door Antoine Verbij
Hoe integreer je minderheden? Met nationaal zelfbesef? Een discussie tussen de filosofen Jos de Beus, Sjaak Koenis en René Boomkens.
“Doe nu eindelijk eens het voorstel om Nederland op te heffen, dan weet ik tenminste wat je wilt!” Jos de Beus maakt zich boos. De Amsterdamse hoogleraar politicologie en PvdA-partijman wenst politieke duidelijkheid. De verschillen tussen zijn partij en GroenLinks wat betreft de multiculturele samenleving moeten maar eens op tafel. Dus provoceert hij waar hij kan. Drie jaar geleden al trok hij in een essay voor het multiculturele instituut Forum fel van leer tegen 'de cultus van de vermijding', waar met name ook GroenLinks zich aan zou bezondigen. Fans van de multiculturele samenleving zouden de problemen van minderheden in Nederland stelselmatig onderschatten en daarmee verergeren. Begin dit jaar vond De Beus een eloquente medestander in de publicist Paul Scheffer, die in zijn befaamde NRC-opstel de vermijdingsstrategie verantwoordelijk stelde voor het 'multiculturele drama'. Met name het zwakke nationale bewustzijn zou debet zijn aan het falen van de integratie van minderheden – een stelling die De Beus onderschrijft.
Daarmee krijgt hij zijn gesprekspartners deze middag gemakkelijk op de kast. Sjaak Koenis, de Maastrichtse filosoof die voor het Wetenschappelijk Bureau van GroenLinks over de 'erkenning van culturele identiteit in Nederland' schreef, proeft in de stelling van Scheffer en De Beus een pleidooi voor een nationaal gevoel. “En dat is heel gevaarlijk. Als je het Nederlanderschap gaat definiëren in termen van gevoel, zijn de minderheden de eersten die erbuiten vallen.” En René Boomkens noemde in de oratie waarmee hij dit voorjaar het hoogleraarschap sociale filosofie in Groningen aanvaardde, Scheffers pleidooi hopeloos achterhaald. “Ik zal het nog eens duidelijk zeggen: Wij weten niet meer wie wij zijn! Wij zijn geen Nederlanders meer!”
De drie zijn in Amsterdam bij elkaar gekomen op uitnodiging van De Helling, omdat De Beus dit voorjaar in dit blad flink had uitgehaald naar GroenLinkse denkers als Koenis en Boomkens. “GroenLinkse filosofen zien zichzelf graag als non-conformisten”, zei hij tegen de interviewer. “Maar ze zijn juist de grootste conformisten, want ze doen niets anders dan de progressieve gezagsdragers naar de mond praten.” Wie zijn die 'GroenLinkse filosofen' dan wel? De Beus noemde naast Koenis en Boomkens ook onder meer Jan Willem Duyvendak, voorzitter van de commissie die momenteel het verkiezingsprogramma van GroenLinks opstelt. Allen te zamen typeerde hij ze als “epigonen van Lolle Nauta”, de Groningse filosoof die ooit PvdA-ideoloog was maar nu is opgeschoven naar GroenLinks. “Wat ik deze mensen verwijt, is hun politieke correctheid. Ik verwijt ze dat ze zwijgen over de dubbelzinnigheden, de gevaren en de kosten van de open samenleving.”
Handenschudden
Het resultaat van De Beus' classificatie was dat het soms leek of er niet drie maar vijf mensen aan het gesprek deelnamen, want men refereerde net zo vaak aan de standpunten van de 'burgerlijke nationalist' Scheffer en de 'multiculturalist' Nauta als aan de eigen standpunten. “Mijn stelling is”, zegt De Beus nu in het debat, “dat het multiculturalisme à la Nauta lange tijd de dominante opvatting was van politici, beleidsmakers en filosofen. Dat is verstoord – door Bolkestein, door Scheffer, door de journalistiek. Ik sta aan de kant van Scheffer, ik verdedig het liberaal nationalisme, het sociaal-democratisch republikanisme. Dat raakt GroenLinks. Als GroenLinks in de regering komt, wat gaat ze daar doen? GroenLinks lijdt aan vermijding en ontwijking. Ze is niet goed voorbereid, ook filosofisch niet.”
