de helling, kwartaalblad voor linkse politiek bestellen colofon

Koren op de molen

door Diana de Wolff

Inhoudelijk verdient de sociaal-economische koers van GroenLinks instemming, maar op de totstandkoming daarvan is kritiek te leveren. Dat was een voorbeeld van leiderschap vanuit splendid isolation.

De verkiezingsuitslag van 22 november 2006 is door een aantal partijleden aangegrepen om de koers van de partij ter discussie te stellen. De zorg over die koers lijkt zich vooral te concentreren op de sociaal-economische agenda van GroenLinks waarin modernisering van de verzorgingsstaat op prikkelende wijze is verbonden met emancipatie en individualisme. Waarom immers weet de SP haar zeteltal te verdrievoudigen, terwijl GroenLinks een halve zetel inleverde? Is GroenLinks nog wel herkenbaar voor de linkse kiezer? Zijn we niet te elitair, gezien onze electorale groei in rijke gemeenten? Opvallend is dat de kritiek binnen de partij op de sociaal-economische koers divers is. Bij sommigen bestaat ongenoegen omdat GroenLinks zou flirten met het liberalisme en de solidariteit uit het oog zou zijn verloren. Anderen uiten het bezwaar dat GroenLinks nalaat kritiek te leveren op de markteconomie en op de ongelijke verhoudingen tussen kapitaal en arbeid. Bij sommigen bestaat weerstand tegen geïsoleerde programmapunten, met name over de werkloosheidswet en het ontslagrecht. Bij weer anderen richt de kritiek zich meer op het proces van meningsvorming, op het feit dat de Tweede Kamerfractie teveel vanuit een ivoren toren opereert en bijvoorbeeld de vakbeweging van zich zou hebben vervreemd.
Het is goed om in reactie op die kritiek nog eens de nota Vrijheid eerlijk delen na te lezen, het werkstuk waarin Femke Halsema vorig jaar samen met Ineke van Gent de contouren schetste van een op emancipatie en participatie van burgers gerichte verzorgingsstaat. Het is met name dat stuk geweest dat de basis vormde voor de sociaal-economische paragraaf in het verkiezingsprogramma. Zowel voor de analyse die aan de voorstellen in de nota ten grondslag ligt als voor de voorstellen zelf geldt dat zij zijn gericht op een radicale herverdeling van inkomen en een even radicale compensatie van kansenongelijkheid. Precies wordt ontleed waarom behoudzucht ten aanzien van de huidige verzorgingsstaat een valkuil voor links is. De arrangementen van die verzorgingsstaat, residu van 25 jaar bezuinigen en verbouwen, kennen te weinig prikkels voor ontplooiing en emancipatie en het verwerven van nieuwe kennis, vaardigheden en mogelijkheden. De zekerheden van het sociale stelsel zijn niet zelden schijnzekerheden die mensen afhankelijk maken van logge bureaucratieën en lage uitkeringen. Zelfs de meest fervente verdedigers van de verzorgingsstaat kunnen niet ontkennen dat zich in Nederland een precariaat heeft ontwikkeld van anderhalf miljoen vaak laagopgeleide mensen die niet in staat zijn duurzaam een behoorlijk inkomen te verwerven. De verzorgingsstaat heeft hen eerder verwaarloosd dan verzorgd.

Angst
Het is opvallend dat noch de vakbeweging, noch de PvdA en de SP, noch het links-conservatieve kabinet Balkenende-IV de vingers wil branden aan een nieuw wervend verhaal waarmee mensen bevrijd worden uit de armoede van de verzorgingsstaat. Men kiest voor behoud van het bestaande, zonder zich de vraag te stellen of werknemers in de 21ste eeuw niet meer belang hebben bij werkzekerheid en een afdwingbaar recht op participatie dan bij (uiteindelijk geringe) baan- of inkomenszekerheid. De nota Vrijheid eerlijk delen en het verkiezingsprogramma van GroenLinks durven daarentegen keuzes te maken die links en de vakbeweging in het verleden stelselmatig uit de weg zijn gegaan uit angst om vereenzelvigd te worden met neoliberale hervormers van de verzorgingsstaat.
Het zijn dan ook precies de voorstellen tot het veranderen van vertrouwde arbeidsmarktinstituties als de ontslagbescherming en de WW die de meeste kritiek hebben opgeroepen. Toch mag links niet weglopen voor het feit dat dergelijke instituties opnieuw tegen het licht gehouden moeten worden in een economisch bestel waarin kennis steeds belangrijker wordt en baanzekerheid steeds geringer. Doel van de verzorgingsstaat moet primair zijn: mensen weerbaar maken en hen in staat stellen zich voldoende toe te rusten voor de veranderingen waarmee zij in hun leven worden geconfronteerd, zowel in hun privéleven als in hun arbeidzame leven. Investeringen in kennis mogen niet ophouden bij het aflopen van de leerplichtige leeftijd. Niet het verzekeren van inkomensverlies moet het doel zijn, maar het verkleinen van de kans op dat verlies en het aandragen van nieuwe perspectieven. Dat een andere vormgeving van de bescherming tegen ongewenst inkomensverlies noodzakelijk is, toont ook de WRR overtuigend aan in haar recente advies Investeren in werkzekerheid (2006). De WRR is met dit rapport in het gat gesprongen dat de SER in het afgelopen najaar open liet door af te zien van een advies over de toekomst van het ontslagrecht. Voortbordurend op de studie Development as Freedom (1999) van de econoom Amartya Sen onderstreept de WRR het belang van toerusting van mensen om hun ontwikkelingskansen te optimaliseren en werkzekerheid te vergroten. Die toerusting is niet slechts van materiële aard. Er is juist een verschuiving nodig van financiële compensatie naar op het individu toegespitste voorzieningen gericht op maatschappelijke participatie, empowerment en zelfontplooiing. Overigens niet alleen van outsiders, maar ook van degenen die reeds op de arbeidsmarkt actief zijn.

