de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Lijden aan het leven -- reactie

door Kees Klop

Lijden aan het leven raakt aan de vraag naar de zin van het leven. Dat is niet het terrein van de arts maar van predikanten of humanistisch raadslieden. Het probleem wordt wel degelijk onderkend maar er wordt voor andere wegen gekozen dan euthanasie.

Paulus Lips schreef een weloverwogen en door compassie gedreven pleidooi om levensbeëin¬digend handelen van artsen in het geval van existentieel lijden te legaliseren. Lips heeft het moment goed gekozen: de politieke partijen zijn hun stand¬punten aan het vormen ten behoeve van de kabinetsformatie 2007. Als je iets wilt veranderen, is dit het mo¬ment om je fundamen¬teel op de kwestie te bezinnen. Lips onderzoekt daartoe nauw¬gezet de argumenten die tot de hui¬dige situatie hebben geleid. Dat is verstandig, want het laat¬ste wat je moet doen als je een nieuw politiek compromis over euthanasie wilt sluiten is an¬ders¬denkenden stigmatise¬ren. Lips’ centrale argument luidt dat uitzichtloos en ondraaglijk lijden vele oorzaken heeft, dat artsen ook van de niet-medische oorzaken wel degelijk ver¬stand hebben en dat de wet¬ge¬ver en de Hoge Raad daaraan geen recht doen.
Het menselijk leven kent inderdaad vele aspecten: lichamelijke, psychische, emotionele, so¬ciale, reli¬gieuze, econo¬mische, juridische, morele, esthetische enzovoorts. Voor elk van deze aspecten is een academische discipli¬ne ontwikkeld, die zijn eigen deskundigen aflevert. Bij deze deskundigheden ligt het accent zeer zwaar op het eigen vak, andere aspecten komen mees¬tal alleen als bijvakken aan de orde. Ook Lips’ op¬lei¬ding tot huisarts betrof vooral bio¬che¬mie en ana¬tomie. De vele mogelijke oor¬zaken van lijden kwa¬men pas in zijn prak¬tijkervaring aan het licht. De verschillende aspecten van het leven zijn in de werkelijkheid met elkaar ver¬weven. Het argument van Lips dat er aan lijden meer¬¬dere oorzaken ten grondslag liggen, valt daarom te begrijpen, al is het te categorisch: veel lijden be¬weegt zich voldoende binnen één aspect om daar oplosbaar te kunnen zijn. Voor een deel heeft lijden echter onge¬twijfeld meer¬de¬re oor¬za¬ken. Lips noemt als voorbeeld: een lichamelijke aandoening, een be¬paalde per¬soonlijkheid, het al of niet beschikbaar zijn van sociale steun, het functi¬one¬ren van thuiszorg etc.
Doet de Hoge Raad geen recht aan deze mogelijke multi-causaliteit van lijden? De Hoge Raad oor¬deel¬de in het ge¬val Brongersma dat er sprake was van lijden, ook al had dat geen lichamelijke of psychische oorzaken. Dat betekent dat de Hoge Raad wel degelijk multi-causali¬teit van lij¬den on¬derkent. De kwestie is vooral dat zij artsen niet vol¬doen¬de deskundig acht (wat niet hetzelfde is als on¬des¬kundig) om op basis van hun dia¬gnose van de niet-medische oorzaken tot de on¬om¬keer¬bare be¬slis¬sing van le¬vens¬beëindiging over te mogen gaan. Lips stelt daartegenover dat artsen vol¬doen¬¬de kennis opdoen via praktijk¬erva¬ring om zo’n be¬slissing wel te kunnen nemen. Is dat zo?

De zin van het leven
Existentieel lijden, zegt Lips, heeft te maken met Mieke Telkamps begrafenishit “Waar¬heen, waarvoor?”. Het heeft dus te maken met de zin van het leven. Dat is een vraag naar levensbeschouwing. Een levensbeschouwing integreert de ver¬schil¬lende aspecten van het leven tot een geheel. Daarin vind je een opvatting van goed leven die ook lijden een plaats geeft. Veel mensen lijken daar niet aan te ‘doen’, maar je staat er versteld van hoeveel levens¬beschouwing veel mensen ook na de secularisatie en de indivi¬dua¬lisering zelf ontwikkeld en onderhouden hebben. Er zijn veel kleine verhalen. Ziekenhuis¬pastors kunnen daarover meepraten. Het is bekend dat de euthanasievraag drastisch afneemt als men¬sen in goe¬de verzorgings- en verpleeghuizen met een inspirerende identiteit (welke dan ook) worden opgenomen. Ik ben er ook niet zo zeker van dat het altijd goed is om mensen zo lang mogelijk zelfstandig thuis te laten wonen, zoals het huidige beleid luidt. Veel mensen kwakkelen weg en kunnen het leven niet meer zo goed aan, ook al krijgen ze nog geen indica¬tie voor opname. Het verzoek aan de huisarts ligt dan voor de hand. Kan een arts op basis van zijn in de praktijk verworven des¬kun¬dig¬heid een diagno¬se van de zin van het leven van de cliënt stellen die tot le¬vens¬beëindiging mag leiden? Me dunkt dat hij beschei¬dener moet zijn. Er zijn om te be¬gin¬nen andere des¬kun¬digen opge¬leid voor existentie¬vra¬gen, zoals geestelij¬ken en huma¬nistisch raads¬lie¬den. Met name het counselen van de levens¬be¬schouwelijke kant van het leven van de cliënt, dat tot hun beroepsvaardigheden behoort, ont¬breekt bij artsen. Ik vind het niet vreemd dat de wet¬gever zo’n zware beslissing niet neerlegt bij een arts, die – hoe wijs ook – toch een ander beroep uitoefent.

