door Marco Wilke
Het sociale zekerheidsstelsel kreunt onder 25 jaar versoberen. Is daar voor links nog eer aan te behalen? Marco Wilke las de plannen van GroenLinks en de PvdA voor modernisering van de verzorgingstaat. Behalve een paar onzinnige ideeën ontdekte hij bij beiden ook veel zinnige voorstellen.
Ruim 25 jaar lang staat de ontwikkeling van het sociale stelsel in het kader van versobering. Lagere uitkeringen, hogere drempels, minder bescherming voor werknemers en minder progressieve belastingheffing, het is een meer dan bekend verhaal. Eerst werd deze versobering met name gelegitimeerd door economische feiten of interpretaties: het financieringstekort of de overheidsschuld was te hoog, dan wel de belasting- en premiedruk namen onaanvaardbare hoogtes aan. Overigens staan deze argumenten de laatste jaren weer volop in de belangstelling via de band van ‘de vergrijzing’. Later, alhoewel oud-minister Ruding zijn roemruchte ‘Tante Truus’ reeds in het midden van de jaren tachtig lanceerde, verschoof de legitimatie voor de versobering naar meer maatschappelijke, dan wel morele aspecten. ‘Iedereen aan het werk’, ‘de warmte van een betaalde baan boven de kilte van een uitkering’, ‘eigen verantwoordelijkheid’: het is ongeveer een aardig gezelschapsspel aan het worden bij welke politieke stroming welk adagium past, terwijl ze toch ongeveer op hetzelfde neerkomen.
Na de meest recente aanpassingen van het sociale stelsel onder Balkenende (de arbeidsongeschiktheid, bijstand, vervroegd pensioen en binnenkort werkloosheid) ligt er voor politiek links de (be)klemmende vraag of er na die 25 jaar nog een ander debat over de verzorgingsstaat mogelijk is. Het antwoord moet wel ‘ja’ zijn, want de alternatieven zijn: berusten in de erfenis die er nu ligt, of roepen om bloedeloze reparaties.
Maar wat is dan ´links´? Wat mij betreft een combinatie van maatregelen die meer prikkels bieden om de arbeidsmarkt op te gaan zónder gebruik te maken van kortingen op uitkeringen, met zoveel mogelijk keuzevrijheid tussen inkomen en vrije tijd. Met die combinatie kunnen, in samenhang met een verstandig economisch beleid, belangrijke ontwikkelingen als vergrijzing en afnemende sociale cohesie het hoofd geboden worden.
Prikkelt
Van twee kanten zijn initiatieven genomen om dat andere debat te voeren. Femke Halsema en Ineke van Gent gooiden op 19 november een liberale knuppel in het GroenLinkse hoenderhok met hun pamflet Vrijheid eerlijk delen als een soort sociaal-economische spin-off van het boek Vrijheid als ideaal, waarmee Halsema zich voorlopig gevestigd heeft als de enige echte vaandeldraagster van het liberalisme. In december werd door de PvdA De wet van wederkerigheid gepubliceerd: een ‘rapport’ onder leiding van Han Noten (voorzitter van de Eerste-Kamerfractie van de PvdA) over de verzorgingsstaat. Beide verhalen zullen ongetwijfeld centraal staan in de discussies over de inzet van deze partijen in het verkiezingsjaar 2007 en voor hun mogelijke deelname aan een nieuw kabinet. Voldoende relevant om er goed aandacht aan te schenken.
Om met Noten en de zijnen te beginnen. Hier ligt een alleszins behoorlijke, leesbare en afgewogen discussienotitie op u te wachten. Misschien wel zó behoorlijk en afgewogen dat zij een beetje saai is. Maar leesbare saaiheid is in dit tijdgewricht veruit te verkiezen boven schreeuwerige commentaren. Het meest centrale begrip dat volgens het verhaal bij een goed functionerende verzorgingsstaat past is ‘wederkerigheid’: voor wat hoort wat. De burger mag wat van de staat verwachten, indien hij zelf ook het beste beentje voorzet. En geheel in sociaal-democratische traditie is de staat daarbij het eerste aan zet: “Alleen als de samenleving haar plicht invult, kan zij ook eisen stellen”. En nu het toch over tradities gaat: de PvdA gaat nog steeds het maakbaarheidsdenken niet uit de weg. Straks meer daarover.