Koenis en Boomkens laten zich de kwalificaties van De Beus sputterend aanleunen. Hoewel ze geen van beiden lid zijn van GroenLinks, bekennen ze dicht tegen het gedachtegoed van die partij aan te zitten; Boomkens noemt zich zelfs een 'natuurlijke bondgenoot'. En hoewel ze Nauta als een stimulerend denker ervaren, verzetten ze zich, zoals het filosofen betaamt, tegen de term 'epigoon'.
Van de drie is De Beus de politiek actiefste. Hij zit momenteel in de commissie die de kieslijst van de PvdA voor de aanstaande Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen samenstelt. “Ik verklap hier even dat ik ernaar streef dat de sociaal-democraten de eerste zwarte wethouder in Amsterdam gaan aanwijzen.”
Daarmee kiest hij voor de strategie van de coöptatie, en dat is verrassend. In zijn Forum-essay had hij immers nog gepleit voor partijvorming door minderheden. Hij licht zijn ommezwaai toe: “Ik ben nu drie jaar verder en ben inmiddels overtuigd dat Marokkanen en Turken vanwege hun interne verdeeldheid nooit tot een vorm van politieke organisatie zullen komen. Door onderzoekers als Jean Tillie ben ik toen op het spoor gezet van de coöptatie. Maar ik ga wel impertinente vragen stellen. Ik ga de kandidaten vragen of ze van plan zijn de seculiere traditie van de PvdA op te heffen. En de PvdA vraag ik: is coöptatie niet goedkoop afromen?”
De gespreksdeelnemers zijn het erover eens dat de politiek van de verzuiling voorbij is, hoe verdienstelijk die ook is geweest als instrument van politieke integratie. Volgens Koenis kunnen we van de verzuilingsperiode leren dat als er iets is dat Nederlanders bindt, het niet bepaalde culturele waarden zijn, zoals Scheffer en De Beus geloven, maar politieke waarden. Niet dat er geen culturele kwesties zijn, maar die zijn “deel van het probleem, niet van de oplossing”, meent Koenis. De oplossing komt van politieke waarden als pluralisme, gelijkheid en tolerantie. “Die slaan een brug tussen de verschillende culturele minderheden. Met behulp van die waarden kunnen de verschillen zo worden georganiseerd dat de mensen bij elkaar blijven.” Voorwaarde is wel, voegt Koenis eraan toe, dat er een zekere machtsbalans bestaat tussen de groepen, zoals die bestond tussen de oude zuilen en nu juist mist in de verhouding tussen meerderheid en minderheden.
De Beus betwijfelt of dat historisch juist is. In het verleden zijn de protestantse waarden vaak dominant geweest. “Daar kan ik als kind van katholieke ouders over meepraten.” Hij noemt Koenis' pleidooi politiek wensdenken: “Je wilt het graag, maar het klopt niet met de werkelijkheid. Waarom zeg je niet gewoon: dit is mijn politieke project?” Koenis grijpt het voorbeeld van de katholieken aan: “Wat er vroeger met die katholieken gebeurde, gebeurt nu met de allochtonen. Die voelen zich door die verhalen over nationale identiteit buitengesloten.” “Dat spreek ik tegen”, reageert De Beus. “Scheffer en ik hebben de ervaring dat als je allochtonen met die term confronteert, ze daar een uitnodiging in zien om mee te debatteren over wat Nederlanderschap is.”
