door Marja Vuijsje
Als kind kon ik me goed voorstellen hoe dat vergassen van de dierbaren van mijn ouders praktisch in zijn werk was gegaan. In gedachten zag ik een gigantisch formaat voor me van het oventje waarin mijn moeder altijd boterkoek bakte. Daarin bevonden zich een heleboel Europeanen die vanaf de jaren dertig steeds Joodser waren gemaakt en nu dood moesten. Onder hen ook mijn opa, oma, tante, ooms, neefjes en nichtjes, de hartsvriendinnen van mijn moeder en de eens zo vrolijke leden van het amateur-jazzorkestje waarin mijn vader trombone had gespeeld. Wat ik me minder goed kon voorstellen was hoe ze in die grote oven terecht waren gekomen.
Volgens mijn vader moest ik het zien als een Europese traditie. Hitler was niet de eerste Europese machthebber die in tijden van rampspoed een jodenvervolging liet organiseren als remedie tegen alle narigheid waarmee het vaderland te kampen had. Of hij de laatste zou zijn was nog de vraag. Al zou het waarschijnlijk nooit meer uitdraaien op zoiets als Auschwitz.
Vanwege die Europese traditie was er niet alleen bij ons thuis veel begrip voor joden die het oude continent verruilden voor een eigen thuisland in het Midden-Oosten.
Nadat de joden in Europa schaars waren geworden, werden ze vooral in West-Europa behoorlijk populair. Hoewel die liefde voor het oude woestijnvolk inmiddels sterk is afgenomen, worden de nabestaanden van de ruim zestig jaar geleden vergaste joden in sommige kringen nog steeds vanzelfsprekend gezien als de good guys. Vooral onder politici die graag scoren met stevige standpunten over wat zij soms netjes ‘de uitwassen van de islam’ noemen. Bij het uitventen van hun ideeën over een cultural clash tussen ‘de achterlijke islam’ en ‘het vrije Westen’ verwijzen ze graag naar de joods-christelijke traditie van Europa, die haaks zou staan op de inborst van de moslims die onder ons zijn gekomen. Zo worden de Untermenschen van vroeger ingelijfd bij het zwartmaken van die van vandaag.
Pim Fortuyn ging zelfs zover dat hij de staat Israël zag als een belangrijke voorhoede in de strijd tegen de islam.
In het Midden-Oosten is in ieder geval één man die veel gemeen heeft met de populisten van Europa: Mahmoud Ahmedinejad. Ook de president van Iran gelooft heilig in een botsing tussen de westerse cultuur en de islam. Net zoals de Fortuynachtigen vindt hij dat er een centrale rol is weggelegd voor Israël. Alleen presenteert hij het joodse thuisland als de grootste vijand waarmee het Midden-Oosten heeft te kampen. En gebruikt hij de nabestaanden van de in Auschwitz, Sobibor en in al die andere kampen vermoorde joden op een heel andere manier als propagandamateriaal.
Mijn Iraanse vriend legt mij wel eens uit hoe het komt dat Ahmedinejad in eigen land op een zekere bijval kan rekenen als hij zegt dat het allemaal sterk is overdreven van die gaskamers. De weerzin is gericht tegen Israël, dat zich in het Midden-Oosten nestelde op het moment dat de rest van de wereld stevig aan het dekoloniseren sloeg en dat zich heeft ontpopt als imperialistische handlanger van het gehate Amerika. En tegen de Europeanen die onder verwijzing naar de door henzelf vervolgde joden een sterke neiging hebben Israël te steunen. Hoewel de meeste Iraniërs dolgraag van Ahmedinejad af willen, wist hij wel enig enthousiasme op te wekken met zijn holocaustontkenning. Vanwege de Mohammed-cartoons was er extra behoefte de Europeanen een koekje van eigen deeg te geven. Aangezien er voor de massaal van hun geloof gevallen Europeanen bijna niets meer heilig is, wordt er in zo'n geval uitgeweken naar een symbool dat de Europeanen tot in het diepst van hun ziel treft: de holocaust.
Van gene zijde hoor ik het hoongelach van mijn vader. Inderdaad is het een sterk staaltje ironie hoe de Europeanen worden geraakt door een Europese traditie die ook buiten Europa wordt hergebruikt.
De Helling 2006/1