Een ander kenmerkend punt in de notitie is de ‘investeringsfunctie’ die het stelsel van sociale zekerheid zou moeten hebben – naast de klassieke functies van vangnet en verzekering. Het ‘investeringskarakter’ van een goed stelsel van sociale zekerheid betekent ruwweg dat het stelsel mensen prikkelt om gedurende hun gehele loopbaan in zichzelf te investeren (scholing) waarmee de kans om gebruik te moeten maken van de andere functies (garantie en verzekering) minimaal wordt.
Naast ‘wederkerigheid’ en ‘investeren in jezelf’ vindt het rapport het essentieel dat het ‘vertrouwen in het stelsel’ weer groter wordt. Niet teveel aanpassingen dus en het niet te ingewikkeld maken – wie snapt er nu nog iets van zijn pensioen- of ziekte/arbeidsongeschikheidsregeling?
Oude wijn
Op basis van deze algemene beschouwingen volgt een min of meer concreet actieprogramma. Het rapport begint met een sociaal-democratische klassieker: de overheid moet banen scheppen: vooral aan de onderkant van de arbeidsmarkt. Bekende instrumenten als verlaging van loonkosten door vrijstelling van premies en het stimuleren van persoonlijke dienstverlening via bijvoorbeeld btw-vrijstelling passeren de revue. Vervolgens – in de lijn van het pleidooi voor wederkerigheid – moet elke uitkeringsgerechtigde (“sluitende aanpak”) zich inspannen om aan het werk te gaan of zich bij te scholen: “de uitkering is een investering”. Naast het scheppen van werkgelegenheid verplicht de overheid om diverse regelingen aan te bieden, gericht op kinderopvang, verlofregelingen en een flexibele AOW. In grote lijn is dit volgens mij oude wijn in een nieuwe zak: met name de gehanteerde woorden zijn “modern-liberaal”.
Dat taalgebruik wordt weer ouderwets sociaal-democratisch (misschien zijn werkgroepleden Ella Vogelaar en Jan van Zijl hier debet aan?) als men de onderwijs- en arbeidsmarkt problematiek aansnijdt: overheden moeten met sociale partners ‘regionale arbeidsmarktconvenanten aangaan’. Dat is een staaltje klassiek maakbaarheidsdenken. Die maakbaarheid vinden we ook terug in de gewenste koppeling tussen employability en ontslagbescherming. Watte? “Als een werkgever een werknemer gedurende het dienstverband voldoende schoolt mag hij hem makkelijker ontslaan”. Een merkwaardige redenering – een dienstverband is er immers om prestaties te leveren tegen een prijs (het loon) en niet om de schoolbanken over te doen – en bovendien in de praktijk onuitvoerbaar.
Om het vertrouwen in het sociale stelsel te vergroten doet de werkgroep een aantal financiële voorstellen die ‘omgekeerde’ solidariteit moeten stoppen en tegelijkertijd geld in het laatje brengen: hervorming van de hypotheekrenteaftrek, een onderwijsleenstelsel voor diegenen die hoger onderwijs volgen en het fiscaliseren van de AOW-premie (dat wil zeggen: ook over het pensioen wordt AOW-premie geheven).
Zoals gezegd is het een afgewogen rapport, zonder grootse vergezichten maar wel met een hele set redelijke maatregelen – met name op het terrein van arbeidsparticipatie – die door een paar grondprincipes gedragen worden.