En in dat debat gaat het wel degelijk om culturele waarden en niet alleen over politieke, vindt De Beus. “Ik zal een voorbeeld geven. Handenschudden. Woordvoerders uit allochtone gemeenschappen ontmoeten vrouwelijke wethouders en dan zegt iemand: ‘Een vrouw? Die geef ik geen hand!’ Multiculturalisten als Van Boxtel zeggen dat die mensen er gewoon over moeten praten en dan komen ze er wel uit. Dat is laf. Ik zou een inzet hebben in de discussie. Ik ben van de PvdA, ik ben erg voor vrouwen als wethouder en erg voor handen schudden. Ik zeg dus: wat mij betreft doen we het in Nederland zó: wij schudden handen! Clubs als Forum zeggen: daar zijn we al lang aan toe. Andere zeggen: ‘dat gaat ons te ver, kunnen we niet iets anders bedenken… (De Beus staat op, maakt buiginkjes, wappert met zijn handen) …’, zoiets. Je moet erkennen dat dit een cultureel probleem is en dat de oplossing niet anders dan cultureel kan zijn.”
Schoffies
Boomkens moet niets hebben van de ontwijkingsstrategie van minderhedenminister Van Boxtel (“Van Boxtel moet onderscheiden worden als de cultuurpaus van de vermijding”), maar ergert zich nog heviger aan het “stoere-jongensgedoe” van Scheffer. “Ik ervaar de multiculturele samenleving helemaal niet als een drama. Toen Amerikaanse getto-onderzoekers eens werden rondgeleid door de Bijlmer, vroegen ze verbaasd: ‘Is this your ghetto?’ Hij ergert zich aan de bombastische retoriek van Scheffer, aan termen als 'beschavingsoffensief' en 'zuiverheid'. Tegenover die confrontatieretoriek wil hij zelfs voor het omgekeerde pleiten: “Eerlijk gezegd vind ik vermijding een vorm van beschaving. Je gaat expliciete confrontaties uit de weg.” Koenis valt hem bij: “Een zekere mate van onverschilligheid is een zegen voor de politiek.”
De Beus geeft toe: “Vermijding is menselijk en sociaal. Ik vind alleen dat we daar in doorschieten. Daarom pleit ik voor confrontatie. Dus bij de volgende verkiezingen godverdomme – dit is de enige keer dat ik vloek! – moeten we de multiculturele samenleving duidelijk aan de orde stellen en mogen de grote partijen het thema niet over de verkiezingen heen tillen. Ik ben blij met wat Herman Vuijsje de herwonnen ‘vrijmoedigheid van het openbare debat’ noemt – dat je het gewoon kunt hebben over Marokkaanse schoffies zonder dat ze je meteen voor een aanhanger van Hitler uitmaken. Die flauwekul hebben we nu gehad.”
Blijft het punt of de problemen van de multiculturele samenleving nu cultureel van aard zijn, zoals Scheffer en De Beus geloven, of vooral politiek van aard, zoals Koenis meent, of gewoon klassiek sociaal-economisch, een perspectief waarvoor Boomkens zich als woordvoerder opwerpt. “Het zijn en blijven voornamelijk sociaal-economische problemen die we te laat hebben herkend. Ik geef een voorbeeld. Een paar jaar geleden in Den Haag, toen ik daar nog werkte, gaf de VVD-wethouder zonder dralen toe dat dertig procent van de allochtone werklozen onbemiddelbaar was. En waarom? Omdat wij mensen hebben geïmporteerd die qua leeftijd en qua scholing niet binnen tien en ook niet binnen twintig jaar geschikt kunnen worden gemaakt voor de Nederlandse arbeidsmarkt. We hebben, kortom, een gigantisch scholingsprobleem geïmporteerd. En dat los je niet op met Nederlands leren en leren wanneer de slag bij Nieuwpoort was.”
Popcultuur
Het is een merkwaardige figuur: De Beus, geschoold econoom, roept dat minderheden een cultureel probleem vormen, terwijl cultuurfilosoof Boomkens zegt dat het grotendeels economisch is. De Beus wordt er wanhopig van. “Ik snap dat niet. Ik vind dat zelfs vals. Waarom zeg je dat onderwijs en werkgelegenheid de prioriteit moeten hebben, terwijl de kwesties waar de mensen echt rood van worden, kwesties van cultuur zijn! Het loze multiculturalisme van Van der Ploeg, het toneelstuk Aïsa dat niet werd opgevoerd, imam El Moumni's aanval op de homoseksuelen. Dat zijn toch allemaal culturele kwesties, die kun je toch niet zomaar ontkennen!”
