door Bram van der Lek
Economische groei lijkt de bron van alle zegen, zie ook het nieuwe GroenLinks-programma. Dit is een misverstand. De aarde is eindig, dus ook groei kan niet doorgaan. Aangezien ‘duurzame groei’ niet bestaat, is het hoogste tijd de mogelijkheden van de stationaire economie te onderzoeken.
Ons wordt nog altijd voorgehouden dat economische groei, dat wil dus zeggen het jaarlijks toenemen van het nationaal inkomen, meestal gemeten als het bruto binnenlands product (BBP), een goede zaak is en liefst zo hoog mogelijk moet zijn. De prestaties van de diverse landen of regio’s worden vergeleken aan de hand van deze groei.
Ooit, in de jaren zeventig en tachtig, was daarover een levendige discussie aan de gang. Maar het ziet er naar uit dat deze geheel is verstomd. Als het BBP maar flink groeit, gaat het overal goed. Wanneer iemand oppert dat het misschien wel goed zou zijn een poosje niet te groeien, of wellicht eens wat minder te produceren – we hebben immers al zo veel – dan wordt zo’n persoon meewarig aangekeken. Hij/zij zou toch behoren te weten dat dat helemaal niet kan. Economische groei is noodzakelijk. Wie niet groeit kan niet concurreren. En alleen uit de groei kunnen we de middelen halen om iets aan de inkomensverdeling te doen, de werkloosheid te bestrijden, milieubeschermende maatregelen te nemen, ontwikkelingshulp te betalen, en andere ‘extra’ dingen te doen. Ook het nieuwe verkiezingsprogramma van Groen Links wekt de indruk dat groei noodzakelijk en goed is.
Welnu, als dat wáár is, hebben we een probleem. Immers, ieder jaar groei betekent dat er ieder jaar iets bij komt. Dit lijkt misschien een open deur, maar veel mensen zien dat toch niet echt voor zich. Het valt me op dat in de kranten bij de groeiverhalen, maar ook in de publicaties van het CBS, altijd dezelfde grafiekjes staan of blokdiagrammen van de “groei ten opzichte van het voorgaande jaar”. Die zien er erg onschuldig uit. Ze kronkelen altijd netjes om een horizontale lijn van zo’n twee of drie procent, en lijken dat tot in lengte van dagen te kunnen blijven doen. Maar in feite betekent het dat de grootheid waar het om gaat – de productie – voortdurend toeneemt. Zouden we die in een grafiek uitzetten dan krijgen we dus een stijgende lijn. En wel een steeds sneller (steiler) stijgende lijn. Om een voorbeeld te geven: de groei die in veel officiële overheidsstukken ( en trouwens ook in de nota Duurzaam en Trendmatig Begroten van de GroenLinkse Tweedekamerfractie, 2001) als een wenselijke situatie wordt aangegeven, een groei van 2,5 procent per jaar, levert na dertig jaar een verdubbeling op van de bestaande productie, na zestig jaar een verviervoudiging, na negentig jaar een toename met een factor acht.
Duurzaam
Het ligt voor de hand om een dergelijke groei – iedere dertig jaar een verdubbeling – nogal absurd te vinden, en er van uit te gaan dat niet lang kan worden volgehouden op die ene begrensde aardbol die we ter beschikking hebben. Maar blijkbaar is dat niet de opvatting van de meeste economen.
Een bekende tegenwerping is dat er verschillende soorten productie zijn, die niet allemaal dezelfde effecten op de omgeving hebben. Dat is natuurlijk waar. Voor hetzelfde bedrag méér staal, meer wasmachines, meer vrachtvervoer of meer vliegreizen betekent natuurlijk veel meer milieubelasting dan wanneer je voor datzelfde bedrag piano’s stemt, onderwijs geeft, het gemeentegroen onderhoudt of treinkaartjes knipt. Maar het is beslist niet zo dat er voor die laatste activiteiten helemaal geen grondstoffen gebruikt worden, geen energie hoeft te worden opgewekt en geen afval ontstaat. Zelfs een eenvoudig adviesje heeft zijn externe kosten: het kantoor waar het wordt opgesteld (onderhoud, verwarming, etc.), het papier, de verzending, het transport, de energie voor de computer, en verzint u nog maar even door. Met andere woorden, de dienst die géén externe effecten heeft, moet nog uitgevonden worden, of zeg maar: die bestaat niet.
