uit dat deze constant is. Dat is naïef. Tien jaar geleden zou Verdonk anders over identiteit hebben gesproken dan zij nu doet. Je kunt een collectieve identiteit niet afdwingen of opleggen, maar je kunt haar wel gezamenlijk vorm geven. In plaats van de starre 'rechtse' invulling van het begrip identiteit kun je het positief invullen en verbreden.
Kunst gebruiken
Met ons project Be[com]ing Dutch proberen wij op een progressieve manier de Nederlandse identiteit te onderzoeken. Het Van Abbemuseum wordt gesteund door de gemeente Eindhoven. Het museum is daarom niet onafhankelijk, maar staat in dienst van de lokale politiek. Onze Raad van Bestuur is de gemeenteraad. Dat zijn vertegenwoordigers van het volk in Eindhoven. Politici en medewerkers van het museum wisselen ideeën uit en voeren debatten over nieuwe projecten. De politiek formuleert de doelen, wij vertalen die in concrete projecten. Een doel van de politiek is bijvoorbeeld het verbeteren van wijken. Wij leveren daaraan een bijdrage, ondermeer door een uitnodiging aan kunstenaars uit Thailand en Turkije om samen met buurtbewoners een kunstmarkt tot stand te brengen.
Met deze benadering onderscheiden wij ons van andere musea. Het klassieke museum is vooral een plaats waar kunst gepresenteerd wordt. Het publiek wordt pas als toeschouwer betrokken wanneer het project af is en klaar is voor presentatie, al wordt de creativiteit van het publiek wel eens aangesproken bij het maken van een kunstobject. Mij gaat het er echter om het gehele proces van voorbereiding, productie en presentatie gezamenlijk vorm te geven. Dat kan door in een vroeg stadium kunstenaars te laten praten met het publiek. Dan bereid je mensen voor op kunst en de relatie met de veranderende wereld. Dan geef je mensen iets om over na te denken. Ze worden voorbereid om te leven in een geglobaliseerde wereld. Mensen leren om kunst te gebruiken in hun leven: making use of art in your life.
Het gaat er in de kunst niet om zoveel mogelijk mensen te bereiken. Kunst is geen politiek. Voor politiek geldt: hoe meer mensen worden bereikt, hoe meer invloed. Kunst is iets intiems. De boodschap komt één op één of één op twee beter over. De mensen die eraan meewerken moeten het vooral leuk vinden en ze moeten op hun gemak zijn. Als een kleine enthousiaste groep wordt bereikt, dan wordt het proces van mond-tot-mond-reclame vanzelf ingezet. Kunst heeft op de lange termijn effect; het is een kwestie van geduld. Kunstenaars hebben een ander tijdspad dan politici. Progressieve politici willen vooral snelle vooruitgang. Jullie Femke moet binnen twee minuten komen met oplossingen voor de problemen in de maatschappij. Kunstenaars zijn niet bezig met de oplossing, maar met het analyseren van de vraagstelling. Zij stellen veel vragen en bieden geen oplossingen. Zij bieden wel mogelijkheden en zoeken naar vernieuwing. Sinds de val van De Muur in 1989 is er een nieuw tijdperk van globalisering ontstaan. Kunst helpt begrijpen, helpt definiëren, hoe wij ons nu ontwikkelen.
Politieke doelen
Politici leren niet van kunst. Er is een scheiding tussen de politiek en de wereld van de kunst. Politici bewaren afstand om de autonomie van de kunst te waarborgen. Ook mensen in de kunstwereld willen hun ideeën vaak niet uitwisselen met politici en met publiek. Zij zeggen dat ze hiervoor te druk zijn. Kunstenaars en museumdirecteuren zijn vooral druk bezig met het bewaren van afstand tussen het publiek en hun kunsttempel. Vergeten wordt dat het museum een publieke instelling in de maatschappij is. Kunst zonder referentie aan de maatschappij is niet juist.
Ook veel museumdirecteuren hebben een verkeerd beeld van autonomie. Wij moeten politici er niet van beschuldigen dat zij zich met ons bemoeien. Wij moeten onze ideeën verkopen aan de politiek, maar moeten niet afhankelijk zijn. De politici in Eindhoven waren verrast dat het Van Abbemuseum iets in de wijken wilde doen. Ik zou graag eens willen praten met minister Plasterk. Wat is er slecht aan als de politiek de doelen formuleert? Een kunstenaar of museum moet wel het recht hebben 'nee' te zeggen tegen een opdracht. Als dat niet mogelijk is, wordt de verhouding tussen politiek en kunst stalinistisch. Politici moeten hun doel goed kunnen overbrengen aan de kunstenaars. Vervolgens zijn het de kunstinstellingen die duidelijk moeten maken wat ze kunnen bieden. Veel mensen bereiken is geen doel. Dat is erg makkelijk. Dat kan al door alleen maar iets heel spectaculairs te verzinnen. Als ik iemand op de markt neerschiet, komen er heel veel mensen op af. Maar daar gaat het niet om. Evenmin als het in kunst gaat om winst; kunst is geen kapitalisme. Kunst is [i]burning money[i/].”
Over Charles Esche
Charles Esche is in 1962 geboren in Engeland uit Duitse ouders. Hij studeerde Museum- en Galeriestudies aan de Universiteit van Manchester. Sindsdien vervulde hij talrijke functies over de hele wereld: hij was directeur van kunsthal Tramway in Glasgow, directeur van het Rooseum Center for Contemporary Art in Malmö, Zweden. Hij heeft meegewerkt aan de Biënnales in Berlijn, Korea en Istanbul. Esche is werkzaam als onderzoeker aan het Central Saint Martinus College in Londen. Sinds 2004 is hij directeur van het Van Abbemuseum in Eindhoven.
Bart Snels is econoom en directeur van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks. Noortje Thijssen is socioloog en medewerker van het Wetenschappelijk Bureau GroenLinks.
De Helling 2007/2