“Als dat al problemen zijn”, antwoordt Boomkens, “los je die in ieder geval niet op met het versterken van een nationale identiteit, want die bestaat niet.” In zijn oratie, die deze zomer onder de titel Angst en walging in Timboektoe werd afgedrukt in De Gids, betoogt Boomkens dat mensen als Scheffer hopeloos achter het net vissen. Cultuur houdt zich al lang niet meer aan nationale grenzen. “Een beroep op Nederlanderschap is voor de gemiddelde jonge Nederlander net zo'n atavisme als voor de opgroeiende jonge Turk of Marokkaan.” De cultuur is inter-, trans- en postnationaal geworden, beweert Boomkens en illustreert dat met tal van voorbeelden uit de populaire cultuur. De Beus is niet onder de indruk. Hij noemt Boomkens' verhaal “het ijdele betoog van een popsocioloog”: “Die globalisering van de popcultuur zegt niets over de globalisering van politiek, recht en moraal. Ik daag je uit om uit al die dingen die je zegt over de globalisering van de popcultuur, de consequenties te trekken voor politiek en beleid ten aanzien van Turken en Marokkanen in Nederland. Dan heeft GroenLinks er tenminste ook nog wat aan.”
“Okee”, zegt Boomkens, “ik geef nog voorbeeld. Uit een recent onderzoek in Nederland blijkt dat Turken veel minder integreren dan Marokkanen. Tegelijkertijd ervaren wij de Marokkanen – behalve dan de meisjes – als het grote sociaal-culturele probleem. Je kunt wat dat betreft de Turken in Nederland vergelijken met de Hispanics in California. Die integreren absoluut niet in de Amerikaanse samenleving, ze leren geen Engels, ze doen aan veel dingen niet mee, maar ze vormen tegelijkertijd geen enkel probleem. De problemen in Califonia komen traditioneel van de zwarten in de grote steden. Dat leert ons dat er geen eenduidige politiek van inburgering kan bestaan. Dat wat je het minste aanstaat – de weigering te integreren – heeft soms de meest positieve resultaten. Vergelijk het met de Chinezen in Amsterdam: een gesloten gemeenschap die al vijftig jaar geen enkel probleem vormt.”
De Beus, verstoord: “Maar als Nederland straks voor de helft uit buitenlanders bestaat, wil ik niet dat dat allemaal Amsterdamse Chinezen zijn, gemeenschappen waar we langs leven en die ons geen fuck interesseren. In zo'n wereld van onverschilligheid doet het er inderdaad niet meer toe of we nog wel weten wie we zijn!”
Koenis: “Ik denk dat we heus nog wel weten wie wij zijn. Maar ik zeg: als je het hebt over integratie, let dan om te beginnen op de kwaliteit van onze instituties. Zit niet de hele tijd te leuteren over onze nationale identiteit, maar zorg dat de arbeidsbureaus goed werken, en de sociale diensten.”
Boomkens: “We weten misschien nog wel zo ongeveer wie we zijn, maar we zijn geen Nederlanders meer.”
De Beus: “Het probleem met jouw filosofie is dat die culturele invalshoek steevast uitdraait op een onbegrensde gemeenschap. Maar zodra je spreekt over een volk met een staat, of dat nu Nederland is of Europa, dan heb je het over een staat met een grens en dus over beperkend beleid.”
Boomkens: “Dat vind ik een onzinnig verwijt. Nou ben je net Melkert, die ook altijd doet alsof Rosenmöller een open Nederland en een open Europa wil.”
Gevoel
Het toverwoord is gevallen: Europa. Het is een van De Beus' voornaamste passies. Hij is er een voorstander van dat Nederland de ‘organisatie van de gastvrijheid’ in Europees verband regelt. “Maar dan krijg ik weer last met de GroenLinkse multiculti's, die roepen: ‘het wordt Fort Europa’. Ja, dat wordt het ook, wat had je dan gedacht? Een onbegrensde gemeenschap?”