Fiat
Tegelijk heeft de wetgever de beslissing tot euthanasie aan artsen voorbehouden. Leidt deze pad-afhan¬ke¬lijk¬heid ertoe dat de wetgever en de Hoge Raad geen recht doen aan existentieel lijden? Is ziekte daar¬¬door ten onrechte het substituut-criterium ge¬wor¬den voor uit¬zicht¬¬loos lijden? Zou het recht op euthanasieverlening niet ook moeten worden toegekend aan andere deskun¬digen, zoals pre¬di¬kanten en humanistische raadslieden, dan wel zou de arts vrijuit moeten gaan als deze des¬kundi¬gen hun fiat hebben gegeven? Dat zou dan het geval moeten worden als zij zulk on¬draaglijk en uit¬zicht¬¬loos lij¬den van niet-medische aard constateren dat levens¬beëindigend handelen door derden aanvaard¬baar wordt. Ik ben bereid die conclusie te trek¬ken.
Maar dan moeten we ook consequent zijn in de hantering van het criterium. Wat de door Lips geciteerde filosofen ook mogen beweren, een consequentialistische afweging door de cliënt zelf is daar¬voor niet genoeg. Ook Lips vindt dat er aanvullende rechtvaardiging nodig is. Zijn eigen voor¬beel¬den zouden dus moeten uit¬wij¬zen dat existentieel lijden tot euthanasie noopt. Zij over¬tuigen me echter niet. Is het juist om de zin van een le¬ven ge¬heel afhankelijk te stel¬len van het hebben van kin¬de¬ren? Me dunkt dat dit een be¬le¬di¬ging van on¬ge¬wild kinderlozen zou zijn. Verliest het leven zijn zin bij verlies van je kin¬de¬ren? Hoe bijna onnavoelbaar ingrij¬pend de gebeurtenis ook is, dat valt in het al¬ge¬meen niet vol te hou¬¬den. Is verlies van je familie en vrienden voldoende reden voor eu¬tha¬nasie? Of moet ook meewegen wat je zelf voor anderen kunt betekenen?

Levensmoe
Is slecht¬ziend¬heid, als lezen je hobby was, een reden om van dus¬danig exis¬ten¬tieel lijden te spre¬ken, dat le¬vens¬be¬ëin¬di¬ging ge¬recht¬vaardigd is? Of neem je een abonne¬ment op de blinden¬bi¬blio¬theek (ver¬geef me de trivialiteit, maar zij wordt opgeroepen door het voorbeeld dat Lips aandraagt)? Is mishandeling door je man een reden voor euthanasie? De vraag stellen is haar beantwoorden. Zijn deze oorzaken dan afzonderlijk mis¬schien niet vol¬doende, maar in combinatie wel? Of ligt het voor de hand de oorzaken af¬zon¬derlijk aan te pakken en daarmee de combi¬na¬tie te redu¬ceren tot een draag¬baar lot? Het laatste lijkt me het geval. Ik word door deze voorbeelden van existentieel lijden dus niet over¬tuigd dat er een si¬tu¬atie aan de orde is die vergeleken kan worden met de over¬macht¬situatie waar een arts voor gesteld wordt in het geval van de medische indicatie voor euthanasie. Gaat het echt om uit¬zichtloos en ondraaglijk lijden dat eutha¬nasie onvermijdelijk maakt? Of om levens¬moe¬heid? Ik denk het laatste, maar levens¬moe¬heid lijkt mij van een andere orde dan lijden vol¬gens de criteria van de eu¬tha¬nasiewetgeving.
Doen de Hoge Raad en de wetgever geen recht aan existentieel lijden? Recht¬vaar¬digt de situatie dat Lips in zijn slotzin zegt dat ‘we niet moeten voor¬wenden dat het pro¬bleem niet bestaat en het terzijde schuiven’? Ik ben het in beide gevallen niet met hem eens. Het probleem wordt wel degelijk onder¬kend. Er wordt alleen een ander gewicht aan toegekend en er worden ande¬re wegen dan eu¬thanasie gekozen om ermee om te gaan.

Kees Klop is bijzonder hoogleraar politieke ethiek aan de Radboud Universiteit Nijmegen

De Helling 2006/2


Inhoud 2006/2