Geschoffeerd
Kritiek is te leveren op een tweetal zaken. Allereerst blijven de auteurs in de echte PvdA-traditie regelmatig doorschieten in de maakbaarheidsgedachte. Eerste voorbeeld: door de AOW-leeftijd te ‘flexibiliseren’ (je mag zelf kiezen om vóór of ná je 65ste gebruik te maken van de AOW; een keuze die gevolgen heeft voor de hoogte van de AOW!) wil men stimuleren dat mensen langer blijven doorwerken. Slechts enig doordenken echter leidt tot de onvermijdelijke conclusie dat in zo’n stelsel iedereen zo vroeg mogelijk z’n AOW opneemt, waardoor het beoogde effect nooit gehaald wordt. Immers, zelfs al heb je geen AOW nodig omdat je nog werkt dan nog kun je het beste zo snel mogelijk de AOW incasseren en op een spaarrekening zetten. Een tweede voorbeeld is de koppeling van ontslagbescherming aan scholing. Met de doelstelling (investeer in jezelf!) is niks mis, maar de uitwerking leidt tot een wirwar van prikkels in de arbeidsverhoudingen en in ieder geval tot een immense bureaucratie.
En deze kanttekening is het bruggetje naar het tweede kritische punt: ondanks het centraal stellen van ‘wederkerigheid’ is in het PvdA-rapport de overheid nog steeds volop aan zet. Vertrouw toch iets meer op het vermogen van individuen om hun eigen leven te regelen. De meeste mensen combineren zorg en werk behoorlijk goed: en dat zonder ingewikkelde zorg- of spaarfaciliteiten. De verzorgingsstaat heeft als klassieke functie de voornaamste risico’s bij het wegvallen van inkomen als gevolg van ziekte, werkloosheid of ouderdom af te dekken. Is dat hele simpele uitgangspunt misschien niet voldoende om vast te houden en te koesteren?
Het pamflet van Halsema en Van Gent kan absoluut niet als ‘afgewogen’ of ‘saai’ gekarakteriseerd worden. De dames zijn retorisch op dreef, en verliezen zich bewust niet in techniek. Nog los van de inhoud is dat een uitstekende manier om het politieke debat aan te gaan. Daarbij neem je wel het risico dat tegenstanders zich eveneens niet inhouden. Zo verscheen kort na hun pamflet een bijzonder boze repliek van GroenLinkse vakbondsbonzen (en dat is een verrassend groot deel van de FNV-top) die qua taalgebruik de geharnaste stijl van Arie Groenevelt en zijn tijdgenoten imiteerde. Helaas overigens ook de inhoud, maar dat terzijde. De vakbondstop leek met name geschoffeerd te zijn door de kritische blik op de bestaande instituties binnen de arbeidsverhoudingen, terwijl dat een ´minor issue´ is van het pamflet
Walhalla
De kern van het betoog van Halsema en Van Gent is dat “de bestaande krachteloze verzorgingsstaat de onze niet is”. De huidige verzorgingsstaat beschermt in té hoge mate insiders (werknemers met vaste contracten, mensen met hoge inkomens) en wordt door bestaande vakbonden in instituten als de SER overeind gehouden. Outsiders (flexwerkers, allochtonen, jongeren, deeltijders, vrouwen, voormalig WAO’ers) zijn de pineut. Juist de rechtse hervormingen in de sociale zekerheid in de afgelopen decennia hebben de rechten van de outsiders in onevenredige mate aangetast. Als voorbeeld wordt de WW geschetst. De auteurs constateren dat een groot deel van het WW-geld naar uitkeringen voor oude (en misschien zelfs witte?) mannen gaat. Daarmee zou zijn aangetoond dat het WW-stelsel oude mannen onevenredig bevoordeelt. Probleem met dit soort redeneringen is dat ze – voorzichtig uitgedrukt – niet bijzonder robuust zijn. Immers, je zou evengoed kunnen beweren dat het werkloosheidsrisico vooral neerslaat bij ouderen (leeftijdsdiscriminatie op de arbeidsmarkt) en dat in die leeftijdscategorie mannen oververtegenwoordigd zijn. In die zin is het maar goed dat er een stelsel is dat juist dit risico afdoende dekt.
