door Tinne van der Straeten
In Nederland en in België zijn er dit najaar verkiezingen. De groene partijen moeten hun ideologisch profiel verscherpen als antwoord op de verrechtsing. ‘Een beetje meer van het goede’ is niet genoeg.
In Nederland vinden in november 2006 verkiezingen plaats voor de Tweede Kamer; in België zijn er op 8 oktober gemeentelijke en vermoedelijk in mei 2007 federale verkiezingen. De resultaten van GroenLinks in Nederland en Groen! in België zijn van groot belang. Hoe sterk zullen de groene partijen zijn? Hoe verhouden de groene partijen zich ten aanzien van andere linkse partijen? Welke rol zal voor hen weggelegd zijn in het politieke landschap? Dit zijn strategische vragen en ongetwijfeld belangrijk, maar de aankomende verkiezingen zijn ook een aanknopingspunt om grondiger na te denken over de inhoud van groene politiek in de 21ste eeuw. In tijden van verandering: globalisering, verrechtsing en toenemende individualisering, is het noodzakelijk om stil te staan bij de analyses en antwoorden van de groene partijen.
Zowel GroenLinks als Groen! hebben de afgelopen jaren een nieuw elan gezocht. GroenLinks lanceerde in 2005 het initiatief Linkse Lente. Dit wil een nieuw politiek geluid laten horen in een kille samenleving door linkse, progressieve ideeën te ontwikkelen en te lanceren. In België stelde Groen! in het najaar van 2003 haar uitgangspunten scherp in het Groen! Manifest voor een groen-progressief project. Beiden partijen zijn op zoek naar een verscherping van hun ideologisch profiel om op die manier hun plaats in het politieke en maatschappelijke landschap nadrukkelijker in te nemen en te kleuren.
Op politiek vlak worden zowel Vlaanderen als Nederland geconfronteerd met een toenemende verzakelijking. Beide christen-democratische regeringsleiders, Jan Peter Balkenende en Yves Leterme positioneren zich als goede bestuurders van een groot bedrijf en zijn niet uit op wervende of ronkende verklaringen. Politiek mag opnieuw even saai zijn als het maatpak waarin ze komen werken.
Op maatschappelijk vlak kennen Nederland en België een toenemend klimaat van verrechtsing. Verschillende politici en groepen zijn uit op polarisering tussen bevolkingsgroepen. Met het doembeeld van de vergrijzing neemt de druk op jongeren toe om snel af te studeren, snel werk te vinden en liefst zo lang mogelijk aan het werk te blijven. De globalisering wordt aangegrepen om bestaande sociale voorzieningen ter discussie te stellen of te verminderen. Terrorismedreigingen en de angst voor moslimextremisme worden gebruikt als reden om nieuwe regelgeving rond afluisteren, het bijhouden van gsm-data en strafvervolging er snel door te jagen.
Leiderschap
Deze tendensen zorgen voor conservatieve beleidskeuzes: er is nood aan meer industrieterreinen, meer autowegen, men wil lagere belastingen of meer belastingkortingen, vooral ten voordele van hogere inkomens, en kernenergie wordt voorgesteld als dé energie van de toekomst. Ecologische problemen zoals luchtvervuiling, klimaatverandering, verlies van biodiversiteit zijn wel belangrijk, maar even niet aan de orde. In tegenstelling tot Engeland waar klimaatpolitiek voorpaginanieuws is, lijkt er in België en Nederland veel minder politiek draagvlak voor te bestaan. In een aantal analyses wordt zelfs geopperd dat de groenen niet (meer) nodig of nuttig zijn. Een aantal groene ideeën hebben ingang gevonden en worden uitgevoerd, al dan niet onder druk van de Europese Unie. Dit is echter niet meer dan een schijnbare vergroening van de politiek. Het gaat hoogstens om een neutralisering van fundamentele opties die groenen altijd naar voor hebben geschoven. Dat er een beperking is aan de draagkracht van de aarde. Dat beslissingen die vandaag genomen worden geen rekeningen mogen doorschuiven naar de andere kant van de aarde of naar de toekomstige generaties. Dat er grenzen zijn aan de groei. Of dat er ook een economie van het genoeg kan bestaan. Dat er een alternatief kan bestaan voor de overactieve welvaartstaat.
Net daarom is het zo belangrijk dat groene partijen vandaag hun ideologisch profiel verscherpen. Er is nood aan een nieuwe lading politieke ideeën. Als groene politici hun rol vandaag zouden beperken tot ‘iets meer van het goede’: meer fietspaden, meer geld voor ontwikkelingssamenwerking, meer hoorzittingen, et cetera, leidt dit tot een verdere neutralisering van de groene kernvragen. In een maatschappelijke context waar vervlakking aan de orde is, bestuurders managers zijn geworden en burgers vooral benaderd worden als consumenten moeten groenen de stenen leggen voor geïnspireerd politiek leiderschap. Zo’n politiek leiderschap moet verder gaan dan meer van dezelfde groene ideeën en moet een trendbreuk zijn met de conservatieve en kille politiek. Het initiatief voor de Linkse Lente was een duidelijk beginpunt. Welke vertaling heeft dit gekregen in het programma van GroenLinks? Met andere woorden, welke aanzetten biedt het programma van GroenLinks voor een eigentijdse groene politiek?