Ja maar, is dan een andere tegenwerping, stel dat je gaat werken met volledige recycling van grondstoffen en alle energie van wind en zon haalt, dan heb je die problemen met externe effecten niet meer. Dan zou je dus in principe onbeperkt moeten kunnen doorgroeien. Nu hoef je geen technicus te zijn om te begrijpen dat 100 procent recycling niet bestaat. Voorwerpen slijten, stof en restjes verdwijnen in de omgeving, alle grondstoffen weer van elkaar scheiden lukt geen mens, dus er zal altijd nieuwe grondstof bij moeten worden gewonnen, zelfs voor de productie op het nu bestaande niveau. Dan praten we nog niet eens over groei. En stromingsenergie is mooi, maar er zijn wel apparaten voor nodig, windmolens, zonnecellen, transportsystemen, enzovoort, die allemaal – van grondstoffen en mét energie – moeten worden geproduceerd. Dus ook daar is een grens, al ligt die dan iets verder weg.
In een interview in het Milieudefensie Magazine (januari 2006) zegt Femke Halsema over de GroenLinkse visie: “De groei die wij voorstaan, gaat niet ten koste van het milieu”. En ze noemt dat de “kennisintensieve economie”. Anderen spreken over “duurzame groei”. Het gaat hier om een grote vergissing. De econoom Herman Daly formuleert het heel drastisch in een kort artikel, getiteld Sustainable Growth? No, thank you (in de bundel: The case against globalisation, 1996). Duurzame groei, zegt hij, is net zo onmogelijk als een perpetuum mobile. De aardse biosfeer is een begrensd systeem dat wel verandert, maar waar geen materie bijkomt of afgaat. De menselijke economie is een subsysteem van het ecosysteem aarde. Als dat subsysteem blijft groeien zal het óf te gronde gaan door tekorten en tegenkrachten, óf het systeem vernietigen waar het onderdeel van is.
Mooier
Dat betekent niet, zegt Daly, dat er geen ontwikkeling mogelijk is. Je kunt dingen anders gaan doen, slimmere dingen bedenken, het leven leuker maken. Als je die twee, ontwikkeling en groei maar scherp van elkaar onderscheidt.
Daly is niet de eerste die zich bezighield met de vraag hoelang de groei van de economie kan worden voortgezet. Het was de econoom en politicus John Stuart Mill, die in zijn boek Principles of Political Economy in 1862 al stelde dat, op een beperkte aarde, groei niet eindeloos kan zijn. Hij wijdt in zijn boek een heel hoofdstuk aan the stationary state, waarin hij betoogt dat groei, het er voor zorgen dat mensen het beter krijgen en er voor zorgen dat allen daarin meedelen, een schone zaak is, maar wel tijdelijk, en dat de eindtoestand er een zal moeten zijn van evenwicht, een stationaire toestand, waarin het niet meer gaat om groei, maar om het handhaven van een verantwoorde productie en een goede verdeling, waarbij groei alleen nog wordt ingezet op plaatsen waar tekorten zijn.
Als Mill zich afvraagt wanneer zo’n stationaire situatie zou moeten intreden, zegt hij onder andere dat hij hoopt, vanwege het behoud van natuur, dat “de mensheid tevreden zal zijn met een stationaire toestand lang voordat de noodzaak haar daartoe dwingt.” Voor hem is vooruitgang beslist niet hetzelfde als voortdurende groei en de stationaire toestand betekent geen stilstand: “Er zou zeker zo veel uitzicht voor alle vormen van geestelijke cultuur, morele en sociale vooruitgang zijn als ooit tevoren, zeker zoveel ruimte om de kunst om te leven te veredelen, en een veel grotere kans dat deze ook veredeld zou worden.” Dat is dus ongeveer dezelfde opmerking die Daly maakt: de menselijke vooruitgang houdt niet op wanneer de groei stopt. De wereld kan dan nog best steeds mooier en leuker worden gemaakt.