De auteurs zijn voorstander van het Scandinavische model. Met name de combinatie van een flexibele arbeidsmarkt en goede inkomensbescherming trekt hen aan. En los van de vraag of Denemarken nu inderdaad het walhalla op dit terrein is, lijkt me die combinatie inderdaad de kern van een succesvolle links-liberale inzet. Vervolgens zet de consistentie zich voort: er wordt een vlammend pleidooi gehouden om ‘baas over eigen leven te zijn’. Daarna gaat het helaas in conceptuele zin gedeeltelijk mis: “Links behoort zoveel mogelijk vrijheid voor zoveel mogelijk mensen te organiseren”. Hierbij wordt natuurlijk aangesloten bij het positieve vrijheidsbegrip dat uitgebreid beschreven wordt in het boek Vrijheid als ideaal als alternatief voor het klassiek liberale non-interventionisme. Maar het blijft oppassen geblazen als iemand “vrijheid wil organiseren”.
Niet doen!
Halsema en Van Gent destilleren uit hun kritiek op de bestaande verzorgingsstaat drie uitgangspunten: de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten; werk hebben is zeer belangrijk; mensen leven niet alleen om te werken. Misschien geen onaardige combinatie, maar onduidelijk is of dit nu zo links-liberaal is. Het klinkt uiteindelijk redelijk klassiek links.
De uitgangspunten worden net als bij de PvdA uitgewerkt in actiepunten. Ik zal ze, voorzover het om voorstellen gaat die ingaan op de verzorgingsstaat, samenvatten in de volgens mij zinvolle suggesties en de minder geslaagde opties. Om met de laatste categorie te beginnen: het pleidooi om hogere inkomens meer te belasten (met een hoger toptarief voor de inkomensbelasting en een verhoging van de vermogensbelasting) is ineffectief daar de mensen en bedrijven die dit treffen zeer goed zijn in het afwentelen of ontduiken van hogere tarieven. Verder ook hier het plan voor een flexibele AOW, en hierboven heb ik uitgelegd waarom dat geen goed idee is. En we treffen hier ook het voorstel voor de nodeloze combinatie van ontslagrecht met scholingsinspanningen aan. Niet doen!
Halsema en Van Gent komen vervolgens met een “recht op participatie” (dat wil zeggen: een baan) en dat klinkt mooi, maar leidt in praktijk tot veel bureaucratie. De arbeidsmarktvoorstellen in het PvdA-rapport zijn op dit punt duidelijk beter. Ook iets dat misschien goed klinkt, maar niet verstandig is, is het “recht op thuiswerk”. Natuurlijk kan thuiswerk soms bijzonder goed uitkomen voor de werknemer (of de werkgever), maar het omvormen tot een recht verstoort praktische verhoudingen binnen bedrijven enorm. Je moet er niet aan denken dat iedereen zelf bepaalt of hij of zij thuis iets gaat doen of op de zaak. Een ander merkwaardig voorstel is de keuze voor een nationaal pensioenstelsel. Als ideaal niet fout, maar gezien het feit dat Nederland – nog steeds – een alleszins behoorlijk pensioensysteem heeft, is het toch niet een onderwerp met een hoge prioriteit.
Rust
De zinvolle voorstellen zijn gelukkig in de meerderheid. Ik noem er een paar op. De afschaffing van aftrekposten en van inkomensafhankelijke regelingen (zoals de hypotheekaftrek) is in principe een mooie lijn, waarbij the devil natuurlijk in the detail zit. Maar het gaat bij dit soort manifesten om het grote gebaar. En dit punt sluit mooi aan bij de voorstellen uit het PvdA-rapport. Dat geldt eveneens voor het meebetalen van ouderen aan de AOW: pensioengeld is immers niet anders dan uitgesteld loon en waarom zou daarover geen AOW-premie betaald moeten worden.