Krentenbol
In haar eigen agenda stelt GroenLinks in wezen dezelfde uitruil voor. Daarbij staat individuele keuzevrijheid voorop. Vrijheid om te kiezen voor werknemerschap of zelfstandig ondernemerschap of een switch daartussen. Vrijheid om arbeid en zorg te combineren. Om door middel van scholing nieuwe mogelijkheden aan te boren. Door deze nadruk op keuzevrijheid krijgen mensen een grotere eigen verantwoordelijkheid voor hun levensloop en hun lot. Keuzevrijheid is immers tot op zekere hoogte ook keuzeplicht. Kiezen voor niet-participeren verdient bovendien geen steun. Het is een typisch linkse uitdaging voorzieningen zo om te vormen dat mensen die verantwoordelijkheid kunnen dragen. Het centraal stellen van die individuele vrijheid door links mag echter niet verward worden met afscheid van de solidariteit of een flirt met het liberalisme. Zowel als het gaat om herverdeling van inkomen als waar het gaat om de inzet die van werkgevers wordt verwacht, verschilt het Vrijheid eerlijk delen-denken essentieel van de liberale agenda. Niettemin woedt binnen links als reactie op toegenomen marktwerking in voorheen collectieve regelingen al enige tijd het debat over de (on)wenselijkheid van individuele keuzevrijheid. Mensen zouden niet zitten te wachten op de vrijheid te kiezen als zij niet kunnen overzien wat de voors en tegens van een bepaalde keuze zijn.
In het boek Vrijheid verplicht dat in 2005 onder redactie van Menno Hurenkamp en Monique Kremers verscheen, is dergelijke kritiek uitvoerig verwoord, bijvoorbeeld in de bijdrage ‘De homo economicus als tevredenheidsdier’ van de econoom Olav Velthuis. Bij gebrek aan adequate informatie over de consequenties van bepaalde keuzes zouden mensen geen belangstelling hebben voor de vrijheid te kiezen. Persoonlijk ben ik door deze kritiek nooit overtuigd geraakt. Weliswaar is de keuze voor een ziektekostenverzekeraar of een opleiding iets anders dan de keuze tussen een krentenbol en een halfje bruin, toch blijken mensen uitstekend in staat te zijn cruciale keuzes te maken op basis van gebrekkige informatie (banen, studies, huizen, wel of niet naar de dokter gaan). Het is niet elitair om van mensen te verwachten dat zij hun eigen lot zoveel mogelijk bepalen. Ontkennen dat zij dat willen is pas elitair.

Leiderschap
Verdient de sociaal-economische agenda van GroenLinks enthousiaste instemming, op het proces van totstandkoming van die agenda is wel kritiek te leveren. Bij het schrijven van Vrijheid eerlijk delen hebben Femke Halsema en de Tweede Kamerfractie te weinig met andere stakeholders binnen en buiten GroenLinks gecommuniceerd. Kennelijk wilde Halsema haar politieke leiderschap tonen door vanuit splendid isolation met een nieuwe koers te komen, welke koers vervolgens natuurlijk zonder al te veel tegengas tot uitdrukking moest komen in het (onder leiding van fractiegenoot Kees Vendrik geschreven) verkiezingsprogramma. Dat vond ik geen verstandige strategie. De partij kent immers zeer veel leden en belangstellenden die geëngageerd zijn met juist de vraagstukken die in de nota worden behandeld. Zij voelden zich begrijpelijkerwijs voor het hoofd gestoten. Niet primair vanwege de inhoud, maar omdat zij bij de totstandkoming van deze nieuwe agenda op geen enkele wijze waren betrokken en zelfs volkomen verrast werden door de nota. Bovendien heeft Halsema onnodig hard uitgehaald in haar kritiek op de vakbeweging, die zich slechts zou bezighouden met insiders op de arbeidsmarkt en te weinig met outsiders.
Hoewel ik meen dat wij ons niet zouden moeten blindstaren op het belang van de vakbeweging als natuurlijke bondgenoot van links, was het niet nodig en evenmin correct om de bonden op die manier af te serveren. Nog los van deze provocaties is binnen de partij onvoldoende gewerkt aan het organiseren van kennis van, laat staan draagvlak voor de sociaal-economische vrijzinnigheidsagenda. Leden waren tijdens de campagne van afgelopen najaar onvoldoende in staat om die agenda overtuigend in discussies te verdedigen. Daarmee ging ‘versoepeling van het ontslagrecht’ een eigen leven leiden en vielen we in ons eigen zwaard. De provinciale debatbijeenkomsten over de libertaire koers van de partij, die tijdens het jongste partijcongres per motie werden afgedwongen, hadden in wezen veel eerder moeten plaatsvinden, ruim voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Vrijheid eerlijk delen had daar niet alleen aanleiding, maar ook de uitstekende reden voor moeten zijn. Dan was er beslist minder koren op de molen van de behoudzuchtige, oud-linkse criticasters terechtgekomen.

voorzitter Eerste Kamerfractie GroenLinks tot juni 2007

De Helling 2007/1


Inhoud 2007/1