Bij zijn beschouwingen verwees Mill ook naar de publicaties van Malthus over een noodzakelijk einde aan de bevolkingsgroei. In die tijd was dat alles bij elkaar nog een redelijk theoretische discussie. Wanneer wij er op terugkijken, vragen we ons bijna af waar ze zich druk om maakten. Maar nu de wereldbevolking na 150 jaar ruim vier maal zo groot is geworden en de productie per hoofd met iets in de orde van een factor tien of twintig is toegenomen (en dan ook nog absurd slecht is verdeeld), is het misschien toch tijd om er eens ernstig over na te gaan denken.
Wereldvreemd
Het hoofdstuk ‘Milieu’ in het vorige GroenLinks-verkiezingsprogramma (2002-2006), Overvloed en Onbehagen, begint met een interessante verwijzing. Er staat: “Voor zijn consumptie gebruikt een Nederlander jaarlijks gemiddeld 4,7 hectare vruchtbare grond, inwoners van India en Ethiopië 0,8 hectare. Eerlijk delen zou betekenen dat elke wereldburger recht heeft op 1,7 hectare. Nederlanders leven dus op een veel te grote ecologische voet. Als de hele wereld zou produceren en consumeren als de westerse landen dan waren er vier aardes nodig.”
Dit is een verwijzing naar de, zo langzamerhand al behoorlijk uitgebreide, literatuur waarin de ‘ecologische voetafdruk’ een rol speelt. Het gaat daarbij om de hoeveelheid milieuruimte die ieder van ons gebruikt voor zijn bestaan (eten en drinken en alle verdere activiteiten). Een en ander omgerekend in hectares grond die daar voor nodig zijn. Je kunt dat per persoon per land berekenen (of per stad of dorp), maar ook wereldwijd. Dit totale beslag wordt dan gedeeld op het aantal hectares dat wereldwijd beschikbaar is en daar rolt dan een ‘eerlijke aarde aandeel’ uit. Op dit ogenblik, met de huidige omvang van de wereldbevolking, komt een eerlijke verdeling uit op ca. 1,7 hectare per persoon. Met een bevolkingstoename wordt het natuurlijk kleiner.
Nu kunnen we natuurlijk verschillend denken over de juistheid van de berekeningen van deze footprint. Maar zelfs al zou men een factor twee er naast zitten dan is nog duidelijk dat die groeiruimte niet overhoudt. In dat geval zouden de vier aardes hierboven er twee zijn. Dat is zo te zien toch nog één te veel.
Hoe dan ook, de aardbol begint anno 2006 aardig vol te raken. Dat klemt des te meer nu een aantal landen, en niet de kleinste, op weg zijn om hun achterstand op het gebied van productie en welvaart in te lopen. Dat geldt voor China (1,2 miljard inwoners), India (ca.1 miljard), Brazilië (180 miljoen) en het is niet uitgesloten dat nog anderen zullen volgen. Uit een oogpunt van redelijkheid kunnen we niet anders dan dit toejuichen. Waren we niet altijd al voor een eerlijke verdeling van welvaart in de wereld? Het gemiddelde inkomen per inwoner in deze landen (China ca. 5.000 dollar, Brazilië ca. 7.900, India ca. 2.900) ligt nog ver beneden dat van bijvoorbeeld Nederland (29.000 dollar) of de VS (37.500). Daar valt nog wel wat recht te trekken. Wat dat betreft zijn we nu op weg naar dat ‘eerlijke aarde aandeel’ in de footprint uit het hierboven staande citaat.