Ik zal deze vraag benaderen voor twee thema’s uit het programma van GroenLinks, de multiculturele samenleving en het milieu. Het zijn twee thema’s, maar niet de enige, waar een trendbreuk nodig is en waar groenen een alternatief kunnen bieden voor de impasse van het gangbare conservatieve denken.
Multiculturele samenleving
Zowel in Nederland als in België wordt de realiteit en de wenselijkheid van de multiculturele samenleving ter discussie gesteld. Iedereen heeft de mond vol van waarden en normen die door iedereen gerespecteerd moeten worden. Er wordt veel tijd gestoken in symbooldiscussies over de hoofddoek of schotelantennes. Vanuit liberale hoek wordt de nadruk gelegd op het individu dat niet opgesloten mag worden in het keurslijf van een godsdienst of een gemeenschap. Maar dat Nederland soms ook in de eigen staart bijt, blijkt uit de discussies over de naturalisatie van Salomon Kalou en de Nederlandse identiteit van Ayaan Hirsi Ali. In België wagen veel auteurs zich aan stukken over het failliet van de multiculturele samenleving. Analyses en antwoorden vergroten vaak een aantal problemen uit, zoals cultuurverschillen, en vegen anderen onder de mat, zoals discriminatie en racisme.
Daartegenover is het een goede zaak dat GroenLinks in de eerste zinnen van haar programma kiest voor een andere versnelling, met name respect voor verschil: ieder heeft het recht om anders te zijn. De multiculturele samenleving is immers een onomkeerbaar feit. Haar problemen die onontkoombaar ontstaan bij het samenleven in verschil moeten aangepakt en opgelost worden.
Emancipatie en integratie van allochtonen krijgen een centrale plaats, maar vertrekken vanuit de premisse dat dé Nederlandse cultuur niet bestaat. Dit is een punt dat vandaag te weinig of niet gemaakt wordt. Burgers worden gebonden door het samenleven op één plek, en niet door het feit dat ze hetzelfde geloof, dezelfde overtuiging of dezelfde huidskleur delen. Het bestaan van verschillen en diversiteit ontslaat burgers er niet van mee te bouwen aan de samenleving waar ze samen wonen.
Het programma van GroenLinks is dan ook veeleer pragmatisch op te vatten. Het verliest zich niet in symbooldiscussies, maar concentreert zich op de terreinen waar allochtonen geconfronteerd worden met achterstelling: arbeidsmarkt, het onderwijs en huisvesting. Integratie moet van twee kanten komen: taal, opleiding, werk zoeken en vinden, maar ook toegang tot de arbeidsmarkt, het onderwijs, betaalbare huisvesting. Bovendien wordt integratie gezien als iets dat allochtonen zelf in handen kunnen nemen en bevorderen. Geen pleidooien om bij wet de hoofddoek te verbieden, maar wel het voorstel om vrouwenorganisaties die opkomen voor de rechten van vrouwen meer steun te geven.
Spreiden
Tegelijkertijd blijft GroenLinks in haar programma overtuigd van het nut om een sociale mix op te leggen op vlak van huisvesting en onderwijs. Steden moeten meer doen om witte en zwarte wijken tegen te gaan, stelt GroenLinks, en suggereert dat in grote steden goedkope huizen in dure wijken moeten worden gebouwd. Ik volg de redenering over de noodzaak van meer gemengde woningbouw, maar ik geloof niet dat sociale mix op die manier opgelegd kan worden. In grote steden hebben kansarme wijken vaak een functie van transmigratie. Wanneer de inwoners zich in een betere positie bevinden, trekken ze weg uit de kansarme wijk naar een betere wijk. Dit kan niet opgelost worden door louter betere woningen in te planten in de wijk, of goedkope woningen te voorzien in duurdere wijken. Het is nodig ervoor te zorgen dat niet iedereen die zich in een betere positie bevindt uit de wijk wegtrekt, maar dat een aantal van hen in de wijk blijft wonen. Op die manier kunnen ze functioneren als goede voorbeelden voor de andere inwoners, en worden de wortels van de sociale mix verankerd. Kansarme wijken hebben gerichte investeringen nodig op het vlak van ruimtelijke ordening, kwaliteit van de woningen, openbare netheid en openbare voorzieningen, zonder dat deze investeringen zorgen voor sociale verdringing. Witte wijken hebben dezelfde gerichte investeringen nodig, zodanig dat nieuwe inwoners zich een plaats kunnen verwerven in de wijk. Met het louter mathematisch spreiden en mengen wordt voorbijgegaan aan een bredere realiteit die niet te vatten is in statistieken.