Ook een uitstekend voorstel, met name voor de werking van de onderkant van de arbeidsmarkt, is het invoeren van een gedeeltelijk basisinkomen. Dit moet natuurlijk wel gecombineerd worden met een forse verlaging van het minimumuurloon, anders werkt het niet. Belangrijkste doel is om enerzijds de loonkosten onder in het loongebouw te verlagen en tegelijkertijd het netto-inkomen in stand te houden. Dit idee is het alleszins waard om verder uit te werken. Ook het pleidooi om het ontslagrecht sterk te versoepelen, gecombineerd met een hogere ontslaguitkering (met name voor de eerste zes maanden van werkloosheid) is goed en past bij een links-liberale visie. Het pleidooi voor goedkopere kinderopvang is klassiek, maar blijft van belang.
Al met al is het pamflet een goede aanzet voor GroenLinks om het debat over haar sociaal-economisch programma te openen. De voorstellen rusten in het algemeen redelijk op de drie genoemde uitgangspunten van Halsema en Van Gent, veel meer daarop dan op het vermeende liberale karakter: ik zie daar althans weinig van terug. Misschien is dat geen probleem. Rust in de partij is wellicht ook van waarde.
De opvattingen van PvdA-huize en GroenLinkszijde kunnen uitstekend samengevoegd worden tot één hoofdstuk van een regeerakkoord. Er moet dan wel een flexibele tekstschrijver gevonden worden die ‘links-liberaal’ met ‘wederkerigheid’ kan verenigen in één mooi ideologisch ontwerp. En als dat lukt, met hopelijk het weglaten van hier en daar wat domme voorstellen, dan ligt er een totale aanpak van de welvaartsstaat, die voldoet aan een links karakter en ook voldoende toekomstbestendig is. Dat is, los van alle kritiek, pure winst.
kader
CPB-rapport
In maart kwam het CPB met een scenariostudie over de toekomst van de Nederlandse welvaartstaat. Het rapport biedt een substantiële en goed onderbouwde bijdrage aan het debat hierover dat voorlopig nog niet afgerond is. Het eerste deel bestaat uit een uitgebreide economische analyse van de belangrijkste aspecten en functies van de welvaartsstaat: herverdeling, verzekering tegen inkomensverlies en het bieden van een inkomensvoorziening voor alle levensfasen. Met de theoretische inzichten uit de analyse worden voor drie types welvaarstaten toekomstscenario´s gemaakt. Dit, tegen de achtergrond van de ontwikkeling van de Nederlandse economie in de komende decennia die gekenmerkt wordt door vergrijzing, internationalisering en differentiatie van voorkeuren. Een ontwikkeling die volgens het CPB om beleidsaanpassingen schreeuwt: niets doen leidt tot een groeiende staatsschuld, hoge belastingdruk en een sterk verzwakte positie op de arbeidsmarkt voor laag-opgeleiden.
Het eerste type is dat van een ‘Angelsaksische’ welvaartsstaat die enkel een vangnet biedt voor diegenen die het echt niet redden. Allerlei bekende verzekeringen en beschermingsarrangementen worden afgeschaft. Deze welvaartstaat is goed voor meer werkgelegenheid, lagere belastingen en vergroot het inkomensgat tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden. Het tweede type is dat van een ‘brede verzorgingsstaat’, met als kenmerkend aspect een zeer sterke stijging van de arbeidsparticipatie van vrouwen. De scherpe verschuivingen van het eerste type (zowel in positieve als negatieve zin) worden hier vermeden. Het derde type is een wat merkwaardige: minder overheidsinterventie over de hele linie, maar wel versterking van collectiviteiten (bijvoorbeeld vakbonden). De economische resultaten liggen in tussen die van de andere twee.
Het CPB uit geen voorkeur voor één van de types. Tussen de regels door proef je wat sympathie voor een duidelijke keuze in plaats van ‘gepolder’. Het is in ieder geval een studie die uitstekend gebruikt kan worden om het politieke debat in juiste banen te leiden.
Marco Wilke is kroonlid van de Sociaal Economische Raad en lid van het bestuur van het Wetenschappelijk Bureau van Groenlinks
De Helling 2006/1