Onder die omstandigheden doet het wat vreemd aan dat de westerse landen zich stuk voor stuk opmaken om de ‘concurrentie’ van de nieuwe groeilanden te weerstaan en zich daarbij geen andere methode kunnen voorstellen dan te blijven streven naar een zo groot mogelijke jaarlijkse economische groei. Natuurlijk sluit dat aan bij de ‘waan van de dag’ van de laatste decennia, dat het volstrekt uit den boze is om te proberen de eigen markt te sturen, of daar met anderen afspraken over te maken. We zijn weer helemaal terug bij de ‘onzichtbare hand’. Ik realiseer me dan ook heel goed dat het behoorlijk wereldvreemd overkomt als ik hier vaststel dat het zo in ieder geval niet gaat, en dat zich zo langzamerhand echt de noodzaak aandient om binnen de westerse landen een behoorlijke stap terug te doen, om een nieuwe verdeling van het beschikbare wereldgemiddelde mogelijk te maken. Maar wereldvreemd of niet, ik denk toch dat het echt niet anders is.
Daarbij laat ik alle uitvoeringsvragen, complicaties en onzekerheden, die ik ook graag zou bespreken, buiten beschouwing. Daartoe ontbreekt de ruimte. Hier nog slechts een laatste illustratie.
Kiezers
In het hoofdstuk Milieu van het genoemde programma Overvloed en Onbehagen staat temidden van veel goede voorstellen ook het volgende punt (7.b): “Nederland onderkent dat zijn ‘mondiale voetafdruk’ te groot is en zet een stappenplan uit voor de ontwikkeling van duurzame consumptiepatronen, met als resultaat dat Nederland over 25 jaar gemiddeld niet meer claimt dan een ‘eerlijk handelsaandeel’.” Dat wil dus zeggen: de gemiddelde voetafdruk van nu van 4.7 hectare terugbrengen tot het beschikbare wereldgemiddelde van 1,7 hectare. Daar mag je inderdaad wel 25 jaar voor nemen.
Maar het is een goed punt. Het geeft precies aan waar het om gaat. Ruimte maken voor die tachtig procent van de wereldbevolking die ook dat eerlijke handelsaandeel (of eerlijke aarde aandeel ) wil bereiken. Dat zet natuurlijk niet veel zoden aan de dijk als Nederland dat alleen zou doen. Het wordt pas wat als zoveel mogelijk Westerse landen zich daar voor inzetten. Maar dat is nu even niet aan de orde. De hamvraag is een andere. Een reductie van een voetafdruk van 4,7 tot één van 1,7 is een teruggang van ruim 60 procent. Is er ook maar enige kans dat dit te combineren is met een, liefst ook nog gestage, economische groei?
En dan rijst weer de vraag, die Mill al stelde in 1862. Hoeft dat dan? Waar is die groei eigenlijk voor nodig? Hebben wij het, hier in het Westen althans, dan zo slecht? Wordt het niet de hoogste tijd voor een stationary state, en zou het dan niet zaak zijn de theoretische en praktische mogelijkheden daarvan eens te gaan onderzoeken? Zou een voorstel daartoe niet opgenomen moeten worden in het nieuwe GroenLinks-programma? Niet omdat dat iets is waar kiezers je voor om de hals zullen vallen. Maar gewoon omdat je niet mee kunt blijven doen aan een race waarvan zo langzamerhand duidelijk wordt dat hij alleen maar verliezers kan opleveren.
Literatuur over eindigheid van groei:
R.Hueting, Nieuwe schaarste en economische groei, Agon Elsevier, 1974
B.Goudzwaard en H.M. de Lange, Genoeg van te veel, genoeg van te weinig, Ten Have, 1986
Hans Opschoor, Na ons geen zondvloed, Kok Agora, 1989
Barry Commoner, The Closing Circle, 1971
E.F. Schumacher, Small is Beautiful,1973
Paul Ekins, The Living Economy, 1986
Bram van der Lek is bioloog, oud-voorzitter van Milieudefensie en voormalig lid van de Tweede Kamer en het Europees Parlement (resp. voor de PSP en Groen Progressief Akkoord)
De Helling 2006/3