Hetzelfde wat betreft onderwijs. Het GroenLinks-programma gaat ook hier uit van spreiden en mengen. Het programma bevat de tegenstrijdige redenering dat scholen geen kinderen mogen weigeren enerzijds, maar dat tegelijkertijd gespreid moet worden aan de hand van inschrijflijsten op basis van de kenmerken opleiding en inkomen van de ouders. In ben er niet van overtuigd dat het tegengaan van zwarte en witte scholen de inspanning waard is. Witte en zwarte scholen ontstaan door tal van factoren, de afspiegeling van de buurt, witte of bruine stadsvlucht, watervalsysteem. Ook hier is het moeilijk te remediëren door slechts in te grijpen op één punt. Het is volgens mij belangrijker ervoor te zorgen dat zwarte en witte scholen de kansen van leerlingen niet hypothekeren. Daarom lijkt het mij relevanter dat scholen die veel achterstandsleerlingen hebben meer ondersteund worden, een idee dat verder in het GroenLinks-programma ook aan bod komt. Is het daarom geen idee dat de inschrijflijsten met ouderkenmerken gebruikt worden om criteria te ontwikkelen op basis waarvan een school in aanmerking komt voor extra financiering en extra middelen? Onderwijs heeft als belangrijke taak om kinderen en jongeren te leren samenleven in verschil, om elkaar te confronteren met verschillen in leefomgeving met verschillende achtergronden, maar zijn er geen andere methodieken denkbaar? Zoals uitwisselingsactiviteiten tussen scholen? Of activiteiten waar witte en zwarte klassen samen een project ondernemen?
Ander geluid
In een advies van de Raad voor milieu en ruimtelijke ordening (VROM-raad) met de titel Milieu en de kunst van het goede leven (2005) wordt gesteld dat burgers milieu wel belangrijk vinden maar dat ze de aanpak van andere problemen urgenter vinden. Daardoor staan milieuproblemen lager op de agenda, maar tegelijkertijd worden meer duurzaamheidsinitiatieven ontwikkeld door burgers, kleine bedrijven en milieuorganisaties. Milieu is misschien uit, maar meer mensen zijn met milieu bezig. En hoewel meer mensen met milieu bezig zijn heeft het oplossen van milieuproblemen maar een lage urgentie. Volgens de VROM-raad is inzicht in deze twee paradoxen nodig om te komen tot een nieuwe, toekomstagenda voor milieu. Die moet gericht zijn op duurzame ontwikkeling, uitgaan van de diverse bottom-up initiatieven en gedragen worden door politiek leiderschap dat inspireert tot het goede leven.
Milieuproblemen zijn voor veel mensen eigenlijk onzichtbaar geworden. Klimaatverandering en luchtvervuiling door fijn stof zijn veel minder tastbaar dan dode vissen in rivieren. Het oplossen van die problemen wordt vaak in handen van Europa geschoven of gelaten. Zowel Nederland als België blinken niet uit in een ambitieus milieubeleid, wel in het afwimpelen van Europese verplichtingen.
GroenLinks schuift in haar programma twee duidelijke visies naar voren. Het komaf maken met Koning Auto door het snel invoeren van rekeningrijden en het ontwikkelen van een postfossiele economie. Het zijn twee punten waarbij groene partijen moeten zorgen dat de bakens worden verzet maar waar ze ook werk moeten maken van geïnspireerd politiek leiderschap. Eigenlijk is hier een pragmatische aanpak nodig. Ik denk dat het zinvol is om een groot stuk van onze politieke energie te besteden aan het maken van plekken waar een andere en meer duurzame toekomst nu al vorm krijgt. Projecten die aangeven hoe een andere stad er ook zou kunnen uitzien en die de noodzakelijke stap vooruit zetten. Zeker in Nederland zijn er veel voorbeelden te vinden van een groene stad: wijkverwarming in Almelo, waterstofwoonwijk in Arnhem, het Delfts Blauwe Daken Plan, Stadsbox, de autovrije eko-wijk op het GWL-terrein in Amsterdam. In een politieke context van verzakelijking en vergrijzing, waar milieuproblemen niet bovenaan op het lijstje staan, moeten groenen de verbeelding terug aan de macht laten. Door niet louter te pleiten voor postfossiele economie, maar te werken aan projecten die aantonen dat postfossiele economie de toekomst is. Door niet louter te pleiten voor rekeningrijden, maar te werken aan projecten zonder auto. Door te vertrekken vanuit die bottom-up benadering geeft de kans om uit breken uit de agenda die anderen zo graag aan de groenen willen opleggen: niet haalbaar of ‘voor later’.
De positie van groenen die vroeger wel eens omschreven werd als ‘niet links, niet rechts, maar averechts’ biedt nog altijd veel aanknopingspunten voor een eigentijdse, progressieve positionering. Het programma van GroenLinks kiest op verschillende punten voor een andere benadering dan het gangbare denken. Het zijn die snijvlakken die groenen moeten opzoeken en verder ontwikkelen om zo een alternatief te kunnen bieden voor burgers die op zoek zijn naar een ander geluid.
Tinne van der Straeten is vice-voorzitter van Groen!, de Vlaamse zusterpartij van GroenLinks
De Helling 2006/3