De problematiek van het samenleven met migranten is vergelijkbaar met de problematiek van het samenleven in Europa, vindt De Beus. Vandaar dat ook hier de discussie terugkeert over wat prioriteit moet hebben: politiek of cultuur? De Beus kiest voor de laatste: “Ik zit op de lijn van Joschka Fischer, de Duitse minister van Buitenlandse Zaken. Die zegt dat we naar een Europese federatie, een Europese staat moeten, en daarvoor is een gevoel nodig. Wat voor Europa willen we? Het Europa van Jörg Haider? Heus, zonder gemeenschapsgevoel kun je geen oorlog winnen en geen verzorgingsstaat opzetten.” Koenis kiest daarentegen voor de politiek: “Het gemeenschapsgevoel zal altijd een product zijn van de instituties. Je kunt nooit zeggen: we kweken eerst het gevoel en dan komen de instituties vanzelf wel. Dat is een waanidee. De invoering van de euro is een veel belangrijker stap dan al die verhalen over Europese cultuur.”
De Beus houdt vol: “Ik ben voor een Europese identiteitspolitiek. Ik ben ervoor dat politici zeggen wat dat is: een goede Europeaan. Serieus met cultuur bezig zijn, met een Europese filmindustrie bijvoorbeeld.” Boomkens begint te gruwen: “Moeten we dan Hollywood-films en Amerikaanse popzangeressen als Britney Spears aan de grenzen gaan tegenhouden? En MTV als een gevaarlijke zender weren?”
De Beus: “De Fransen zouden niets liever willen.”
Boomkens: “Dat bedoel ik.”
De Beus, sarcastisch: “Nee, wij Nederlanders doen zoiets natuurlijk niet, want wij weten niet wie wij zijn.”
De Beus komt met een voorbeeld van Lolle Nauta. “Die beweert dat hij meer heeft met een vluchteling uit Irak dan met zijn buurman, een streng-christelijke politieagent. Dat is mooi en medemenselijk en solidair…” Boomkens: “Maar zo bedoelt hij het helemaal niet!” De Beus: “Maar wat ik bedoel is: als voor meer Nederlanders geldt dat ze zich sterker verbonden voelen met Irakezen dan met Nederlanders, dan zitten we iets verkeerd te doen, dan kun je Nederland inderdaad beter afschaffen.”
“Neeneenee”, zegt Boomkens. “Het gaat altijd om lokale varianten van een internationale cultuur. Neem een Nederlandse groep als Pussycat, die een grote hit scoort met een liedje over de Mississippi. Moeten ze dan over de Maas zingen omdat ze daar nu eenmaal wonen?”
“Ik blijf het proberen”, vervolgt De Beus. “Als Nauta zegt dat hij meer heeft met een liberale Irakees dan met een orthodoxe Nederlander, dan vind ik dat een zeer verkeerde opvatting. Dan denk ik aan uitspraken in de trant van: er zal geen Europa zijn als het niet sociaal-democratisch is. Of Bolkestein: er zal geen Europa zijn als het niet liberaal is. Ik vind de poging een gemeenschap te funderen op een politiek principe sociologische lariekoek. Maar dat is wat Nauta wil, en Koenis, en vriend Habermas. Onzin, en als aanknopingspunt voor politiek volstrekt ondeugdelijk. De essentie van democratie is dat degenen die de verkiezingen winnen, de wetten maken. En al ben ik het politiek niet met hen eens, toch wil ik samen met hen belasting betalen…”
“Dit gaat te ver”, onderbreekt de gespreksleiding. “Nauta is hier niet en kan zich dus niet verdedigen. We zullen hem voor een volgende keer uitnodigen.”
- Jos de Beus, De cultus van vermijding, Forum, Utrecht, 1998
- René Boomkens, Angst en walging in Timboektoe, de Gids nr 4-2001, Amsterdam
- Sjaak Koenis, ‘Erkenning van culturele identiteit in Nederland’, in de bundel: Diversiteit in de polder, Wetenschappelijk Bureau GroenLinks, Utrecht, 2001
Antoine Verbij is freelance journalist
De Helling 2001/3